Conclusie
Inleiding
Bewezenverklaring, bewijsoverweging en strafmotivering
Bewijsoverweging
hierna: [betrokkene 1]), haar 1 jaar en 9 maanden oude dochtertje [slachtoffer] omstreeks 11.30 uur in bed gelegd voor haar middagslaapje. Op dat moment waren verder in de woning aan de [a-straat] te [plaats] aanwezig: de verdachte, zijn tweejarige zoontje [betrokkene 2] en de acht jaar oude [betrokkene 3] (
de andere dochter van [betrokkene 1], hierna: [betrokkene 3]).
hierna: ZMC) te gaan. Zij had eerder die ochtend haar hand tegen de koelkast geslagen, waardoor zij pijn had aan haar rechter wijs- en middelvinger. Rond 14.00 uur heeft ook [betrokkene 3] de woning verlaten, om naar een feestje te gaan. Voordat [betrokkene 3] vertrok heeft ze [slachtoffer] nog een kusje gegeven in haar bedje. [slachtoffer] was op dat moment wakker.
arts en forensisch patholoog van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI). dr. V. Soerdjbalie-Maikoe(
hierna: Soerdjbalie-Maikoe) naar aanleiding van het onderzoek naar de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] een rapport uitgebracht. Uit dit rapport volgt dat er bij [slachtoffer] bij leven opgelopen traumatische letsels in het hoofd zijn vastgesteld, waaronder een breuk in het schedeldak links, een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies links met uitbreiding onder de zachte hersenvliezen, ernstige en uitgebreide traumatische beschadiging van de hersenen met een vrijwel volledige scheur van de structuur die de twee grote hersenhelften met elkaar verbindt (de hersenbalk) en uitgebreide traumatische beschadiging van zenuwceluitlopers van de hersenen en in de hersenstam en bloeduitstortingen in beide oogzenuwen. De bevindingen ten aanzien van de schedeldakbreuk links, de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, de vrijwel volledige scheur van de hersenbalk en uitgebreide traumatische beschadiging van zenuwceluitlopers van de hersenen en de bloeduitstortingen in de oogzenuwen en het netvlies van het linkeroog, passen bij dagen voor overlijden opgetreden letsels. Daarbij merkt Soerdjbalie-Maikoe op dat er een tijdsduur van vier dagen tussen het gemelde incident en het overlijden zit.
forensisch arts KNMG dr. H.G.T. Nijs(hierna:
Nijs), werkzaam bij het NFI, onderschrijft in zijn rapport van 11 juni 2020 de beschrijvingen, de duidingen en de datering van het schedelhersenletsel van [slachtoffer] zoals beschreven in voornoemd rapport van Soerdjbalie-Maikoe. Nijs voegt daaraan toe dat hij de geconstateerde vrijwel volledige scheur van de hersenbalk in de afgelopen 14 jaar dat hij werkzaam is in de forensische-pediatrie nog niet eerder heeft gezien.
waarschijnlijkeris onder de hypothese van niet-accidentele krachtsinwerking, dan onder de hypothese van accidentele krachtsinwerking.
Nijszijn conclusie toegelicht en ten aanzien van zijn waarschijnlijkheidsoordeel naar voren gebracht dat hij op basis van de literatuur is uitgekomen op een likelihood ratio van boven de 10, en dat valt in de NFI- bewijscategorie van "waarschijnlijker". De bewijswaarde ‘waarschijnlijker’ bij hypothesen van deze aard, heeft volgens Nijs in zaken waarbij het gaat om vermeende kindermishandeling een aanzienlijke bewijskracht.
forensisch patholoog dr. J. Fronczek, destijds werkzaam bij het NFI (
hierna: Fronczek) als deskundige gehoord. Geconfronteerd met een samenvatting van de verklaring van de verdachte heeft Fronczek uiteengezet dat meer feitelijke informatie nodig is om te kunnen beoordelen of het letsel al dan niet past bij de door de verdachte weergegeven toedracht. Zij onderschrijft wel de conclusie van Soerdjbalie-Maikoe dat het aangetroffen letsel bij [slachtoffer] niet past bij de beschreven toedracht van de verdachte, maar maakt daarbij het voorbehoud dat dat slechts geldt als vast is komen te staan dat er bij de val van de verdachte met [slachtoffer] sprake is geweest van een minimaal trauma met een minimale impact. Zij vond de omschrijving van de toedracht zoals die haar bekend was, meer in het bijzonder ten aanzien van de gegenereerde beginsnelheid bij de struikeling over het laminaat, te summier om deze conclusie te trekken. Als er sprake is van een groot hoogteverschil, een hoge beginsnelheid en een draaisnelheid zou zij niet tot die conclusie zijn gekomen. Wanneer er namelijk sprake zou zijn geweest van een val van een hoogte van 1,5 meter of meer en/of een hoge beginsnelheid en/of een krachtige draai, dan is er mogelijk sprake geweest van een meer complexe val die het vastgestelde hoogenergetische trauma kan hebben veroorzaakt.
Soerdjbalie-Maikoeheeft zich in haar aanvullend bericht van 15 februari 2021 op het standpunt gesteld dat het zeer onwaarschijnlijk lijkt dat de aangetroffen letsels bij [slachtoffer] worden verklaard door de handelingen in de verklaring door de verdachte ter zitting in eerste aanleg afgelegd. Om dergelijke ernstige letsels van [slachtoffer] te veroorzaken zouden complicerende factoren in de door de verdachte beschreven val, zoals een duidelijke beginsnelheid, een draaibeweging van het hoofd tijdens de impact en/of forse impact of compressie met of door de knie tegen [slachtoffer]’s hoofd, moeten hebben plaatsgevonden. Daarvan lijkt geen sprake te zijn geweest.
Nijsheeft in zijn aanvullend bericht van 23 april 2021 te kennen gegeven dat zijn bevindingen en conclusies zoals geformuleerd in zijn rapportage van 11 juni 2020 na kennisname van de door de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring, ongewijzigd blijven. De nadere verklaring van de verdachte bevat naar zijn oordeel geen enkele aanwijzing voor de benodigde omvang en soort van krachtsinwerkingen op het hoofd van [slachtoffer], in relatie tot het ontstaan van het vastgestelde schedelhersenletsel, gelet op de geringe aanvangssnelheid, geringe (circa 1 meter) doorgemaakte (val)afstand, het ontbreken van een substantiële draaicomponent en gelet op de beperkte ruimte en de opvang van zichzelf op een knie. Ten aanzien van zijn (reeds hiervoor uiteengezette) gegeven waarschijnlijkheidsoordeel merkt Nijs nog op dat de vastgestelde scheur in de hersenbalk op basis van de literatuurgegevens bij een kind van de leeftijd van [slachtoffer] als indicatief voor een niet-accidentele toedracht wordt beschouwd.
Het eerste en het tweede cassatiemiddel (bewijsklachten)
eerste middelbehelst de klacht dat het voorwaardelijk opzet niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. De steller van het middel neemt tot uitgangspunt dat het hof voor het bewijs van het voorwaardelijk opzet de verklaring van de deskundige Nijs (forensisch arts) en de zich daarbij aansluitende verklaring van de deskundige Fronczek redengevend heeft geacht.
oorzaakvan het letsel. In dat verband heeft het hof ook de verklaring van de deskundige Fronczek erbij betrokken. Mede op basis van hun bevindingen en waarschijnlijkheidsoordeel, is het hof tot de conclusie gekomen dat het letsel een niet-accidentele oorzaak heeft.
gevolgvan hetgeen is voorgevallen. Dat gevolg is de dood van het slachtoffer. De deskundigen Nijs en Fronczek hebben zich dáárover niet uitgelaten. Hun waarschijnlijkheidsoordeel kan dus niet bij het oordeel over het voorwaardelijk opzet bij de verdachte worden betrokken. Dat heeft het hof ook niet gedaan. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
tweede middelhoudt (zonder nadere toelichting) in dat het arrest innerlijk tegenstrijdige beslissingen bevat. De bewijsoverweging van het hof die inhoudt dat het letsel bij leven is ontstaan door een hevige stomp (botsende) gewelds(krachts)inwerking op het hoofd van [slachtoffer] en dat het hof uitsluit dat sprake is geweest van een meer complexe val die het benodigde hoogenergetische trauma kan hebben veroorzaakt, [4] zou niet te rijmen zijn met de bewezenverklaring voor zover deze de mogelijkheid inhoudt dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door haar te laten vallen.
Het derde cassatiemiddel (aanvulling verkort arrest onvolledig)
bevestigingvan de desbetreffende bevindingen en conclusies in de deskundigenverslagen van Soerdjbalie-Maikoe (bewijsmiddelen 11 en 13) en Nijs (bewijsmiddelen 12 en 14). Het betreft daarmee niet nieuwe, nog niet in de bewijsmiddelen voorkomende feiten of omstandigheden. Dat het hof in de bewijsoverweging is ingegaan op de verklaringen van Fronczek zie ik dan ook vooral in de context van het verweer van de verdediging waar uitgebreid is ingegaan op de verklaring van Fronczek en haar in hoger beroep bijgestelde opvatting, en het weergeven van het complete overzicht van de bevindingen van de deskundigen. Daar komt nog bij dat het zonder meer duidelijk is dat het hof heeft gedoeld op de door de deskundige Fronczek ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, zodat de klacht ook om die reden niet tot cassatie kan leiden. [7]
Het vierde cassatiemiddel (ontbreken beslissing op betrouwbaarheidsverweer)
De deskundigen
De ernst van de krachtsinwerking (‘impact velocity’) maakt dus het verschil, niet een hoge beginsnelheid of draaisnelheid (...).
‘Om dergelijke ernstige letsels te veroorzaken zouden complicerende factoren in bovengeschreven val, zoals een duidelijk beginsnelheid, een draaibeweging van het hoofd tijdens de impact en/of forse impact of compressie met of door de knie tegen [slachtoffer]’s hoofd hebben moeten plaatsvinden (...).
‘In de bijlage vindt u literatuur van Chadwick en Plunkett waarin de zeldzaamheid van overlijden aan valpartijen van lage hoogte wordt aangetoond. Chadwick vond 6 overlijdens van kinderen die mogelijk gerelateerd waren aan valpartijen onder de 1,5 meter in een periode van 5 jaar. Plunkett beschrijft 18 overleden kinderen in een periode van ruim 11 jaar na een val in/van een speeltoestel (..)’.
Het vijfde middel (ontoereikend gemotiveerde verwerping van het strafmaatverweer)
Slotsom