2.5De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2021 overeenkomstig haar pleitnotities het volgende aangevoerd:
“
Bewezenverklaring
De politierechter is in eerste aanleg tot het oordeel gekomen dat cliënt deze [slachtoffer] gepoogd heeft zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een putdeksellichter tegen het hoofd te slaan.
De politierechter gaat hierbij uit van de aangifte van [slachtoffer] , het aantreffen van cliënt en zijn neven daar in de buurt, een PV waaruit blijkt dat cliënt de langste is van de drie en het aantreffen van de putdeksellichter.
De politierechter gaat er hierbij vanuit dat de aangever de waarheid vertelt, dat sprake is van onvoorwaardelijk opzet en een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Naar de mening van de verdediging kunnen op basis van deze bewijsmiddelen deze conclusies niet worden getrokken. Daarnaast is het opvallend dat de verklaringen van de verdachten, welke toch een ander verhaal vertellen, in zijn geheel niet terug komen.
Naar de mening van de verdediging kan, wanneer hier wel rekening mee worden gehouden, helemaal geen bewezenverklaring volgen.
Verklaring aangever
[slachtoffer] heeft aangifte gedaan en beschrijft dat hij – bij het passeren – uit het niets eigenlijk met een stalen pijp op zijn rechterslaap/oog wordt geslagen. Als reactie hierop trapt hij deze jongen op zijn borst. Hij verklaart dat de jongens nog even achter hem aan rennen en dat hij even verder een tijd blijft wachten. Na een kwartier ziet hij daar de jongens aan komen lopen. Dan vertrekt hij naar het woonwagenkamp.
Verklaringen verdachten
De verdachten hebben een ander verhaal. Zij liepen daar inderdaad met zijn drieën op de weg, zonder slechte bedoelingen, gewoon onderweg naar huis. Toen de aangever op zijn scooter voorbij kwam, schopte hij cliënt op zijn borst.
Zij zagen de aangever even verder tot stilstand komen en daar blijven staan. Zij waren bang dat er nog meer zou komen, dat hij hen daar stond op te wachten. Omdat zij daar bang voor waren, heeft één van de drie jongens uit een vrachtwagen daar in de buurt een ijzeren voorwerp gepakt. Niet veel later zijn zij aangehouden.
Neef [betrokkene 3] vertelt een duidelijk verhaal. Alles wat hij zegt, wordt bevestigd. Tot in detail wordt bevestigd waar de vrachtwagens stonden, hoe deze eruit zagen, dat dit soort gereedschap erin lag en dat dit er nu niet meer in lag. Bevestigd wordt dat hij het voorwerp in de bosjes heeft weggegooid. Hij heeft dit voorwerp gepakt en vastgehouden. Ook dit wordt bevestigd door de camerabeelden.
Cliënt bevestigt vandaag ter zitting zijn verhaal. Het is jammer dat hij dit niet eerder heeft verteld. Hij herinnert zich onzeker te voelen en liep er tegenaan dat hij zijn advocaat niet goed heeft kunnen spreken voor het verhoor. Zijn advocaat adviseerde hem te zwijgen, wat hij ook heeft gedaan, maar wel veel spijt van heeft. Hij had niet verwacht dat de aangever zou worden geloofd, gewoonweg omdat het niet klopt.
Uit de magere verklaring van cliënt blijkt echter wel dat het niet klopt wat de aangever heeft gezegd. Wanneer cliënt wordt gevraagd of zijn DNA op het voorwerp is te vinden, antwoordt hij met nee. Hij geeft bovendien aan dat het niet mogelijk is wat de aangever vertelt. Zijn standpunt is hiermee duidelijk.
Hoe dan ook ontkent hij de aangever te hebben geslagen. Het is juist dat hij voor de rotonde is geschopt en dat zij na de rotonde het voorwerp hebben gepakt. De aangever bleef in het zicht en stopte steeds, waardoor voor hen niet duidelijk was wat hij van plan was.
Neef [betrokkene 2] is iets minder duidelijk. Volgens hem zou cliënt een schrikbeweging hebben gemaakt, als gevolg waarvan de aangever hem een trap heeft gegeven. Zij hadden in ieder geval geen voorwerp en cliënt heeft hier met zekerheid niet mee geslagen. Ook hij legt gedetailleerd uit waar zij dit voorwerp vandaan hebben.
Er zijn dus twee mensen die uit zichzelf verklaren dat er niet geslagen is, dat de aangever degene is die heeft geschopt en dat zij op dat moment geen voorwerp tot hun beschikking hadden. Zij vertellen uit zichzelf dat zij het voorwerp pas later hebben gepakt en dat hiermee niet geslagen is. Hun verhaal wordt bevestigd door objectieve bewijsmiddelen.
De vrachtwagens worden gevonden. De door de verdachten opgegeven plek van de vrachtwagens klopt. De omschrijving van de vrachtwagens klopt. Bevestigd wordt door de eigenaar van de vrachtwagens dat dit soort voorwerpen erin liggen. Bevestigd wordt dat dit voorwerp er nu niet meer in ligt en deze dus is weggenomen.
De beelden bevestigen bovendien dat [betrokkene 3] het voorwerp in zijn handen heeft en cliënt niet. De beelden bevestigen dat de drie jongens daarvoor niet met een voorwerp te zien zijn.
De politierechter is hier echter volledig aan voorbij gegaan. Sterker nog, het wordt in zijn geheel niet genoemd. Terwijl hier duidelijk uit blijkt dat de jongens het voorwerp, waarvan de aangever zegt dat hij hiermee geslagen is, niet hadden op het moment dat zij met elkaar worden geconfronteerd.
DNA
Er is DNA onderzoek gedaan. Er zijn geen matches uitgekomen, omdat de concentraties DNA te laag waren. Er blijkt in ieder geval niet uit dat het verhaal van cliënt, waarin hij aangeeft het voorwerp niet te hebben aangeraakt, niet klopt.
Wat opvallend is, is dat er ook geen DNA van de aangever op is aangetroffen. Opvallend, omdat hij hiermee zou zijn geslagen en hij hierdoor is gaan bloeden. In die situatie is het niet aannemelijk dat er slechts een lage concentratie DNA op de putdeksellichter zou zitten.
Overig
Vragen die wij kunnen stellen, zijn de volgende. Waarom zou aangever dit zeggen? Dat is altijd een goede vraag, die wij niet altijd kunnen beantwoorden. Helaas zien wij vaak genoeg dat aangevers niet de waarheid vertellen. Cliënt en zijn neven hebben wel een verklaring. Zij worden helaas vaak geconfronteerd met racistische opmerkingen van de mensen van het woonwagenkamp. Het is duidelijk dat zij hen daar niet moeten en het zou cliënt niet verbazen dat dit de reden is dat een dergelijk verhaal is verteld.
Waarom zou aangever cliënt zomaar schoppen? Dat is ook een goede vraag, welke opnieuw kan worden beantwoord vanuit racistisch oogmerk. Deze vraag kan ook gesteld worden ten opzichte van cliënt. Waarom zou hij de aangever zomaar slaan? Niet is gebleken dat cliënt de scooter zou willen stelen. Dit is nergens op gebaseerd.
Hoe weet de aangever dan dat deze jongens een stalen voorwerp hadden? Dat heeft hij kunnen zien. Duidelijk blijkt dat de aangever een eindje verder is blijven wachten. Zoals hij zelf verklaart, zag hij de jongens nadien aan komen lopen. Hij heeft dus gezien dat deze jongens een dergelijk voorwerp in hun handen hadden en heeft daarmee zijn verhaal kunnen aansterken.
Waarom heeft de vader van de aangever het over een stalen pijp? Aangever en zijn vader hebben besproken over wat er is gebeurd. De vader was er niet bij, maar weet het van zijn zoon. Dit is één en dezelfde bron.
De belangrijkste vraag betreft de vraag hoe aangever aan het letsel komt. Het is een vraag die de verdediging niet kan beantwoorden. Wat ook niet kan, is met zekerheid te zeggen dat cliënt dit letsel heeft toegebracht. Er zijn namelijk drie mensen die zeggen dat cliënt hem niet heeft aangeraakt. Er is één iemand, namelijk de aangever, die zegt dat dit is ontstaan door het slaan met een stalen voorwerp, terwijl in ieder geval is gebleken dat dit niet kan.
We weten niet of de aangever dit letsel al had of daarna heeft opgelopen. We weten niet wat de aangever daarvoor heeft gedaan of in de tijd dat hij door is gereden naar het woonwagenkamp en weer terug.
Wat we in ieder geval kunnen zeggen, is dat het letsel niet past bij het slaan met een putdeksellichter, een stalen voorwerp met een flinke punt eraan. We weten in ieder geval dat dit een hoop meer letsel zou veroorzaken dan een snijwondje van 1x1x2 cm.
Het letsel past voorts niet bij het slaan met de hand. Er zou dan namelijk geen snijwond ontstaan.
(Tussen)conclusie
Gelet op al het voorgaande kan niet wettig en overtuigend bewezen worden [dat] cliënt de aangever heeft geslagen met een stalen voorwerp. Voorts kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat cliënt de aangever met zijn hand heeft geslagen. Wegens voldoende twijfel dient cliënt algeheel te worden vrijgesproken.
Kwalificatie poging zwaar lichamelijk letsel
Ik zal ook een opmerking maken over de kwalificatie van het feit door de politierechter. De politierechter heeft namelijk het primaire feit bewezen verklaard, de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Hierbij is de politierechter uitgegaan van het gebruik van de putdeksellichter. Ik geef uiteraard aan dat dit niet bewezen is, waardoor het primaire feit niet bewezen kan worden. Ik geef ook aan dat geen sprake is van eenvoudige mishandeling, omdat cliënt de aangever ook niet geslagen heeft.
Maar zelfs als we ervan uit zouden gaan dat cliënt de aangever geslagen zou hebben met de putdeksellichter, dan kan niet het primaire verwijt bewezen worden verklaard.
We lezen in het PV van de zitting terug dat de politierechter onvoorwaardelijk opzet aanwezig acht. De politierechter meende kennelijk dat het dossier aanknopingspunten bevat waaruit is af te leiden dat cliënt de aangever zwaar lichamelijk letsel wilde aanbrengen. Deze aanknopingspunten zijn er echter niet.
Maar ook voor voorwaardelijk opzet bevat het dossier niet voldoende bewijs. In de rechtspraak zien we terug, dat hiervoor van belang is te weten op welke manier en met hoeveel kracht daarmee geslagen zou zijn. Hierover wordt niet gesproken. Het enige aanknopingspunt dat we hebben, betreft het letsel van de aangever.
Het letsel van aangever is gering, waaruit valt af te leiden dat niet met veel kracht zou zijn geslagen. Er is dan ook niet voldoende om te zeggen dat sprake is van voorwaardelijk opzet.”