ECLI:NL:PHR:2024:349

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 april 2024
Publicatiedatum
27 maart 2024
Zaaknummer
22/01961
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 lid 1 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 2:19 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen valsheid in geschrift bij gefingeerde WW-aanvragen

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een taakstraf wegens medeplegen van valsheid in geschrift, omdat hij WW-aanvragen invulde waarin valse dienstverbanden werden vermeld. Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van betrokkenen, onderzoek van het UWV en de FIOD, en administratieve gegevens van de Kamer van Koophandel en Belastingdienst.

De verdachte stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat hij opzet en het oogmerk had om de valse aanvragen als echt te gebruiken. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de verdachte door zijn eerdere functies en betrokkenheid bij de betreffende BV's op de hoogte was van de gefingeerde dienstverbanden. De bewijsmiddelen toonden aan dat de BV geen activiteiten had en dat de dienstverbanden en loonaangiften met terugwerkende kracht waren geregistreerd.

De Hoge Raad concludeerde dat het hof voldoende en begrijpelijk had gemotiveerd dat de verdachte wist dat de WW-aanvragen vals waren en dat hij het oogmerk had deze als echt te gebruiken. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen van valsheid in geschrift blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/01961

Zitting2 april 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 18 mei 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens onder 1 "medeplegen van valsheid in geschrift” en onder 2 “medeplegen van valsheid in geschrift", veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.D. Rijnsburger, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
3.
Het middel
4. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bewijsmiddelen niet het noodzakelijke opzet (en het bijkomende oogmerk) kan worden afgeleid, althans dat de daarvoor aangedragen motivering onbegrijpelijk is.
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“Ten aanzien van feit 1.
op 9 januari 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, de Aanvraag WW d.d. 9 januari 2017 op naam van [betrokkene 1] , zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk valselijk heeft opgemaakt, bestaande die valsheid hierin dat hij, verdachte, en (één of meer van) zijn medeverdachte(n) toen aldaar valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op de Aanvraag voornoemd bij ‘Naam laatste werkgever' ‘ [A] B.V.’ hebben vermeld en bij ‘Aanvang dienstverband (volgens klant)’ ‘01-01-2016’, terwijl [betrokkene 1] in werkelijkheid in 2016 geen werkzaamheden heeft verricht bij [A] B.V., zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken;
Ten aanzien van feit 2.
op 20 januari 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, de Aanvraag WW d.d. 20 januari 2017 op naam van [betrokkene 2] , zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk valselijk heeft opgemaakt, bestaande die valsheid hierin dat hij, verdachte, en (één of meer van) zijn medeverdachte(n) toen aldaar valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op de Aanvraag voornoemd bij ‘Overzicht overige werkgevers’ ‘ [A] B.V.’ ‘01-01-2016’ hebben vermeld en bij ‘Alle gegevens juist ingevuld?’ ‘Ja’ hebben vermeld, terwijl [betrokkene 2] in werkelijkheid in 2016 geen werkzaamheden heeft verricht bij [A] B.V., zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken.”
6. Het hof heeft het vonnis bevestigd onder overname van gronden, met aanvulling van de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen.
7. De bewezenverklaring steunt op de volgende door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen:

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte op 15 maart 2019 door [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , themaonderzoekers UWV, pagina’s 372 tot en met 374, voor zover inhoudende:
(…)
V: Wat is uw relatie met [B ] ?
A: Daar ben ik een tijdje directeur geweest. Ik heb daar maximaal 1 persoon in dienst gehad. Dit is [betrokkene 2] . Voor ongeveer 1 maand, anderhalve maand. (...)
V: Heeft u na het dienstverband nog contact gehad met [betrokkene 2] ?
A: Ja, we speken elkaar nog af en toe. Ik respecteer hem. Ik heb hem geholpen met de WW-aanvraag, met de bezwaren bij UWV en inkomstenaangifte Belastingdienst. (...)
O: U vertelde net dat u [betrokkene 2] heeft geholpen met de WW-aanvraag.
V: Hoe heeft u dit gedaan?
A: Hij kwam bij mij in [plaats] op de [a-straat] . We hebben samen achter de computer gezeten. Hij nam zijn DIGID gegevens mee. Hij vroeg mij om hulp. We hebben ook voor zijn vrouw WW-aanvraag ingediend. (...)
O: U vertelde net dat u ook heeft geholpen bij de WW-aanvraag van zijn vrouw.
A: Hij belde me op of ik hem wilde helpen. Hij nam haar DIGID gegevens mee. Ik weet niet waar zij heeft gewerkt. (...)
O: Ik toon u de WW-aanvraag van [betrokkene 2] .
A: Ik heb de WW-aanvraag voor [betrokkene 2] en [betrokkene 1] ingevuld. Ik heb de aanvraag zoals die is voorgetoond door UWV samen met [betrokkene 2] ingediend. U laat mij nu zien dat er bij [betrokkene 2] als werkgever staat vermeld [A] B.V. Ik heb de aanvraag samen met [betrokkene 2] ingediend. Ik weet niet wie dit dienstverband heeft aangemeld. (...) Ik heb de aanvraag ingediend met de gegevens aangeleverd van UWV. (...)
V: Wat kunt u vertellen over het bedrijf [A] B.V.?
A: Ik ken [betrokkene 10] . [betrokkene 10] heeft dit bedrijf overgenomen van [betrokkene 7] . Ik ken deze personen beide. Ik heb [betrokkene 10] tot een bepaalde tijd geholpen met [A] B.V. In de stukken die ik heb gezonden aan [betrokkene 5] kunt u precies zien welke werkzaamheden ik heb gedaan voor [A] B.V. voor [betrokkene 10] en [betrokkene 6] . Ik was bij [A] betrokken als financieel adviseur. Eerst bij [betrokkene 7] en daarna bij [betrokkene 10] . Ik weet niet precies tot wanneer ik betrokken ben geweest als financieel adviseur. Ik weet niet hoeveel personeel [A] had. [A] was volgens mij een uitzendbureau.
V: Deed u de loonaangiftes voor [A] B.V.?
A: Ja, zie de documenten bij [betrokkene 5] . In de periode dat ik betrokken ben geweest bij [A] waren er volgens mij weinig activiteiten. Bij de loonbelasting staat 0. Daarom neem ik aan dat er geen personeel is geweest. (...)
Het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 2] op 6 februari 2019 door [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , themaonderzoekers UWV, pagina’s 360 en 362, voor zover inhoudende:
V:.Wie heeft de WW-uitkering aangevraagd op uw naam en BSN?
A: Weet ik niet. Ik denk dat [verdachte] het voor mij heeft aangevraagd. [betrokkene 9] in ieder geval niet.
V: Weet u wel dat als u geen werk heeft, u recht heeft op een WW-uitkering?
A: Ja, maar ik kan niet meer redeneren hoe dat toen is gegaan.
V: Heeft u het geld ontvangen van de WW-uitkering?
A: Ja. (...) Ik betaal nu wel terug aan de WW. Het is niet veel, maar ik betaal wel.
V: Wie heeft de opdracht gegeven tot aanvraag WW-uitkering?
A: Ik denk [verdachte] . (...)
V: Heeft u DIGI-D inloggegevens dan aan [verdachte] gegeven?
A: Ja. Dat zou wel moeten. Hoe kan het anders. (...)
O: Op naam van uw vrouw is een WW-uitkering aangevraagd vanuit een dienstverband bij [A] B.V.
V: Wie heeft deze aanvraag ingediend en opgestuurd?
A: [verdachte] .
V: Was uw vrouw op de hoogte van deze WW-aanvraag en was zij aanwezig bij het in orde maken van de WW-aanvraag?
A: Ja zij was daarvan op de hoogte. Zij was volgens mij niet aanwezig bij het in orde maken van de aanvraag.
Het proces-verbaal van [betrokkene 3] , themaonderzoeker in dienst bij het UWV, pagina’s 4 tot en met 10, voor zover inhoudende:
(...)
Verdachte 1, [betrokkene 1]
Naar aanleiding van de melding is bestuursrechtelijk onderzoek verricht. Hieruit is het volgende gebleken:
In suwinet staat op naam van verdachte een dienstverband geregistreerd bij [A] B.V. over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016. De verdachte heeft over de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 maart 2017 een WW-uitkering ontvangen. (...)
Op 9 januari 2017 is bij UWV een digitale WW-aanvraag, op naam en BSN van verdachte, [betrokkene 1] , ingediend. Op de WW-aanvraag staat het volgende:
De vermoedelijke eerste WW-dag is 1 januari 2017. De laatste werkgever was [A] B.V., het dienstverband is aangevangen op 1 januari 2016.
Het SV-loon bedraagt € 2.000,- per maand. Op de aanvraag is aangegeven dat de loongegevens correct zijn.
Als reden van einde dienstverband is aangegeven dat het tijdelijk contract/uitzendbaan stopt.
Er is aangegeven dat het gemiddeld aantal arbeidsuren 40 is, van maandag tot en met vrijdag.
De verdachte geeft aan alleenstaand te zijn.
Op de WW-aanvraag wordt aangegeven dat de gegevens juist zijn ingevuld. (...)
In PWS is de volgende informatie aangetroffen:
Er zijn gedurende 2016 twee werknemers via [A] B.V. met loonheffingsnummer [nummer 1] aangemeld met een dienstverband. Dit betreft de verdachte 1, [betrokkene 1] , en haar partner, [betrokkene 2] . Voor beide personen is een dienstverband aangemeld over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016. Beide dienstverbanden en alle (maandelijkse) loonaangiften over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 zijn op 6 januari 2017 geregistreerd.
Voor de verdachte is iedere maand een SV-loon geregistreerd van € 2.000,-, 20 SV-dagen en 160 vertoonde uren.
Verdachte 2, [betrokkene 2] .
Uit bovenstaande informatie uit PWS in het onderzoek naar [betrokkene 1] is gebleken dat voor haar partner [betrokkene 2] , bij dezelfde werkgever en over dezelfde periode een dienstverband is geregistreerd. Uit dit onderzoek is het volgende gebleken:
Op basis van een dienstverband bij werkgever [A] B.V., is op naam van [betrokkene 2] een WW-uitkering aangevraagd.
[betrokkene 2] had geen zichtbaar arbeidsverleden en er was een relatief hoog salaris geregisterd, namelijk € 4.000,-.
In november 2016 zijn twee fulltime dienstverbanden geregistreerd op naam van [betrokkene 2] , namelijk bij [A] B.V. en [B ] B.V. Er is besloten om het dienstverband bij [B ] B.V. buiten beschouwing te laten.
Op naam en BSN van verdachte [betrokkene 2] is een WW-aanvraag gedateerd 20 januari 2017 ingediend. Op de aanvraag staat het volgende:
De vermoedelijke eerste WW-dag is 16 januari 2017.
[e-mailadres] is als e-mailadres vermeld.
De vorige werkgever is [A] B.V. met een maandelijks SV-loon van € 4.000,-.
Het dienstverband van [A] B.V. is over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016. Op de aanvraag is aangegeven dat de loongegevens kloppen.
Als reden van het einde van de dienstbetrekking is aangegeven dat het tijdelijk contract/uitzendbaan stopt.
Over de week van 9 tot en met 15 januari 2017 wordt een regelmatig arbeidspatroon aangegeven 8 uur per dag van maandag tot en met vrijdag.
(…)
Door middel van de toekenningsbeslissing van 9 februari 2017 wordt aan verdachte 2, medegedeeld dat aan hem met ingang van 16 januari 2017 een WW-uitkering is toegekend.
(...)

[A] B.V.

Kamer van Koophandel
Uit informatie van de kamer van koophandel is het volgende gebleken ten aanzien van [A] B.V.
[A] B.V. met KvK-nummer [nummer 2] is op 3 januari 2017 uitgeschreven uit het handelsregister. De themaonderzoeker merkt op dat het opvallend is dat de alle loonaangiften zijn gedaan op 6 januari 2017, terwijl de uitschrijving bij de KvK op 3 januari 2017 heeft plaatsgevonden
[A] BV. is een uitzendbureau en is op 30 december 2016 ontbonden. Er was 1 persoon werkzaam.
De enig aandeelhouder en bestuurder is [C] B.V. gevestigd op de [b-straat 1] te [plaats] .
[A] B.V. was ook gevestigd op de [b-straat 1] te [plaats] . (...)

Informatie Belastingdienst

Uit informatie van de Belastingdienst te Breda is het volgende gebleken omtrent [A] B.V. en [C] B.V. In 2015 was bekend dat aangiften voor [A] B.V. zijn gedaan door boekhouder [verdachte] . Over 2016 is dit onbekend. Er was in 2016 voor [A] B.V. sprake van een totale omzet van € 80.350,-. (...)
In het kader van een onderzoek naar de administratie van [A] B.V. heeft de themaonderzoeker van UWV op 28 februari 2018 telefonisch contact gehad met [betrokkene 10] . [betrokkene 10] vertelde tijdens het telefoongesprek het volgende:
• Hij was in 2016 slechts op papier eigenaar.
• Daarom heeft hij niets met de onderneming gedaan en ook geen personeel aangenomen.
• Hij kan geen informatie geven, omdat hijzelf geen handelingen heeft verricht met [A] B.V. • Hij heeft het telefoonnummer van [verdachte] . [verdachte] is in het verleden boekhouder geweest van [A] B.V.
(...)

Vermoeden van fingeren dienstverband

Er zijn volgens PWS in 2016 slechts 2 dienstverbanden aangemeld via [A] B.V.. Dit zijn de dienstverbanden van verdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Hun dienstverbanden lopen beide exact van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016. De dienstenverbanden en alle loonaangiften zijn met terugwerkende kracht geregistreerd op 6 januari 2017. [A] B.V. is echter op 3 januari 2017 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Uit informatie van de Belastingdienst blijkt dat er slechts 1 actieve bankrekening was in 2016, die was gekoppeld aan [A] B.V. of [C] B.V. De overige bankrekeningen waren voor 2016 beëindigd. De actieve bankrekening was slechts tot augustus 2016 actief en daarop zijn geen loonbetalingen zichtbaar. De 'werkgever', [betrokkene 10] verklaarde in ieder geval geen activiteiten in of via [A] B.V. te hebben verricht of daartoe opdracht te hebben gegeven.
Uit strafrechtelijk onderzoek van de FIOD is gebleken dat [A] B.V. geen activiteiten had in 2016. [A] B.V. was een slapende B.V. De boekhouder [verdachte] (…) heeft verklaard dat [A] B.V. een slapende B.V. was en er geen activiteiten waren.
Specifiek voor verdachte 1, [betrokkene 1]
Het salaris bedraagt € 2.000,- bruto per maand en er zouden 160 uur per week gewerkt zijn. Het salaris is relatief hoog in vergelijking met haar eigen verklaring dat zij schoonmaakwerkzaamheden heeft gedaan.
Specifiek voor verdachte 2, [betrokkene 2]
Op de WW-aanvraag wordt als eerste werkloosheidsdag 20 januari 2017 vermeld. Het dienstverband bij [B ] betrof slechts de eerste 2 weken van november 2016. [A] B.V. is per 3 januari 2017 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. In de maand november zou verdachte 264 uur hebben gewerkt, te weten 104 uur bij [B ] B.V. en 160 uur bij [A] B.V.
Verdachte heeft verklaard dat zijn werkzaamheden voornamelijk bestonden uit persoonlijke chauffeursdiensten voor iemand genaamd [verdachte] .
Het salaris is dermate hoog, dat sprake is van een maximum dagloon voor de WW-uitkering. Verdachte heeft geen arbeidsovereenkomst, salarisstroken of andere documenten betreffende zijn dienstverband. (...) Uit geen enkele gegevens blijkt dat er salarisbetalingen zijn verricht, verdachte kan zelf ook niet aantonen dat hij wel salaris heeft ontvangen. Uit bestuursrechtelijke onderzoeken is gebleken dat er vermoedelijk geen privaatrechtelijke dienstbetrekking kan hebben bestaan tussen [betrokkene 1] en [A] B.V. en [betrokkene 2] en [A] B.V. Derhalve hadden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geen recht op een werknemersverzekering betaald door UWV.
Een schriftelijk bescheid, te weten de Aanvraag WW d.d. 9 januari 2017 op naam van [betrokkene 1] , paginanummers 042-044 en 317-319.
Een schriftelijk bescheid, te weten de Aanvraag WW d.d. 20 januari 2017 op naam van [betrokkene 2] , paginanummers 269-271 en 320-322.
8. Verder steunt de bewezenverklaring op het volgende aanvullende bewijsmiddel dat is opgenomen in het bestreden arrest:
“1.
De notulen van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van Aannemersbedrijf [C] B.V. te [plaats] d.d. 16 maart 2016 (pg. 225), opgemaakt door [betrokkene 10] en de verdachte:
Aan de orde is het voorstel om gelet op het feit dat de onderneming reeds geruime tijd geen reële activiteiten meer uitoefent over te gaan tot ontbinding van de vennootschap Aannemersbedrijf [C] B.V. overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:19 BW Pro. Nadat de directie van Aannemersbedrijf [C] B.V. zijnde [C] B.V. in de persoon van [betrokkene 10] uitleg heeft gegeven omtrent het hiervoor genoemde voorstel tot ontbinding van Aannemersbedrijf [C] B.V. wordt dit voorstel in stemming gebracht. Het voorstel tot ontbinding van Aannemersbedrijf [C] B.V. wordt met algemene stemmen aangenomen en is derhalve aanvaard. De directie zijnde [C] B.V. in de persoon van [betrokkene 10] zal zo spoedig mogelijk zorgdragen voor de deponering van dit besluit bij de Kamer van Koophandel.”
9. Het bestreden arrest bevat daarnaast de volgende aanvullende bewijsoverweging:

Aanvullende bewijsoverweging
Het hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van de politierechter, zoals weergegeven op pagina 11 van het vonnis (onder ‘bewijsoverweging’). Het hof neemt deze bewijsoverwegingen van de politierechter dan ook over en maakt die tot de zijne.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat het hof de verdachte dient vrij te spreken van het tenlastegelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat er geen wettig bewijs voorhanden is op grond waarvan tot het oordeel gekomen kan worden dat de verdachte - kort gezegd - wetenschap had.
Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de door de verdediging bepleite vrijspraak wordt weersproken door de door het hof gebruikte bewijsmiddelen. Gelet op zijn eerdere betrokkenheid als directeur bij [B ] , zijn werkzaamheden als financieel adviseur bij [A] B.V. en de periode waarop de opgegeven werkzaamheden bij werkgever [A] B.V. betrekking hadden, kan het niet anders zijn dan dat de verdachte bij de WW-aanvragen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] heeft geweten dat die aanvragen gebaseerd waren op gefingeerde dienstverbanden. Daarmee is vast komen te staan dat de verdachte de aanvragen opzettelijk valselijk heeft opgemaakt. Door de aanvragen vervolgens daadwerkelijk in te dienen is ook het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken vast komen te staan.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het hof, gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan tweemaal medeplegen van valsheid in geschrift.
Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.”
10. De door het hof overgenomen bewijsoverwegingen van de politierechter houden in:
“De politierechter acht de beide feiten wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft twee keer samen met een ander of anderen valsheid in geschrifte gepleegd. De politierechter baseert dit oordeel op de verklaring van de verdachte zelf, de verklaring van [betrokkene 2] in combinatie met de overige bevindingen in het dossier.”
11. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte voor [betrokkene 2] en [betrokkene 1] de in de bewezenverklaring bedoelde aanvragen voor de Werkloosheidsuitkering (WW-uitkering) heeft ingevuld en dat deze in strijd met de waarheid zijn, omdat beide personen in werkelijkheid nooit bij [A] B.V. hebben gewerkt, terwijl dit wel in de betreffende aanvragen staat vermeld. Deze feiten staan in cassatie niet ter discussie. De vraag die het middel aan de orde stelt is of het hof toereikend heeft gemotiveerd dat de verdachte opzet had op het valselijk opmaken van de WW-aanvragen en in het verlengde daarvan dat hij het oogmerk had de aanvragen als echt en onvervalst te gebruiken en/of te laten gebruiken, zoals bewezen is verklaard.
12. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden geconcludeerd dat de verdachte wetenschap had van de werkzaamheden van (eventueel personeel van) [A] B.V. in 2016.
13. Het hof heeft overwogen dat het niet anders kan dan dat de verdachte heeft geweten dat de aanvragen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] waren gebaseerd op gefingeerde dienstverbanden. Hierin ligt als oordeel van het hof besloten dat de verdachte er wetenschap van had dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (in 2016) niet bij [A] B.V. hadden gewerkt. Het hof heeft daartoe in zijn bewijsoverweging in het bijzonder gewezen op (i.) de eerdere betrokkenheid van de verdachte als directeur bij [B ] B.V., (ii.) zijn werkzaamheden als financieel adviseur bij [A] B.V. en (iii.) de periode waarop de opgegeven werkzaamheden bij werkgever [A] B.V. betrekking hadden.
14. Het hof heeft in de gebezigde bewijsmiddelen in dit verband de volgende feiten vastgesteld:
i. De verdachte heeft op 9 januari 2017 een WW-aanvraag ingediend voor [betrokkene 1] en op 20 januari 2017 voor [betrokkene 2] .
ii. De in de WW-aanvragen opgegeven dienstverbanden van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] bij [A] B.V. liepen beiden van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016.
iii. De verdachte heeft verklaard dat hij als financieel adviseur betrokken is geweest bij [A] B.V., dat er in die periode weinig activiteiten waren en dat hij aanneemt dat er toen geen personeel was omdat in de loonaangifte bij de loonbelasting 0 staat. Hij heeft verder verklaard dat hij niet precies weet tot wanneer hij betrokken is geweest bij [A] B.V.
iv. Uit strafrechtelijk onderzoek van de FIOD is gebleken dat [A] B.V. geen activiteiten had in 2016, dat [A] B.V. een slapende B.V. was en dat de verdachte als boekhouder van [A] B.V. ook heeft verklaard dat [A] B.V. een slapende B.V. was en er geen activiteiten waren.
v. Uit informatie van de Belastingdienst volgt dat de aangiften voor [A] B.V. in 2015 door de verdachte zijn gedaan. Over 2016 is dit onbekend.
vi. De (formele) eigenaar van [A] B.V., [betrokkene 10] , heeft op 28 februari 2018 verklaard dat hij in 2016 slechts op papier eigenaar was en dat hij geen informatie kon geven, omdat hij zelf geen handelingen heeft verricht met [A] B.V. Hij heeft het telefoonnummer van de verdachte gegeven omdat hij in het verleden boekhouder was van [A] B.V.
vii. De verdachte was directeur bij [B ] B.V. en deze B.V. heeft gedurende de eerste 2 weken van november 2016 [betrokkene 2] in dienst gehad. [betrokkene 2] heeft daar 104 uren gewerkt. Hij heeft verklaard dat zijn werkzaamheden voornamelijk bestonden uit persoonlijke chauffeursdiensten voor iemand genaamd [verdachte] .
15. Op grond van voormelde feiten, in onderling verband en samenhang beschouwd, heeft het hof naar mijn mening wel degelijk de bewijsconclusie kunnen trekken dat het niet anders kan dan dat de verdachte heeft geweten dat de aanvragen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] waren gebaseerd op gefingeerde dienstverbanden. Doorslaggevend daarvoor acht ik dat de verdachte vanwege zijn werkzaamheden als boekhouder wist dat [A] B.V. een slapende B.V. was en dat er geen activiteiten waren, terwijl voorts de verdachte [betrokkene 2] twee weken als persoonlijke chauffeur in dienst heeft gehad in de periode dat deze volgens de hem betreffende WW-aanvraag een volledig dienstverband bij [A] B.V. zou hebben gehad. Daarbij weeg ik mee dat in 2018 de (formele) eigenaar van [A] B.V. voor informatie over handelingen van [A] B.V. nog heeft verwezen naar de verdachte. Dat het zesde bewijsmiddel dat betrekking heeft op het besluit tot ontbinding van Aannemersbedrijf [C] B.V. niet zonder meer redengevend is voor de bewezenverklaring, doet aan het voorgaande niet af, nu het hof ook met weglating van dit bewijsmiddel tot die bewezenverklaring had kunnen komen.
16. Gelet op het voorgaande is het kennelijke oordeel van het hof, dat de verdachte bij het invullen van de aanvragen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] wist dat zij in 2016 niet bij [A] B.V. hadden gewerkt, toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring voor zover die inhoudt dat de verdachte de aanvragen opzettelijk valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk die als echt en onvervalst te gebruiken en/of te laten gebruiken, is in zoverre ook toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.
17. Het middel faalt.

Slotsom

18. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG