ECLI:NL:PHR:2024:294

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
13 maart 2024
Zaaknummer
22/00727
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 36e SrArt. 359 SvArt. 511e SvArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontnemingsmaatregel na veroordeelde mensensmokkel en gewoontewitwassen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Den Haag waarin de betrokkene werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 76.000,- aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was in de hoofdzaak veroordeeld voor medeplegen van mensensmokkel, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen, en kreeg een gevangenisstraf van veertig maanden opgelegd.

Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 155.000,-, verdeeld over vier medeverdachten, waarbij aan de betrokkene persoonlijk ook de uitgaven aan casinobezoeken werden toegerekend. De betrokkene voerde in cassatie onder meer aan dat de casinoinleg ten onrechte was betrokken bij de schatting van het voordeel en dat het draagkrachtverweer onvoldoende was gemotiveerd afgewezen.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht de casinoinleg niet als voordeel heeft aangemerkt, maar slechts heeft betrokken bij de verdeelsleutel. Ook is geoordeeld dat het draagkrachtverweer niet aannemelijk was gemaakt en dat het hof voldoende motivering heeft gegeven voor de afwijzing daarvan. Wel wordt ambtshalve opgemerkt dat de redelijke termijn is overschreden, wat leidt tot een vermindering van de betalingsverplichting. Het cassatieberoep wordt verder verworpen.

Uitkomst: Betrokkene wordt veroordeeld tot betaling van een verminderd bedrag van wederrechtelijk verkregen voordeel na overschrijding redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00727 P

Zitting26 maart 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943,
hierna: de betrokkene

Inleiding

1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 21 februari 2022 de betrokkene – ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel – de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 76.000,- aan de staat. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in geval van niet-betaling bepaald op 360 dagen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel komt op tegen (de motivering van) de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het tweede middel keert zich tegen de motivering van de verwerping van een draagkrachtverweer.

De strafzaak

4. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft het hof de betrokkene wegens 1. “
deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. “
medeplegen van mensensmokkel, meermalen gepleegd, terwijl de verdachte daarvan een gewoonte heeft gemaakt; en medeplegen van een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland, IJsland, Noorwegen of een staat die is toegetreden tot het protocol genoemd in artikel 197a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd, terwijl de verdachte daarvan een gewoonte heeft gemaakt; en poging tot medeplegen van mensensmokkel”, 3. en 4.
“medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”en 5.
“medeplegen van gewoontewitwassen”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede een geldboete ter hoogte van € 10.000,-, subsidiair 85 dagen vervangende hechtenis.

Het procesverloop in de ontnemingszaak

5. Deze ontnemingszaak is het vervolg op HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1885,
NJ2020/64 m.nt. Kooijmans, waarin de Hoge Raad een arrest d.d. 7 juni 2018 van het hof Den Haag casseerde. [1] Het hof had naar het oordeel van de Hoge Raad niet op basis van de door het hof vastgestelde omstandigheden mogen oordelen dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel (ter hoogte van een bedrag van € 165.000) geheel aan de betrokkene kon worden toegerekend. [2] Na terugwijzing heeft het hof het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 80.487,50. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn is de hoogte van de betalingsverplichting met € 4.487,50 verminderd.
6. De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 7 februari 2022 in aanwezigheid van de raadsman van de betrokkene. Het proces-verbaal van die zitting houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:
“Daartoe in de gelegenheid gesteld door de voorzitter deelt de raadsman het volgende mede:
Mijn cliënt is vandaag niet aanwezig, omdat zij naar het LUMC moest voor een knieprothese.
Ik heb stukken bij mij omtrent de vermogenspositie van mijn cliënt. Daaruit volgt dat zij een bedrag van ongeveer € 1.600,00 per maand ontvangt. Dit zijn inkomsten verkregen uit pensioen, huur- en zorgtoeslag. Haar vaste lasten bedragen rond de € 1.200,00 per maand. Dit betekent dat mijn cliënt een bedrag van ongeveer € 400,00 overhoudt aan leefgeld,. Mijn cliënt heeft ook schulden. Bij vonnis in de hoofdzaak is mijn cliënt veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,00. Daarnaast wordt er een bedrag van € 36.000,00 teruggevorderd van de gemeente [plaats] .
Mijn cliënt heeft verder geen bezittingen. Zij beschikt niet over een koopwoning. Zij beschikt ook niet over onroerende zaken in het buitenland.
Er is conservatoir beslag gelegd op haar sieraden. Ik weet niet of dat inmiddels is verkocht. Het zou kunnen kloppen dat er ook conservatoir beslag is gelegd op andere goederen.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnota. Bij deze gelegenheid voert de raadsman primair aan dat het totale wederrechtelijk verkregen voordeel over de vier medeverdachten dient te worden verdeeld, en subsidiair dat dit bedrag door drie moet worden gedeeld. Daarnaast verzoekt de raadsman de betalingsverplichting op nihil te stellen in verband met de geringe draagkracht van zijn cliënt.
7. De pleitnotities houden – voor zover hier van belang – het volgende in:
“DRAAGKRACHT
8. Cliënte hoopt dit jaar 79 te worden. Haar inkomsten bestaan uit AOW aangevuld met huurtoeslag; ik verwijs naar de aangehechte toelichting die haar familie daarop heeft gegeven. Zij heeft geen eigen woning (want een huurhuis) en geen noemenswaardige bezittingen. Een schrikbeeld voor cliënte is dat gijzeling dreigt. Niet aannemelijk is dat haar inkomens- en vermogenspositie zullen verbeteren, reeds omdat niet aannemelijk is dat zij ander inkomen dan de AOW zal ontvangen. Gelet daarop verzoek ik u de vordering te matigen wegens gebrek aan draagkracht.”
8. Als bijlage bij de pleitnotities zijn de volgende gegevens gevoegd:
“Hierbij de gegevens met betrekking tot de huidige situatie (januari 2022) van mijn moeder.
Overzicht inkomsten en vaste lasten [betrokkene] / Maandelijks
Inkomsten
Uitgaven
Pensioen SVB
1142
Huur van woning
640
Huurtoeslag
330
Zorgtoeslag
111
Premie Zorgverzekering
Zorg en Zekerheid
159
Verspreid betalen eigen risico
Zorg en Zekerheid
40
*1 CJIB-schuld
146
*2 Gemeente [plaats] schuld
25
*3 SVB [plaats] schuld
25
Waterrekening Dunea
16
Energierekening Vattenfall
148
Totaal
1583
1199
€ 384 over per maandag
Voor boodschappen/persoonlijke verzorging/vervoer naar ziekenhuis/artsen etc.
SCHULDEN
*1
10000
Boete opgelegd tijdens strafzaak naast de 5 jaar gevangenis. Zelf bedacht door de rechters, niet eens geëist door OM.
Rest nog:
2605
*2
36000
Als gevolg van strafzaak, gegevens door OM naar gemeente [plaats] gestuurd. Zij gaven aan dat mijn moeder te veel uitkering had ontvangen vanwege “inkomsten uit criminele organisatie”
Rest nog:
?
*3
6166
Als gevolg van strafzaak, gegevens door OM naar SVB [plaats] gestuurd. Zij gaven aan dat mijn moeder te veel aanvullende uitkering had ontvangen vanwege “inkomsten uit criminele organisatie”
Rest nog:
3513
Vanwege haar gezondheid:
-
Verder heeft mijn moeder vanuit WMO betaald hulp in huishouden (3 uur per week komt iemand schoonmaken).
-
Vanuit de zorgverzekering verzorging (hulp bij wassen en aankleden) en verpleging (hulp bij medicatie inname/toezicht, ogen druppelen en hulp bij insuline spuiten)
-
Begeleiding om met haar mee te gaan naar afspraken bij ziekenhuizen/artsen (Zij komt vaak bij haar huisarts, internist, diabetesverpleegkundige, cardiologie en pijnpoli). Klachten nemen toe naarmate zij ouder wordt.
Bezittingen en spaargeld:
-
Mijn moeder heeft geen van beide. Ze heeft geen spaargeld. Ze heeft geen bezittingen in NL of in Suriname. Ze geeft zelfs toestemming om dat na te gaan bij de Surinaamse overheid.”
9. In het bestreden arrest heeft het hof met betrekking tot de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel onder meer het volgende overwogen – met weglating van voetnoten:
Bewijsvoering
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft, verkregen uit de in haar strafzaak bewezenverklaarde feiten en soortgelijke feiten waaromtrent voldoende, aanwijzingen bestaan dat die feiten door de betrokkene zijn begaan en grondt zijn overtuiging daaromtrent op de hierna te vermelden wettige bewijsmiddelen, aan de inhoud waarvan het hof tevens de hierna weer te geven schatting van genoemd voordeel ontleent.
Modus operandi
Het hof heeft hierbij acht geslagen op het arrest van dit gerechtshof van 10 juli 2015 in de strafzaak en het financieel strafrechtelijk onderzoek met bijlagen en komt tot de volgende modus operandi, zoals die door de betrokkene werd gehanteerd.
De betrokkene is stelselmatig bezig geweest te bewerkstelligen dat vreemdelingen die daartoe anders niet gerechtigd zouden zijn, in Nederland konden verblijven. Deze vreemdelingen moesten daartoe zeer grote sommen geld betalen aan de betrokkene. Zij trad hierbij op als de spin in het web: zij verzorgde referenten, betaalde de referenten, monitorde en regisseerde de contacten met de IND, verzorgde de post voor de vreemdelingen en gaf voortdurend (vreemdelingrechtelijk) advies.
(…).
Schatting totaal wederrechtelijk voordeel
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat aannemelijk is dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel van € 5.000,- per koppel heeft verkregen uit de koppels 1, 14, 17, 18, 19, 20 en 29 en dat de betrokkene een wederrechtelijk voordeel van € 10.000,- per koppel- heeft verkregen uit de koppels 3, 5, 6, 7, 10, 11, 12, 13, 15, 16, 24 en 27. Aldus is het hof van oordeel dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op (7 * 5.000 + 12 * 10.000) € 155.000,-.
Verdeling
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de betrokkene primair aangevoerd dat het totale wederrechtelijk verkregen voordeel over de vier medeverdachten dient te worden verdeeld, en subsidiair dat dit bedrag door drie moet worden gedeeld.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat tussen de betrokkene en de mededaders [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] - buiten het bestaan van hun familiaire relatie - sprake is geweest van een duurzame samenwerking, uitmondend in verschillende handelingen, die hebben geleid tot het aan vreemdelingen verschaffen van toegang tot en verblijf in Nederland tegen betaling van grote geldbedragen en het witwassen van die geldbedragen.
(…).
Naar het oordeel van het hof was er – gelet op het voorgaande – sprake van een samenwerkingsverband tussen betrokkene, [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , dat meerdere jaren actief is geweest, en tot doel had het aan vreemdelingen verschaffen van toegang tot en verblijf in Nederland tegen betaling van grote geldbedragen en het witwassen van die geldbedragen. Gelet op de rolverdeling ziet het hof aanleiding het wederrechtelijk verkregen voordeel als uitgangspunt te verdelen over vier personen.
Evenwel is het hof van oordeel dat van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel aan betrokkene persoonlijk het bedrag dient te worden toegerekend dat zij in de periode van 1 januari 2006 tot 1 mei 2010 tijdens haar casinobezoeken heeft uitgegeven. Hiertoe overweegt het hof het volgende.
Betrokkene heeft in de genoemde periode in totaal 371 bezoeken gebracht aan het Holland Casino in Scheveningen en Rotterdam. Met haar zijn door medewerkers van het Holland Casino twee keer gesprekken gevoerd over een eventuele gokverslaving. In deze gesprekken heeft zij aangegeven per bezoek € 100,- aan contant geld mee te nemen en niet te pinnen. In het op 14 april 2010 gehouden verhoor heeft betrokkene aangegeven per avond € 100,- tot € 200,- uit te geven. Op grond van de omstandigheid dat betrokkene er in de gesprekken met medewerkers van het Holland Casino belang bij had haar uitgaven te bagatelliseren, gaat het hof ervan uit dat betrokkene tijdens deze bezoeken aan het casino gemiddeld € 150,- per avond, heeft uitgegeven. Dit bedrag maal 371 bezoeken levert aan totale uitgaven in het casino door de betrokkene een bedrag van € 55.650,- op. In het dossier bevindt zich géén informatie ter zake van de door Holland Casino aan betrokkene al dan niet uitgekeerde winsten.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Gelet op het bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat als volgt vast.
Van betrokkene wordt een bedrag van € 55.650,00 plus een vierde deel van het resterende totale wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen, zijnde een bedrag van € 24.837,50 ((€ 155.000 – € 55.650,00) / 4). Het hof stelt daarmee het bedrag, waarop het totale wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 80.487,50 (€ 55.650,00 + € 24.837,50).
Vaststelling van de betalingsverplichting
Het hof zal tevens de betrokkene de verplichting opleggen het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat aan de Staat te betalen.
Draagkracht
Namens de betrokkene is ter terechtzitting in hoger beroep het verzoek gedaan de betalingsverplichting op nihil te stellen in verband met haar geringe draagkracht. Dit verweer wordt verworpen, omdat de betrokkene onvoldoende aannemelijk en inzichtelijk heeft gemaakt dat haar huidige en redelijkerwijs te verwachten toekomstige financiële vermogen en draagkracht ontoereikend zijn om (een deel van) het te betalen bedrag te voldoen.
Redelijke termijn
Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat de behandeling van de onderhavige zaak in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld is in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Het hof zal deze omstandigheid verdisconteren in de hoogte van de op te leggen verplichting tot betaling aan de Staat, in die zin dat het hof daarop een bedrag van € 4.487,50 in mindering zal brengen.
Het hof zal de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van een bedrag van € 76.000,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.”

Het eerste middel

10. Het eerste middel komt op tegen (de motivering van) de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
11. Volgens de steller van het middel is het rechtens onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd dat het hof de inleg bij casinobezoeken “
als extra voordeel naast” (en “
niet als onderdeel van”) de voordeelsontneming die in direct verband staat met de door de verdachte en anderen begane misdrijven, betrekt bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De bespreking van het eerste middel

12. De hierboven aangehaalde bewijsmotivering wijst uit dat het hof heeft besloten om af te wijken van het “
uitgangspunt” dat het wederrechtelijk verkregen voordeel (pondspondsgewijs) wordt verdeeld over vier personen, te weten de betrokkene en de drie mededaders van de in de strafzaak bewezen verklaarde feiten. Daartoe heeft het hof nadrukkelijk stilgestaan bij het bedrag dat de betrokkene zou hebben uitgegeven bij haar casinobezoeken.
13. Anders dan de steller van het middel naar voren brengt, heeft het hof de uitgaven in het casino niet betrokken bij de
vaststellingvan het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat voordeel is immers uitsluitend berekend op basis van de opbrengsten van de concreet door de betrokkene en anderen begane misdrijven, en vastgesteld op een totaalbedrag van € 155.000,-. De uitgaven in het casino heeft het hof slechts in aanmerking genomen bij het
bepalen van de verdeelsleuteldie het hof op dit bedrag van € 155.000,- heeft toegepast. Het middel, dat tot uitgangpunt neemt dat het hof de casino-uitgaven als wederrechtelijk voordeel heeft aangemerkt, [3] berust dus op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en faalt om die reden.
14. Het eerste middel faalt.

Het tweede middel

15. Het tweede middel keert zich tegen de motivering van de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de draagkracht van de betrokkene. Het betoog van de raadsman ter zitting in hoger beroep, hiervoor weergegeven onder randnummer 7, zou niet anders kunnen worden opgevat dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. In strijd met de tweede volzin van lid 2 van artikel 359 Sv Pro (dat ook op de behandeling van het hoger beroep van ontnemingszaken van toepassing is) heeft het hof niet in het bijzonder de redenen opgegeven die hebben geleid tot een beslissing die afwijkt van dat standpunt, althans is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
Het beoordelingskader voor het tweede middel: de matigingsbevoegdheid van artikel 36e lid 5 Sr
16. Artikel 36e lid 5 Sr brengt tot uitdrukking dat de rechter de betalingsverplichting ‘kan’ matigen. Uitgangspunt is daarom dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt, is voorbehouden om te beslissen of hij toepassing geeft aan die bevoegdheid en dat de rechter die keuze niet hoeft te motiveren. [4]
17. Op verzoek van de betrokkene, op vordering van de officier van justitie of ambtshalve kan de rechter bij de vaststelling van de betalingsverplichting in aanmerking nemen dat de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de betrokkene niet toereikend zullen zijn om het te betalen bedrag te voldoen. Ook op grond van andere omstandigheden dan die verband houden met de draagkracht van de betrokkene kan de rechter toepassing geven aan de in artikel 36e lid 5 Sr neergelegde bevoegdheid om het te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte voordeel. [5]
18. De draagkracht van de betrokkene komt in beginsel aan de orde in de executiefase. De reden daarvoor is dat de rechter in de ontnemingsprocedure doorgaans niet met zekerheid zal kunnen vaststellen hoe de draagkracht van de betrokkene zich in de executiefase zal ontwikkelen, en dat de mogelijkheid om aan de opgelegde betalingsverplichting te voldoen zich in die fase beter laat beoordelen. De betrokkene kan tijdens de executiefase aan de in artikel 6:6:26 Sv Pro bedoelde rechter het verzoek doen het vastgestelde bedrag van de betalingsverplichting te verminderen of kwijt te schelden, waarbij dat verzoek in relatie tot de draagkracht mede mag worden gebaseerd op feiten en omstandigheden die de ontnemingsrechter al bekend waren. [6] Daarbij is nog van belang dat de regeling van artikel 6:6:25 Sv Pro ertoe strekt dat in de executiefase geen gijzeling zal worden toegepast als de betrokkene aannemelijk maakt dat hij niet in staat is aan de betalingsverplichting te voldoen.
19. In de ontnemingsprocedure bestaat alleen grond voor matiging van de betalingsverplichting als aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. [7] Het gaat dan om het geval waarin de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat de betrokkene op het moment van de ontnemingsprocedure geen draagkracht heeft en dat het zeer waarschijnlijk is dat daarin in de toekomst geen verandering zal komen.
20. Indien de ontnemingsrechter in afwijking van een daarover ingenomen uitdrukkelijk – en zo nodig door de betrokkene aan de hand van verifieerbare gegevens – onderbouwd standpunt bij de vaststelling van het te betalen bedrag géén rekening houdt met de draagkracht van de betrokkene, is hij op grond van artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv in verbinding met artikel 511e Sv gehouden in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. [8]

De bespreking van het tweede middel

21. Namens de betrokkene is aangevoerd dat de betrokkene op dit moment beperkte inkomsten heeft en dat, gelet op haar leeftijd, niet valt te verwachten dat dit in de toekomst anders zal zijn. De verdediging heeft aan de hand van een overzicht dat door een van haar kinderen is opgesteld, geprobeerd de financiële positie van de betrokkene te schetsen, teneinde inzichtelijk te maken of de betrokkene, naast haar vaste inkomsten, over huidige of toekomstige andere vermogensbestanddelen beschikt waarmee de betalingsverplichting kan worden nagekomen. Dat overzicht, aangevuld met enkele opmerkingen als “
Bezittingen en spaargeld: Mijn moeder heeft geen van beide. Ze heeft geen spaargeld. Ze heeft geen bezittingen in NL of in Suriname.”is niet verder voorzien van objectieve stukken als inventarislijsten of rekeningafschriften. Het hof heeft in zijn arrest het draagkrachtverweer gemotiveerd verworpen.
22. ’ ’s Hofs oordeel dat de betrokkene onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat haar huidige en redelijkerwijs te verwachten toekomstige financiële vermogen en draagkracht ontoereikend zijn om het te betalen bedrag (dan wel een deel daarvan) te voldoen, acht ik bij die stand van zaken niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.
23. Het tweede middel faalt.

Slotsom

24. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro te ontlenen overweging.
25. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat in cassatie de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, is overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting.
26. Ik heb ambtshalve geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting tot vermindering van het bedrag naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Rolnummer 18/03185 P.
2.HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1885,
3.Het middel richt zich (blijkens de bewoordingen ervan en de toelichting erop)
4.HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:376,
5.HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:376,
6.HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:376,
7.HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:376,
8.HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:376,