ECLI:NL:PHR:2024:480

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 mei 2024
Publicatiedatum
29 april 2024
Zaaknummer
22/01381
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 432 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens overschrijding termijn na verstekvonnis Opiumwetdelicten en diefstal

Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij verstek veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet en diefstal door middel van verbreking. De opgelegde straf bestond uit een voorwaardelijke taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren, en een schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte heeft zijn wens om cassatieberoep in te stellen kenbaar gemaakt via een brief, maar het beroep in cassatie is pas op 14 april 2022 ingesteld, terwijl het verstekarrest op 28 februari 2022 is gewezen en de verdachte op 25 maart 2022 bekend was met het arrest. Hierdoor is het cassatieberoep niet binnen de wettelijke termijn van veertien dagen ingesteld.

Op grond van artikel 432 lid 2 Sv Pro leidt dit tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het cassatieberoep. De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad strekt daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep. Tevens is er samenhang met een ontnemingszaak tegen dezelfde verdachte, waarin ook een conclusie is uitgebracht.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/01381
Zitting28 mei 2024

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte
1. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 28 februari 2022 wegens onder 1 “
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod” en onder 2 “
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het hof de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 22/01382 (de ontnemingszaak tegen de verdachte). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. O.J. Much, advocaat te Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep merk ik het volgende op. De verdachte is bij arrest van 28 februari 2022 bij verstek veroordeeld. Op 16 maart 2022 is via de post een verstekmededeling verzonden aan de verdachte. De verdachte heeft zijn wens om cassatieberoep in te stellen kenbaar gemaakt door middel van een brief. Op die brief staat “
25.03.22” als datum vermeld. Hieruit maak ik op dat het verstekarrest de verdachte (in ieder geval) op 25 maart 2022 bekend was. Het beroep in cassatie is echter pas op 14 april namens de verdachte ingesteld. [1] Derhalve is het cassatieberoep niet ingesteld binnen veertien dagen nadat de verdachte met het arrest bekend werd. [2] Op grond van artikel 432 lid 2 Sv Pro kan de verdachte daarom niet in zijn beroep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Door Abdullah Cifti (in persoon), aan wie de verdachte daartoe een (ongedateerde) bijzondere schriftelijke volmacht heeft verleend.
2.Artikel 432 Sv Pro bevat de termijnen voor het instellen van cassatieberoep. De hoofdregel is neergelegd in het eerste lid van het artikel en luidt dat cassatie in principe binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof moet worden ingesteld. Deze regel vindt in onderhavige zaak geen toepassing omdat de dagvaarding niet in persoon is betekend en de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen. Bovendien blijkt niet dat de verdachte eerder op een andere manier bekend is geworden met de dag van de terechtzitting. Op grond van het tweede lid van artikel 432 Sv Pro is daarom bepalend of cassatie is ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het arrest de verdachte bekend is.