ECLI:NL:PHR:2024:391

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2024
Publicatiedatum
7 april 2024
Zaaknummer
21/04616
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359a lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontoereikende motivering poging zware mishandeling met ijzeren voorwerp

De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor poging tot zware mishandeling door een scooterrijder met een ijzeren voorwerp tegen het hoofd te slaan. Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van het slachtoffer, getuigen, het aantreffen van een ijzeren staaf en medische vaststellingen van een snijwond.

De verdediging voerde aan dat de verdachte het voorwerp niet had aangeraakt en dat het letsel niet paste bij het gebruik van het voorwerp of een hand. Ook werd gesteld dat het voorwerp pas na de confrontatie was gepakt door een neef en dat de verdachte niet de dader was. Het hof verwierp deze verweren, maar ging niet expliciet in op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof tekort is geschoten in zijn motivering door niet te reageren op het onderbouwde verweer en onvoldoende uitleg te geven over het moment waarop het voorwerp in handen van de verdachte kwam. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel werd aangenomen. Daarnaast is de redelijke termijn in cassatie overschreden.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor een nieuwe beoordeling, waarbij ook de overschrijding van de redelijke termijn in acht moet worden genomen.

Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd wegens ontoereikende motivering en zaak terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04616
Zitting9 april 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 25 oktober 2021 door het gerechtshof Den Haag voor poging tot zware mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van acht weken met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren.
1.2
Het cassatieberoep is op 5 november 2021 ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd over de bewijsvoering, waaronder de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. In het tweede middel wordt geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.
1.3
De middelen zijn terecht voorgesteld. De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag.

2.Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1
Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op of 9 augustus 2020 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een ijzeren voorwerp tegen zijn hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.2
Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“Een
proces-verbaalvan
aangifte(…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in (…):
als de op 10 augustus 2020 afgelegde verklaring van de aangever
[slachtoffer]:
Op 9 augustus 2020 omstreeks 23.15 uur bevond ik mij met mijn scooter op de [a-straat] te [plaats] . Ik zag daar drie jongens lopen. Ik ben deze jongens aan hun rechterzijde gepasseerd. Op het moment dat ik de langste jongen passeerde keek ik hem aan. Ik zag dat deze jongen met een ijzeren pijp in mijn richting sloeg. Ik zag dat de pijp een grote zwaai maakte in mijn richting. Ik voelde hierop een klap op mijn rechter slaap. Het was een lange staaf met een kromming aan het uiteinde.
Ik zag dat de politie ter plaatse was. Ik zag dat er drie jongens waren aangehouden. Ik herkende deze jongens als de jongens die mij eerder hadden geslagen. De jongen die mij heeft geslagen was overduidelijk langer dan de twee andere jongens. Ik denk dat deze jongen ongeveer 1.85 meter lang was.
2. Een
proces-verbaalvan
verhoor getuige(…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in (…):
als de op 10 augustus 2020 afgelegde verklaring van de aangever [AG: ik begrijp getuige]
[betrokkene 1]:
Op 9 augustus 2020 zag ik drie jongens over de [a-straat] lopen. Later op de avond omstreeks 23.30 uur heb ik die drie jongens weer gezien toen ik de [a-straat] afreed. Ik zag dat één van de jongens een ijzeren pijp in zijn hand had.

3.De verklaringvan de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2021 verklaard (…):
Ik was op 9 augustus aan het lopen met mijn neefjes in [plaats] . Er kwam een scooter achter ons aanrijden.
Wij werden door de politie gearresteerd.
4 . Een
proces-verbaalvan
bevindingen(…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in (…):
als
relaasvan de betreffende opsporingsambtenaar:
Naar aanleiding van een straatroof werden de verdachten [betrokkene 2] , [verdachte] en [betrokkene 3] aangehouden, en overgebracht naar het arrestantencomplex van het politiebureau Gouda.
In verband met het feit dat een getuige in deze zaak had verklaard dat de langste van het drietal daadwerkelijk had geslagen, heb ik destijds een onderzoek ingesteld naar de lengte van de verdachten.
Met behulp van de medewerkers van het arrestantencomplex werden met een meetlint de twee langste verdachten opgemeten. Hierbij kwam vast te staan dat de verdachte [betrokkene 2] een lengte had van 1.68 meter. De verdachte [verdachte] had een lengte van 1.85 meter. De verdachte [betrokkene 3] werd niet gemeten omdat hij duidelijk nog kleiner was dan de andere twee verdachten. Uit bovenstaande kan worden opgemaakt dat verdachte [verdachte] de langste verdachte was van de drie.
5. Een
proces-verbaalvan
bevindingen(…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in (…):
als
relaasvan de betreffende opsporingsambtenaren:
Op maandag 10 augustus 2020 omstreeks 10.00 uur waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , op de [a-straat] te [plaats] . Wij waren hier voor een onderzoek omtrent een straatroof die in de afgelopen nacht op deze locatie had plaatsgevonden.
De hondengeleider heeft met de hond in het gebied gezocht naar mogelijke sporen en objecten die met de straatroof te maken hadden. De hond sloeg aan. Hierop zag de hondengeleider iets zilverkleurigs in de brandnetels liggen. Vervolgens zagen wij dat dit een langwerpig ijzeren staaf was. Bij het oppakken van de staaf zagen wij dat dit een staaf was om putdeksels mee op te tillen. De zilveren staaf kwam overeen met de beschrijving die het slachtoffer en de getuige gaven in hun verklaringen.
6. Een geschrift, zijnde een
geneeskundige verklaringd.d. 10 augustus 2020, opgemaakt en ondertekend door een arts (Hof:
handgeschreven naam niet leesbaar). Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in (…):
als
relaasvan deze
arts:
Uitwendig waargenomen letsel: rechter oogkas snijwond. De wond is schoongemaakt, gelijmd en geplakt.”
2.3
Het bestreden arrest bevat onder het kopje “bewijsverweren” de volgende overweging:
“De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig haar in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen, zoals mondeling aangevuld ter zitting – het verweer gevoerd dat aangever de verdachte vóór de rotonde heeft geschopt en dat zij [het hof begrijpt: verdachte en/of zijn neven] vervolgens pas na deze confrontatie het ijzeren voorwerp hebben gepakt uit een vrachtwagen die na de rotonde was geparkeerd. Verdachte heeft verklaard het ijzeren voorwerp niet in zijn handen te hebben gehad. De verdachte had derhalve op het moment van de confrontatie met aangever geen ijzeren voorwerp in zijn handen en heeft de aangever noch met een ijzeren voorwerp noch met zijn handen geslagen. Van (voorwaardelijk) opzet op het primair tenlastegelegde is naar het oordeel van de verdediging bovendien geen sprake. De verdachte dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat aangever op 9 augustus 2020 met zijn scooter een groep jongens passeerde op de [a-straat] te [plaats] . Op het moment dat hij met zijn scooter passeerde zag aangever dat de langste jongen van de groep, de verdachte, met een ijzeren pijp in zijn richting sloeg. Aangever voelde direct daarop een klap op zijn rechterslaap. Hij liep bij deze klap een snijwond op aan zijn rechteroogkas. De volgende dag werd door de politie een langwerpige ijzeren staaf gevonden die overeenkomt met de beschrijving van aangever en een getuige.
De aangifte wordt ondersteund door de bij aangever geconstateerde verwondingen. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht het hof niet aannemelijk dat de verdachte pas na het treffen met aangever in het bezit is gekomen van het ijzeren voorwerp. Het hof acht mede gelet daarop wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangever met een ijzeren voorwerp tegen zijn hoofd heeft geslagen.
Onvoorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan naar het oordeel van het hof uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid. Dat is anders wat betreft het voorwaardelijk opzet. Het hof overweegt als volgt.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Het hof overweegt dat het met een ijzeren voorwerp slaan tegen het lichaam van een passerende scooterrijder op zodanige hoogte dat daarbij het gezicht van die scooterrijder wordt geraakt – hetgeen blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen het hof beoordeelt als bewust slaan met de bedoeling iemand te raken – de aanmerkelijke kans in zich bergt dat daarmee aan een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Het gezicht en met name een oog is immers een kwetsbaar deel van het lichaam. Aangever is gewond geraakt nabij zijn oog en er was sprake van een snijwond welke moest worden gelijmd en geplakt.
Gelet op voorgaande vaststellingen, is het hof van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aan aangever zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Dat dergelijk letsel niet is ontstaan, maakt dit niet anders.
Het hof verwerpt het verweer.”
2.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2021 houdt onder meer in:
“De verdachte wordt onmiddellijk na het voordragen van de zaak in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.
De verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld.
(…)
De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
Op 9 augustus 2020 was ik met mijn neefjes aan het lopen in [plaats] . Er kwam een scooter achter ons aanrijden. De scooterrijder reed raar. Hij gaf gas. Ik keek om. Ik wilde kijken wat er gebeurde. Ik draaide mij om en kreeg een trap tegen mijn schouder. Ik had pijn. De scooterrijder reed vervolgens verder. In de verte bleef hij staan kijken wat wij deden.
Wij kwamen een paar vrachtwagens tegen. Wij hebben daar iets uitgepakt voor het geval hij ons zou aanvallen. Dit deden wij om onszelf te beschermen. Daarna werden wij door de politie gearresteerd. Er is verder niets gebeurd.
U vraagt mij wie de stok pakte. Dat staat in het dossier. Ik was het niet. Het was een andere persoon. Verder is er niks gebeurd. Wij zijn gewoon verder gelopen.
U zegt mij dat de aangever heeft verklaard dat hij is geslagen met een metalen voorwerp. Hij had een verwonding aan het gezicht. Voorts dat een neef van mij bij de politie heeft verklaard dat ik een slaande beweging heb gemaakt naar de scooterrijder. En tot slot dat [een] andere neef heeft verklaard dat er sprake was van een holle metalen buis.
Dit slaat nergens op. Wij hebben het voorwerp uit de vrachtwagen gepakt. Ik heb dat metalen voorwerp nooit in mijn handen gehad. De vrachtwagen zagen wij pas na het incident met de scooterrijder. Dit was later. Het klopt dan ook niet wat de aangever heeft verklaard. Ik weet niet hoe hij aan zijn verwonding is gekomen. Misschien was hij dronken.
U zegt mij dat de dader aanmerkelijk langer was dan de anderen. U zegt mij dat ik langer ben dan mijn neven.
U zegt mij dat de arts letsel bij de aangever heeft geconstateerd en dat de politie een putdeksellichter heeft gevonden.
Ik kan verder niets verklaren. De verklaring van de aangever klopt niet. Ik kan u niet zeggen hoe hij aan die verwonding is gekomen. Mijn DNA is ook niet gevonden op het voorwerp.
De raadsvrouw merkt, op dat er ook verklaringen zijn afgelegd in het voordeel van haar cliënt. Een neef heeft aangegeven dat er een slaande beweging is gemaakt om de man te laten schrikken. Later geeft hij ook aan dat hij een schrikbeweging maakte. Hij kon niet zien of hij hem ook echt heeft aangeraakt. Ook deze neef heeft bevestigd dat er op dat moment geen ijzeren pijp is gebruikt.
Op de vraag van de raadsvrouw of haar cliënt links- of rechtshandig is, antwoordt de verdachte dat hij rechtshandig is.
(…)
De advocaat-generaal vordert vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde.
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging overeenkomstig haar per e-mailbericht aan de griffier overgelegde en in het digitale procesdossier gevoegde pleitaantekeningen [AG: zie hierna onder randnr. 2.2].
Zij voegt toe aan haar pleitaantekeningen:
Gelet op de posities van betrokkenen en het letsel van de aangever is het niet aannemelijk dat mijn cliënt de aangever heeft geslagen. Hij kan de aangever niet op die plek hebben geraakt. Iemand die rechtshandig is, slaat niet met zijn linkerhand. Voorts kan niet worden bewezen dat de aangever is verwond met de putdeksellichter.
Ik zie verder geen aanknopingspunten in het dossier voor onvoorwaardelijk opzet. Het letsel is heel gering. Er is niet met veel kracht geslagen.
Ik verzoek u derhalve mijn cliënt vrij te spreken.”
2.5
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2021 overeenkomstig haar pleitnotities het volgende aangevoerd:

Bewezenverklaring
De politierechter is in eerste aanleg tot het oordeel gekomen dat cliënt deze [slachtoffer] gepoogd heeft zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een putdeksellichter tegen het hoofd te slaan.
De politierechter gaat hierbij uit van de aangifte van [slachtoffer] , het aantreffen van cliënt en zijn neven daar in de buurt, een PV waaruit blijkt dat cliënt de langste is van de drie en het aantreffen van de putdeksellichter.
De politierechter gaat er hierbij vanuit dat de aangever de waarheid vertelt, dat sprake is van onvoorwaardelijk opzet en een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Naar de mening van de verdediging kunnen op basis van deze bewijsmiddelen deze conclusies niet worden getrokken. Daarnaast is het opvallend dat de verklaringen van de verdachten, welke toch een ander verhaal vertellen, in zijn geheel niet terug komen.
Naar de mening van de verdediging kan, wanneer hier wel rekening mee worden gehouden, helemaal geen bewezenverklaring volgen.
Verklaring aangever
[slachtoffer] heeft aangifte gedaan en beschrijft dat hij – bij het passeren – uit het niets eigenlijk met een stalen pijp op zijn rechterslaap/oog wordt geslagen. Als reactie hierop trapt hij deze jongen op zijn borst. Hij verklaart dat de jongens nog even achter hem aan rennen en dat hij even verder een tijd blijft wachten. Na een kwartier ziet hij daar de jongens aan komen lopen. Dan vertrekt hij naar het woonwagenkamp.
Verklaringen verdachten
De verdachten hebben een ander verhaal. Zij liepen daar inderdaad met zijn drieën op de weg, zonder slechte bedoelingen, gewoon onderweg naar huis. Toen de aangever op zijn scooter voorbij kwam, schopte hij cliënt op zijn borst.
Zij zagen de aangever even verder tot stilstand komen en daar blijven staan. Zij waren bang dat er nog meer zou komen, dat hij hen daar stond op te wachten. Omdat zij daar bang voor waren, heeft één van de drie jongens uit een vrachtwagen daar in de buurt een ijzeren voorwerp gepakt. Niet veel later zijn zij aangehouden.
Neef [betrokkene 3] vertelt een duidelijk verhaal. Alles wat hij zegt, wordt bevestigd. Tot in detail wordt bevestigd waar de vrachtwagens stonden, hoe deze eruit zagen, dat dit soort gereedschap erin lag en dat dit er nu niet meer in lag. Bevestigd wordt dat hij het voorwerp in de bosjes heeft weggegooid. Hij heeft dit voorwerp gepakt en vastgehouden. Ook dit wordt bevestigd door de camerabeelden.
Cliënt bevestigt vandaag ter zitting zijn verhaal. Het is jammer dat hij dit niet eerder heeft verteld. Hij herinnert zich onzeker te voelen en liep er tegenaan dat hij zijn advocaat niet goed heeft kunnen spreken voor het verhoor. Zijn advocaat adviseerde hem te zwijgen, wat hij ook heeft gedaan, maar wel veel spijt van heeft. Hij had niet verwacht dat de aangever zou worden geloofd, gewoonweg omdat het niet klopt.
Uit de magere verklaring van cliënt blijkt echter wel dat het niet klopt wat de aangever heeft gezegd. Wanneer cliënt wordt gevraagd of zijn DNA op het voorwerp is te vinden, antwoordt hij met nee. Hij geeft bovendien aan dat het niet mogelijk is wat de aangever vertelt. Zijn standpunt is hiermee duidelijk.
Hoe dan ook ontkent hij de aangever te hebben geslagen. Het is juist dat hij voor de rotonde is geschopt en dat zij na de rotonde het voorwerp hebben gepakt. De aangever bleef in het zicht en stopte steeds, waardoor voor hen niet duidelijk was wat hij van plan was.
Neef [betrokkene 2] is iets minder duidelijk. Volgens hem zou cliënt een schrikbeweging hebben gemaakt, als gevolg waarvan de aangever hem een trap heeft gegeven. Zij hadden in ieder geval geen voorwerp en cliënt heeft hier met zekerheid niet mee geslagen. Ook hij legt gedetailleerd uit waar zij dit voorwerp vandaan hebben.
Er zijn dus twee mensen die uit zichzelf verklaren dat er niet geslagen is, dat de aangever degene is die heeft geschopt en dat zij op dat moment geen voorwerp tot hun beschikking hadden. Zij vertellen uit zichzelf dat zij het voorwerp pas later hebben gepakt en dat hiermee niet geslagen is. Hun verhaal wordt bevestigd door objectieve bewijsmiddelen.
De vrachtwagens worden gevonden. De door de verdachten opgegeven plek van de vrachtwagens klopt. De omschrijving van de vrachtwagens klopt. Bevestigd wordt door de eigenaar van de vrachtwagens dat dit soort voorwerpen erin liggen. Bevestigd wordt dat dit voorwerp er nu niet meer in ligt en deze dus is weggenomen.
De beelden bevestigen bovendien dat [betrokkene 3] het voorwerp in zijn handen heeft en cliënt niet. De beelden bevestigen dat de drie jongens daarvoor niet met een voorwerp te zien zijn.
De politierechter is hier echter volledig aan voorbij gegaan. Sterker nog, het wordt in zijn geheel niet genoemd. Terwijl hier duidelijk uit blijkt dat de jongens het voorwerp, waarvan de aangever zegt dat hij hiermee geslagen is, niet hadden op het moment dat zij met elkaar worden geconfronteerd.
DNA
Er is DNA onderzoek gedaan. Er zijn geen matches uitgekomen, omdat de concentraties DNA te laag waren. Er blijkt in ieder geval niet uit dat het verhaal van cliënt, waarin hij aangeeft het voorwerp niet te hebben aangeraakt, niet klopt.
Wat opvallend is, is dat er ook geen DNA van de aangever op is aangetroffen. Opvallend, omdat hij hiermee zou zijn geslagen en hij hierdoor is gaan bloeden. In die situatie is het niet aannemelijk dat er slechts een lage concentratie DNA op de putdeksellichter zou zitten.
Overig
Vragen die wij kunnen stellen, zijn de volgende. Waarom zou aangever dit zeggen? Dat is altijd een goede vraag, die wij niet altijd kunnen beantwoorden. Helaas zien wij vaak genoeg dat aangevers niet de waarheid vertellen. Cliënt en zijn neven hebben wel een verklaring. Zij worden helaas vaak geconfronteerd met racistische opmerkingen van de mensen van het woonwagenkamp. Het is duidelijk dat zij hen daar niet moeten en het zou cliënt niet verbazen dat dit de reden is dat een dergelijk verhaal is verteld.
Waarom zou aangever cliënt zomaar schoppen? Dat is ook een goede vraag, welke opnieuw kan worden beantwoord vanuit racistisch oogmerk. Deze vraag kan ook gesteld worden ten opzichte van cliënt. Waarom zou hij de aangever zomaar slaan? Niet is gebleken dat cliënt de scooter zou willen stelen. Dit is nergens op gebaseerd.
Hoe weet de aangever dan dat deze jongens een stalen voorwerp hadden? Dat heeft hij kunnen zien. Duidelijk blijkt dat de aangever een eindje verder is blijven wachten. Zoals hij zelf verklaart, zag hij de jongens nadien aan komen lopen. Hij heeft dus gezien dat deze jongens een dergelijk voorwerp in hun handen hadden en heeft daarmee zijn verhaal kunnen aansterken.
Waarom heeft de vader van de aangever het over een stalen pijp? Aangever en zijn vader hebben besproken over wat er is gebeurd. De vader was er niet bij, maar weet het van zijn zoon. Dit is één en dezelfde bron.
De belangrijkste vraag betreft de vraag hoe aangever aan het letsel komt. Het is een vraag die de verdediging niet kan beantwoorden. Wat ook niet kan, is met zekerheid te zeggen dat cliënt dit letsel heeft toegebracht. Er zijn namelijk drie mensen die zeggen dat cliënt hem niet heeft aangeraakt. Er is één iemand, namelijk de aangever, die zegt dat dit is ontstaan door het slaan met een stalen voorwerp, terwijl in ieder geval is gebleken dat dit niet kan.
We weten niet of de aangever dit letsel al had of daarna heeft opgelopen. We weten niet wat de aangever daarvoor heeft gedaan of in de tijd dat hij door is gereden naar het woonwagenkamp en weer terug.
Wat we in ieder geval kunnen zeggen, is dat het letsel niet past bij het slaan met een putdeksellichter, een stalen voorwerp met een flinke punt eraan. We weten in ieder geval dat dit een hoop meer letsel zou veroorzaken dan een snijwondje van 1x1x2 cm.
Het letsel past voorts niet bij het slaan met de hand. Er zou dan namelijk geen snijwond ontstaan.
(Tussen)conclusie
Gelet op al het voorgaande kan niet wettig en overtuigend bewezen worden [dat] cliënt de aangever heeft geslagen met een stalen voorwerp. Voorts kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat cliënt de aangever met zijn hand heeft geslagen. Wegens voldoende twijfel dient cliënt algeheel te worden vrijgesproken.
Kwalificatie poging zwaar lichamelijk letsel
Ik zal ook een opmerking maken over de kwalificatie van het feit door de politierechter. De politierechter heeft namelijk het primaire feit bewezen verklaard, de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Hierbij is de politierechter uitgegaan van het gebruik van de putdeksellichter. Ik geef uiteraard aan dat dit niet bewezen is, waardoor het primaire feit niet bewezen kan worden. Ik geef ook aan dat geen sprake is van eenvoudige mishandeling, omdat cliënt de aangever ook niet geslagen heeft.
Maar zelfs als we ervan uit zouden gaan dat cliënt de aangever geslagen zou hebben met de putdeksellichter, dan kan niet het primaire verwijt bewezen worden verklaard.
We lezen in het PV van de zitting terug dat de politierechter onvoorwaardelijk opzet aanwezig acht. De politierechter meende kennelijk dat het dossier aanknopingspunten bevat waaruit is af te leiden dat cliënt de aangever zwaar lichamelijk letsel wilde aanbrengen. Deze aanknopingspunten zijn er echter niet.
Maar ook voor voorwaardelijk opzet bevat het dossier niet voldoende bewijs. In de rechtspraak zien we terug, dat hiervoor van belang is te weten op welke manier en met hoeveel kracht daarmee geslagen zou zijn. Hierover wordt niet gesproken. Het enige aanknopingspunt dat we hebben, betreft het letsel van de aangever.
Het letsel van aangever is gering, waaruit valt af te leiden dat niet met veel kracht zou zijn geslagen. Er is dan ook niet voldoende om te zeggen dat sprake is van voorwaardelijk opzet.”

3.Het eerste middel

3.1
In het middel wordt geklaagd dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. Allereerst wordt geklaagd dat de vaststellingen van het hof en de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer inhoudende dat uit het dossier niet kan volgen dat de verdachte met een ijzeren staaf heeft geslagen onbegrijpelijk zijn, “nu het feit dat het voorwerp is aangetroffen niets zegt over het moment waarop het voorwerp in handen is gekregen”. Voorts wordt geklaagd dat het hof niet heeft gereageerd op het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudende dat de verdachte het voorwerp niet heeft aangeraakt. Ten slotte wordt geklaagd dat het bewezenverklaarde voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontoereikend is gemotiveerd omdat uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) kan volgen (i) het bewust slaan met de bedoeling om iemand al dan niet in het gezicht te raken en (ii) met hoeveel kracht zou zijn geslagen, terwijl de aangetroffen verwonding een contra-indicatie is voor het met kracht slaan met het voorwerp.
3.2
Wanneer de rechter in zijn uitspraak afwijkt van een door/namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, zal hij op grond van art. 359a lid 2, tweede volzin, Sv zijn beslissing nader moeten motiveren. Een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is een duidelijk en door argumenten geschraagd standpunt dat is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie. De Hoge Raad stelt zich terughoudend op ten aanzien van het oordeel van het hof over de vraag of er al dan niet sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Toetssteen is of het gevoerde verweer niet anders kan worden begrepen dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. De Hoge Raad is ook terughoudend als het gaat over de omvang van de motiveringsplicht die door een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in het leven wordt geroepen. Die omvang is niet goed in algemene regels uit te drukken. Er komt onder meer betekenis toe aan de aard van het aan de orde gestelde onderwerp en aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. Een verzuim om een niet aanvaard uitdrukkelijk onderbouwd standpunt beargumenteerd te weerleggen hoeft niet steeds tot cassatie te leiden, onder andere omdat de specifieke redenen voor afwijking van het standpunt in de bewijsvoering besloten kunnen liggen. [1]
3.3
Door en/of namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep onder meer het volgende aangevoerd. Toen de verdachte met zijn twee neven nog voor de rotonde over de [a-straat] in [plaats] liep, kwam de aangever op een scooter aanrijden, gaf uit het niets de verdachte een trap tegen de schouder, reed door en bleef iets verderop staan kijken wat de verdachte en zijn neven zouden doen. De verdachte en zijn neven kwamen vervolgens na de rotonde een vrachtwagen tegen waaruit neef [betrokkene 3] een metalen voorwerp pakte om zich te kunnen verdedigen tegen de aangever. Met het voorwerp is niet geslagen. Uit camerabeelden blijkt dat [betrokkene 3] het voorwerp in zijn handen heeft, dat de verdachte het voorwerp niet in zijn handen heeft gehad en dat de drie jongens eerder niet met een voorwerp in beeld zijn geweest. De verklaring van [betrokkene 3] over de plaats waar de vrachtwagen stond, hoe deze eruit zag, welk gereedschap erin lag, dat hij er een voorwerp heeft uitgepakt dat hij later in de bosjes heeft gegooid, wordt bevestigd door de camerabeelden. Zowel de verdachte als [betrokkene 3] verklaren uit zichzelf dat er niet is geslagen, dat de aangever degene is die heeft geschopt en dat zij op dat moment geen voorwerp tot hun beschikking hadden. De door de verdachten opgegeven plek van de vrachtwagens correspondeert met de plek waar de vrachtwagens door de politie zijn aangetroffen. De eigenaar van de vrachtwagens heeft bevestigd dat voorwerpen als het door de politie in de struiken gevonden voorwerp in de vrachtwagens liggen en dat één van de voorwerpen er niet meer in ligt en dus is weggenomen. Het DNA van de verdachte is niet op het voorwerp aangetroffen. Ook het DNA van de aangever is niet op het voorwerp aangetroffen, hetgeen opvallend is omdat hij hiermee zou zijn geslagen en hij hierdoor is gaan bloeden. Het bij de aangever geconstateerde letsel, een snijwondje van 1x1x2 cm past niet bij het slaan met een putdeksellichter, een stalen voorwerp met een flinke punt eraan. Het letsel past ook niet bij het slaan met de hand. Gelet op de posities van de betrokkenen en het letsel van de aangever is het niet aannemelijk dat de verdachte de aangever heeft geslagen. Iemand die rechtshandig is, slaat niet met zijn linkerhand. Hij kan de aangever daarom niet op die plek hebben geraakt. Gelet op hetgeen is aangevoerd kan volgens de raadsvrouw van de verdachte niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte de aangever met een stalen voorwerp dan wel met zijn hand heeft geslagen. Wegens voldoende twijfel dient de verdachte integraal te worden vrijgesproken.
3.4
Hetgeen door de verdediging ter zitting van het hof is aangevoerd over het gebrek aan bewijs voor de tenlastegelegde poging tot zware mishandeling, kan naar mijn mening niet anders worden begrepen dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv. Het hof is van dit standpunt afgeweken door het tenlastegelegde bewezen te verklaren, maar het is niet expliciet op het standpunt ingegaan. Het hof heeft immers slechts, kort gezegd, overwogen dat de aangifte wordt ondersteund door de bij de aangever geconstateerde verwondingen, dat door de politie een langwerpige ijzeren staaf is gevonden die overeenkomt met de beschrijving van de aangever en een getuige en dat het gelet daarop niet aannemelijk is dat de verdachte pas na het treffen met de aangever in het bezit is gekomen van het ijzeren voorwerp.
3.5
Ik ben het met de stellers van het middel eens dat het hof op deze wijze het verweer ontoereikend en onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen. De stellers van het middel merken terecht op dat de omstandigheid dat de politie het ijzeren voorwerp tussen de brandnetels heeft aangetroffen niets zegt over het moment waarop het voorwerp in handen is gekregen. Voorts heeft het hof niet gerespondeerd op de in het verweer aangevoerde punten (i) dat de verdachte het metalen voorwerp niet heeft aangeraakt, (ii) dat zijn neef het voorwerp pas na de confrontatie met de aangever heeft gepakt, (iii) dat de verdachte de aangever niet met zijn hand heeft geslagen, (iv) dat het bij de aangever geconstateerde letsel niet past niet bij het slaan met een putdeksellichter en evenmin bij het slaan met de hand en (v) dat het gelet op de posities van de betrokkenen en het letsel van de aangever niet aannemelijk is dat de verdachte de aangever heeft geslagen. De weerlegging van dit standpunt ligt evenmin besloten in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.
3.6
Het middel is terecht voorgesteld, waardoor de klacht dat het bewezenverklaarde opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontoereikend is gemotiveerd, geen bespreking behoeft.

4.Het tweede middel

4.1
In het middel wordt geklaagd dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Namens de verdachte is op 5 november 2021 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 24 januari 2023 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim zes maanden is overschreden. In het middel wordt daarover terecht geklaagd. Een voortvarende afdoening door de Hoge Raad behoort inmiddels niet meer tot de mogelijkheden.
4.3
Indien de Hoge Raad het bestreden arrest casseert op de grond die als het eerste middel is voorgesteld, zal de rechter naar wie de zaak wordt teruggewezen of verwezen over deze schending van de redelijke termijn in de cassatiefase moeten oordelen en kan het tweede middel onbesproken blijven.

5.Slotsom

5.1
De middelen zijn terecht voorgesteld.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat – ook in dit opzicht –de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Indien de Hoge Raad casseert, zal de rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen of verwezen ook met deze overschrijding van de redelijke termijn rekening dienen te houden bij de eventuele strafoplegging.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. onder meer HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130