Conclusie
Nummer23/04238
Het cassatieberoep
Het tweede middel
Moeder/Raad voor de Kinderbeschermingvan belang. [2] Het cassatieberoep in die zaak richtte zich tegen een beschikking van 25 oktober 2016 over de ondertoezichtstelling van een minderjarige. In cassatie werd geklaagd dat de beschikking van het hof nietig was, omdat een lid van de meervoudige kamer die de beschikking had gegeven op dat moment nog niet als raadsheer-plaatsvervanger was beëdigd. De desbetreffende rechterlijk ambtenaar was wel beëdigd als rechter in een rechtbank.
Moeder/Raad voor de Kinderbescherming. Uit het bestreden arrest volgt dat dit mede is gewezen door [betrokkene 1] als raadsheer. [4] Uit het ambtshalve door mij opgevraagde Koninklijk Besluit blijkt dat de benoeming van de betrokkene tot raadsheer-plaatsvervanger ingaat op de datum van beëdiging. [5] Uit de onder 6 geciteerde brief van de president van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 februari 2024 blijkt dat die beëdiging van de betrokkene in de hoedanigheid van raadsheer-plaatsvervanger op die dag nog niet had plaatsgevonden. De benoeming tot raadsheer-plaatsvervanger was dus niet ingegaan toen het bestreden arrest op 27 oktober 2023 werd gewezen. De omstandigheid dat de betrokkene wel was beëdigd als rechter in een rechtbank, maakt dit niet anders, zo blijkt uit de zaak
Moeder/Raad voor de Kinderbescherming(zie onder 11).