ECLI:NL:PHR:2024:29

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 januari 2024
Publicatiedatum
8 januari 2024
Zaaknummer
21/04830
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor medeplegen witwassen via verkoop familiekronieken

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarbij de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen. De verdachte bood zogenaamd unieke familiekronieken aan, die in werkelijkheid geen echte genealogische informatie bevatten, maar slechts overeenkomsten in achternamen. Het hof had bewezen verklaard dat de verdachte geldbedragen had overgedragen en omgezet, afkomstig van deze verkoop.

In cassatie werden twee middelen aangevoerd: het eerste middel betrof een ontvankelijkheidsverweer wegens onzorgvuldige bewaring van inbeslaggenomen digitale administratie, het tweede middel betrof bewijsverweren over het ontbreken van bewijs voor het overdragen en omzetten van gelden. De Hoge Raad verwierp beide middelen. Het hof had terecht geoordeeld dat het overdragen en omzetten ook door mededaders kon zijn verricht met voorwaardelijk opzet van de verdachte.

De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden, maar zag geen aanleiding tot vernietiging van het arrest. De conclusie van de procureur-generaal strekte tot verwerping van het beroep, waarmee de veroordeling in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen witwassen blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/04830

Zitting9 januari 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] B.V.,
gevestigd te [geboorteplaats] ,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 18 november 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens "
medeplegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 5.000,-, met een proeftijd van twee jaren.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R. Zilver, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Voor een inleiding in deze zaak verwijs ik naar mijn conclusie van heden in de hiermee samenhangende zaak tegen een medebestuurder van de verdachte, [medeverdachte 1] (21/04835), die in cassatie wordt bijgestaan door dezelfde raadsman als de verdachte.

Het eerste middel

4. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5. Het verweer, alsook ‘s hofs verwerping van het verweer en het daartegen voorgestelde middel zijn identiek aan het eerste middel in de genoemde zaak tegen [medeverdachte 1] . Voor een weergave van een en ander verwijs ik naar mijn conclusie in die zaak. Dat geldt ook voor mijn bespreking van het middel. Het middel faalt op de daarin genoemde gronden.

Het tweede middel

6. Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaring en klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake is van ‘overdragen’ en ‘omzetten’ van de geldbedragen.
7. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

zij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005, te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, en elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
- door tussenkomst van [A] en
- in verband met de verkoop van familiekronieken
op en/of via bankrekening [001] geldbedragen heeft overgedragen en omgezet,
terwijl zij wist dat bovenomschreven geldbedrag(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”
8. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte geldbedragen heeft overgedragen en/of heeft omgezet, en evenmin waaruit het ‘overdragen’ en ‘omzetten’ heeft bestaan, terwijl ook niet zonder meer duidelijk is op welke wijze de verdachte dit op en/of via bankrekening [001] heeft gepleegd. [1] De enkele omstandigheid dat geldbedragen naar een bankrekening van een rechtspersoon zijn overgemaakt is onvoldoende om daaruit te kunnen afleiden dat de verdachte die bedragen heeft overgedragen en/of omgezet, aldus de steller van het middel.
9. Hierover het volgende. Uit de bewijsvoering komt naar voren dat de met de mailingbrief aangeschreven personen die belangstelling hadden voor het in die brief aangeboden product (de familiekroniek) geld overmaakten naar [A] ( [A] ), waarachter [betrokkene 1] schuilging. Op 15, 16 19, 20 en 21 september 2005 zijn van deze rekening geldbedragen van in totaal € 85.500,- afgeschreven ten behoeve van de verdachte. [2] De medeverdachte [medeverdachte 2] kon beschikken over de bankrekening van [A] en kon dus
de factogeldbedragen overmaken dan wel opnemen vanaf deze rekening. [3]
10. De in het middel verwoorde klacht gaat eraan voorbij dat het hof het
medeplegenvan witwassen bewezen heeft verklaard. Voor deze bewezenverklaring is dus niet vereist dat de verdachte de geldbedragen
zelfheeft overgedragen en/of omgezet, dat kan ook – met haar medeweten, in de zin van voorwaardelijk opzet – zijn verricht door haar mededaders. Het overmaken van gelden naar girorekening [001] van de verdachte (door medeverdachte [medeverdachte 2] namens [A] ) heeft het hof kunnen aanmerken als ‘overdragen’, terwijl de verwisseling van de vordering van [A] op de ABN AMRO-bank voor een girale vordering van de verdachte op ING door het hof als een ‘omzetting’ kon worden beschouwd.
11. Ook het tweede middel faalt.

Slotsom

12. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
13. Ambtshalve wijs ik erop dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, omdat de Hoge Raad niet voor 22 november 2023 uitspraak doet. Gelet op de hoogte en aard van de opgelegde straf kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Kennelijk abusievelijk maakt de steller van het middel in de toelichting melding van het gironummer van [C] , waar het gironummer van de verdachte ( [001] ) wordt bedoeld.
2.Zie de bewijsmiddelen 35 t/m 39, waarin de verdachte [verdachte] wordt genoemd met gironummer [001] .
3.Zie bewijsmiddel 34.