ECLI:NL:PHR:2024:344

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
25 maart 2024
Zaaknummer
22/00462
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 331 lid 1 SvArt. 328 SvArt. 281 lid 1 SvArt. 511g lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing aanhoudingsverzoek in ontnemingszaak wegens onvoldoende onderbouwing legaal vermogen

De betrokkene is in eerste aanleg en hoger beroep veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 70.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel, vastgesteld op € 72.727,12, in verband met een ontnemingszaak. Hij stelde dat hij legaal contant geld had ontvangen uit de verkoop van een hotel in Indonesië, maar kon dit niet met bewijsstukken onderbouwen.

De betrokkene verklaarde dat hij in Indonesië een hotel had geëxploiteerd en in 2009 verkocht, waarbij hij meer dan € 90.000 contant geld had ontvangen en meegenomen naar Nederland. Hij kon echter geen verkoopstukken overleggen omdat zijn paspoort was ingenomen, waardoor hij niet naar Indonesië kon reizen om de documenten op te halen. De verdediging verzocht om aanhouding van de zaak om alsnog bewijs te kunnen verzamelen.

Het hof wees dit verzoek af omdat de verdediging sinds 2018 geen concrete en verifieerbare bewijsstukken had overgelegd, ondanks meerdere kansen. Het hof vond het verzoek onvoldoende onderbouwd en zag geen reden om de verdediging verder tegemoet te komen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit oordeel begrijpelijk en voldoende gemotiveerd had gegeven.

Daarnaast merkte de Hoge Raad ambtshalve op dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, wat leidt tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting. Het cassatieberoep faalt verder en wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de betalingsverplichting verminderd wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00462 P

Zitting26 maart 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de betrokkene.

Inleiding

1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 8 februari 2022 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 72.727,12 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van het bedrag van € 70.000,00 aan de staat.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. E. van Reydt, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel klaagt over de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting om de gelegenheid te krijgen de legale contante inkomsten uit de verkoop van Indonesisch onroerend goed nader te onderbouwen.

De procesgang

4. In de strafzaak is de betrokkene bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Den Haag van 6 juli 2018 veroordeeld wegens – kort gezegd – ‘mensenhandel’, zulks tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden. In de ontnemingszaak is het wederrechtelijk verkregen voordeel zowel in eerste aanleg als in hoger beroep berekend met behulp van een zogeheten ‘eenvoudige kasopstelling’ over de periode van 1 januari 2011 tot en met 3 november 2014. In weerwil van de stelling van de betrokkene dat hij in 2009 meer dan € 90.000,- aan contant geld heeft ontvangen uit de verkoop van een hotel in Indonesië, is in die kasopstelling onder de post ‘beginsaldo contant geld’ géén bedrag aan contant geld opgenomen, en staat onder de post ‘legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen’ een bedrag van slechts € 180,- vermeld.
5. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 januari 2022 blijkt dat de betrokkene omtrent een hotel in Indonesië – onder meer – het volgende heeft verklaard:

De hoogte van het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel is niet reëel. Ik had mijn eigen geld van de verkoop van het hotel. Dat geld heb ik meegenomen naar Nederland. Mijn vrouw had ook geld van het hotel en eigen inkomsten. Met dat geld hebben we een hoop betaald.
(…).
Bewijsstukken van de verkoop van het hotel heb ik niet. Ik wilde de verkoopstukken ophalen in Indonesië, maar mijn paspoort was ingenomen. Ik heb contact gehad met de notaris, maar ik kon de stukken alleen persoonlijk ophalen. Het hotel stond in Jakarta en had 15 kamers. Ik heb het aangekocht in 2002. Er zijn wel bewijsstukken van het hotel in Indonesië bij mijn ex-vrouw.
(…).
Als ik ooit weer naar Indonesië kan reizen, dan kan ik alles laten zien. Ik heb zelfs een brief van de douane dat ik geld bij mij had toen ik naar Nederland kwam. U houdt mij voor dat bezittingen en dus ook dat geldbedrag moeten worden opgeven bij de belastingdienst. Dat wist ik toen niet.
(…).
De opbrengst van het hotel was meer dan € 90.000. Mijn zoon woont in Indonesië. Hij kon de bewijsstukken niet ophalen. Hij kreeg de stukken niet. Het hotel is in 2009 verkocht. De notaris is inmiddels overleden. Als het goed is, liggen de stukken daar nog, maar alleen ik kan de stukken ophalen. Ik heb € 90.000 meegenomen naar Nederland. Dat geld heb ik in een kluis bewaard. Ik had geen bankrekening toen ik terugkwam in Nederland. Naderhand had ik wel een bankrekening. Toen ik terugkwam in Nederland wilde ik naar de bank, maar die was failliet of iets dergelijks en mijn bankrekening bestond niet meer. Daarom had ik het geld thuis. In Indonesië heb je ook alles thuis.
Ik had 80% betaald van het hotel. Toen ben ik teruggekomen naar Nederland en werd het verkocht. De rest is afbetaald. De verkoop gaat via een tussenpersoon. De tussenpersoon krijgt 5% commissie als hij een koper voor het hotel heeft. Het hotel is aan een stel verkocht. Ik weet de namen van het stel niet meer. Het is al 13 jaren geleden. U vraagt mij naar het adres van het hotel. De naam van het hotel is Hotel Rama. Het had 14 kamers en een restaurant. U houdt mij voor dat ik zojuist verklaarde dat het hotel 15 kamers had. Ik weet niet meer precies of het 14 of 15 kamer waren. Ik heb het hotel acht of negen jaren gehad. Ik kreeg het geldbedrag van de kopers bij de notaris. Ik kreeg het geldbedrag in euro's. Grote aankopen worden betaald in dollars en euro's. Het meeste wordt gekocht door Chinezen.
(…).
U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat de bewijsstukken van de verkoop van het hotel op het kantoor van de notaris liggen, maar dat ik ook heb verklaard dat de stukken bij mijn ex-vrouw liggen. Dat klopt niet. Dat heb ik niet gezegd. U vraagt mij wat ik heb ondernomen om de bewijsstukken te verkrijgen. Ik heb contact gehad met de notaris. Hij zegt dat ik het in Indonesië moet ophalen, omdat ik een Nederlands paspoort heb. Inmiddels ben ik gescheiden van mijn vrouw en dat maakt het nu nog moeilijker, omdat een buitenlander geen bezittingen meer mag hebben. De notaris is al overleden, maar het kantoor bestaat nog wel. Hopelijk liggen de stukken daar nog. Als ik ooit naar Indonesië kan gaan, dan hoop ik die stukken te krijgen. Ik kon niet gaan, want mijn paspoort ligt nog hier.
(…).
Ik kwam met het vliegtuig terug uit Indonesië met het geld. Ik weet niet meer op welk vliegveld ik ben geland, ik denk Amsterdam of Brussel. Het geld had ik bij mij in zo'n tasje dat je om je nek hangt. Er zaten biljetten in van € 100 en € 500 en een aantal van € 50. Ik kon gewoon door de poortjes lopen met dat tasje om mijn nek. U vraagt mij hoe groot dat tasje was. Het was een of ander merktasje. Ik weet niet meer precies wanneer ik ben teruggekomen. Het was in 2012. U houdt mij voor dat de werkzaamheden van de vrouwen zouden zijn gestart in 2011. Dat heeft iemand verklaard, maar dat klopt niet. Ik ben in 2012 teruggekomen.
6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 januari 2022 blijkt dat de verdediging – voor zover relevant voor de beoordeling van het middel – het volgende naar voren heeft gebracht:

De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities.
In aanvulling op de pleitnotities deelt de raadsman mede:
(…)
Onder 11
Ter terechtzitting is ten onrechte doorgevraagd over de verkoop van het hotel. Het is moeilijk om de bewijsstukken te verkrijgen. Ik ben er ook achteraan gegaan. Op het moment dat ik daarvan iets had gekregen, had ik het ingebracht. Een complicerende factor is dat cliënt zijn paspoort niet heeft. Kennelijk moet cliënt in persoon naar Indonesië om de stukken op te halen. De overheid heeft zijn paspoort afgenomen in het kader van een strafzaak. Dan mag niet nu als eis worden gesteld dat cliënt stukken aanlevert die hij zelf in Indonesië moet ophalen. Als uw hof de € 90.000 niet meeneemt in de kasopstelling, dan verzoek ik uw hof de zaak aan te houden en cliënt in de gelegenheid te stellen af te reizen naar Indonesië. In de strafzaak zou ik een verzoek tot wijziging van de schorsingsvoorwaarden kunnen indienen.
7. Het hof heeft het verzoek in het bestreden arrest als volgt verworpen:

Het voorwaardelijk verzoek van de raadsman om de zaak aan te houden, zodat de betrokkene naar Indonesië zou kunnen reizen om de stukken met betrekking tot de verkoop van het hotel te verkrijgen, wijst het hof af. Al op 30 november 2018 heeft de verdediging om een nadere termijn verzocht om dezelfde reden. Hoewel dat wel op haar weg had gelegen, heeft de verdediging in de afgelopen drie jaren geen enkele onderbouwing verschaft en geen nadere, concrete en verifieerbare feitelijke gegevens over het hotel en de verkoop daarvan kunnen verstrekken. Daarnaar gevraagd ter terechtzitting heeft de betrokkene na enig nadenken weliswaar nog wel een adres in Jogjakarta genoemd, maar op verdere vragen naar het hotel, de identiteit van de kopers, het verloop van de transactie en de precieze koopprijs heeft hij geen, althans slechts zeer vage antwoorden kunnen geven. Het hof acht het verzoek dan ook onvoldoende onderbouwd en ziet ook overigens geen enkele reden om de verdediging nog verder tegemoet te komen.

De beoordeling van het middel

8. Namens de betrokkene is verzocht om aanhouding van de behandeling van de ontnemingszaak in hoger beroep teneinde in de gelegenheid te worden gesteld stukken over te leggen. In cassatie is niet in debat of het hof bij de afwijzing van dit verzoek de juiste maatstaf heeft aangelegd. [1] Wel stelt het middel de begrijpelijkheid en de motivering van deze afwijzing ter discussie.
9. In de hiervoor onder 7 weergegeven motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het verzoek van de verdediging onvoldoende is onderbouwd en dat het overigens geen reden ziet om de verdediging nog verder tegemoet te komen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdediging reeds in 2018 om dezelfde reden om een nadere termijn heeft verzocht, maar dat de verdediging sindsdien geen enkele onderbouwing heeft verschaft. Voor zover deze – in cassatie onweersproken – redengeving al niet toereikend is voor de onderbouwing van de afwijzende beslissing op het aanhoudingsverzoek, bespreek ik de twee argumenten waarmee de steller van het middel de motivering van die beslissing aanvecht.
10. In de toelichting op het middel wordt allereerst geklaagd over het oordeel dat de betrokkene (in de woorden van het hof) “
op verdere vragen naar het hotel, de identiteit van de kopers, het verloop van de transactie en de precieze koopprijs (…) geen, althans slechts zeer vage antwoorden [heeft] kunnen geven” onbegrijpelijk is, omdat de betrokkene (in de woorden van de steller van het middel) “
details [heeft] gegeven over o.a. het moment waarop het hotel is verkocht, het door hem verkregen, naar Nederland meegenomen deel van de verkoopopbrengst (EUR 90.000,-) en het adres en de naam van hotel.
11. Anders dan de steller van het middel acht ik de gewraakte overweging niet onbegrijpelijk. Ik zal uitleggen waarom. De betrokkene stelt in Indonesië acht à negen jaar een hotel te hebben geëxploiteerd en dit hotel in 2009 te hebben verkocht. In de ontnemingsprocedure heeft de betrokkene enkele jaren de tijd gehad om deze stelling nader te onderbouwen. Onder die omstandigheden mag van de betrokkene worden verlangd dat hij in staat is omtrent de exploitatie en de overdracht van het hotel méér verifieerbare details naar voren te brengen dan het gestelde jaartal van verkoop, de gestelde omvang van het naar Nederland meegenomen geldbedrag en de gestelde naam van het hotel. Aan het ontbreken van verifieerbare details heeft het hof – voor wat betreft het verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak – m.i. consequenties mogen verbinden.
12. Ten tweede betoogt de steller van het middel dat de betrokkene door het hof gehouden wordt om ‘het onmogelijke’ te verrichten door van hem ‘concrete en verifieerbare feitelijke gegevens’ te verlangen in aanvulling op de door hemzelf en zijn zus afgelegde verklaringen over de verkoopopbrengst van het hotel. Aanvullende stukken kunnen alleen worden verkregen als de betrokkene in persoon naar Indonesië afreist. Dat wordt hem echter onmogelijk gemaakt doordat Justitie het paspoort van de betrokkene heeft ingenomen, aldus de klacht. Hierover het volgende.
13. In het licht van de in ontnemingsprocedures geldende ‘eerlijke en billijke verdeling van de bewijslast’ ligt het op de weg van de betrokkene om bewijs aan te dragen voor zijn stelling dat hij – in afwijking van hetgeen valt te ontlenen aan Nederlandse overheidsregistraties – in het buitenland legaal contante geldbedragen heeft ontvangen die in een eenvoudige kasopstelling moeten worden verwerkt. Het hof heeft vastgesteld dat de betrokkene zijn stelling dat hij in Indonesië een hotel heeft geëxploiteerd en verkocht – ondanks dat hij daartoe gedurende enkele jaren de gelegenheid heeft gehad – niet heeft gestaafd met iets anders dan de verklaring van zijn zus. Aan het verweer dat het voor de betrokkene thans onmogelijk is om documenten op te halen bij het Indonesische notariskantoor dat de verkoop van het hotel zou hebben begeleid, kon het hof voorbijgaan omdat het hof de betrokkene in zijn mogelijkheden om bewijsmateriaal te verzamelen niet heeft beperkt tot dit notariskantoor. Het oordeel van het hof dat de betrokkene niet andermaal in de gelegenheid wordt gesteld om bewijs te produceren, acht ik bij die stand van zaken niet onbegrijpelijk.
14. Het middel faalt.

Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie

15. Ambtshalve merk ik op dat namens de betrokkene cassatie is ingesteld op 11 februari 2022. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 70.000,00.

Slotsom

16. Het middel faalt en kan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
17. Behoudens hetgeen ik onder 15 heb opgemerkt, heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Dit aanhoudingsverzoek betreft een verzoek in de zin van artikel 331 lid 1 Sv Pro jo artikel 328 Sv Pro om toepassing te geven aan artikel 281 lid 1 Sv Pro (dat luidt: “