Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
de schuldenvan de erflater (art. 4:182 lid 2 BW Pro). In zoverre hebben de door [erflater] met [eiser] gesloten pachtovereenkomsten ook ten aanzien van hen rechtsgevolgen. Kortom, alleszins terecht is het cassatieberoep mede tegen de kinderen van [erflater] ingesteld.
onderdeel Ivan het cassatiemiddel berust op verwarring met betrekking tot de gevolgen van het overlijden van [erflater] tijdens de behandeling van het hoger beroep. Volgens de klacht van het onderdeel volgt uit de combinatie van de omstandigheid dat ter zitting van het hof van 25 mei 2023 aan de orde is gesteld dat [erflater] kort voordien was overleden en dat eerst na die zitting de zaak in staat van wijzen geraakte, dat het hof zijn arrest op naam van de gezamenlijke erfgenamen had moeten wijzen.
(1) de verpachter kan niet een rechtsvordering tot betaling van de pachtprijs instellen zolang de pachtovereenkomst niet door de grondkamer is goedgekeurd; en
(2) de overeenkomst geldt voor onbepaalde tijd zonder dat zij door partijen kan worden opgezegd; indien alsnog goedkeuring door de grondkamer plaatsvindt, geldt dat de duur van de pachtovereenkomst ingaat bij de aanvang van het pachtjaar volgende op dat waarin de overeenkomst is ingezonden.
overeengekomen duuringaat bij de aanvang van het pachtjaar, volgende op dat waarin de overeenkomst is ingezonden. Dat lijkt me zo inderdaad de meest voor de hand liggende uitleg van een stelsel volgens welke op geliberaliseerde pachtovereenkomsten de bepalingen van onder meer art. 7:317, 7:318, 7:321 en 7:322 BW wel van toepassing zijn, maar die van art. 7:325 BW Pro niet.
subonderdeel II.1, dat zich richt tegen rechtsoverweging 2.6, is in het arrest van het hof van 4 december 2018 een
nieuwepachtovereenkomst vastgelegd, die te laat naar de grondkamer is gezonden. Indien we ervan uitgaan dat inderdaad bij het arrest van 4 december 2018 een nieuwe pachtovereenkomst is vastgelegd – in de zin van een pachtovereenkomst die eerder niet op schrift stond – zou het vervolg mijns inziens inderdaad zijn zoals [eiser] zich dat voorstelt. Die eerder niet op schrift staande overeenkomst is in 2015 aangegaan en is dus (veel) later dan binnen twee maanden naar de grondkamer ingezonden. Die inzending heeft eerst plaatsgevonden met toezending aan de grondkamer van het arrest van 4 december 2018.
vastgelegd?Het dictum van dat arrest zegt wat anders. Ik citeer:
in conventie
in reconventie
subonderdeel II.1wel uit waarom hij in het oordeel van de grondkamer leest dat met toezending van het arrest van 4 december 2018 een nieuwe pachtovereenkomst is ingezonden.
Subonderdeel II.2voegt daaraan nog toe dat de wet maar één toetsing kent en niet een afzonderlijke toetsing betreffende de prijs.
eindbeschikking niet op bedoeld voorlopig oordeel is teruggekomen (wat het hof in rechtsoverweging 2.7 overweegt, komt erop neer dat dit heeft plaatsgevonden): aan de beslissing van een grondkamer komt geen gezag van gewijsde toe, ook niet als die beslissing onherroepelijk is geworden. [17] Die beslissing heeft wel rechtskracht wat betreft hetgeen de grondkamer
binnen haar eigen beslisdomeinheeft beslist. Zo is de pachtprijs verlaagd conform wat de eindbeschikking van 1 november 2019 daaromtrent inhoudt. Dat is echter wat anders dan gezag van gewijsde. Gezag van gewijsde komt slechts toe aan een in kracht van gewijsde gegaan
vonnis, dus een beslissing van de rechter (art. 236 Rv Pro). In verband met art. 112 Grondwet Pro kan dat ook niet anders: zou met betrekking tot beslissingen van de grondkamer wel gezag van gewijsde worden aangenomen, dan zou dit ertoe leiden dat in ieder geval gedeeltelijk (namelijk wat betreft de kwestie waarop het gezag van gewijsde zou zien) de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en schuldvorderingen in strijd met art. 112 Grondwet Pro aan de rechterlijke macht zou worden onttrokken. [18] Anders dan de steller van het middel meent, was het hof dus niet gebonden aan het eventuele oordeel van de grondkamer dat bij het arrest van 4 december 2018 een nieuwe pachtovereenkomst was vastgelegd. Ook in zoverre treft het onderdeel geen doel.