Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
- zich of een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en
- voorwerpen en stoffen voorhanden hebben waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”, 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, 3. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, 4. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” en 5. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”, bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeventien maanden.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat, gelet op de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg, een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, passend en geboden zou zijn geweest. Nu de redelijke termijn in hoger beroep eveneens is geschonden, dient dit naar het oordeel van het hof eveneens consequenties te hebben ten aanzien van de strafoplegging. Het hof zal daarom volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden. Het opleggen van een straf als door de raadsman is bepleit doet haar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de aard en ernst van het feit en is derhalve niet passend.