ECLI:NL:PHR:2024:543

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 mei 2024
Publicatiedatum
16 mei 2024
Zaaknummer
23/00259
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 6 EVRMArt. 4 Penitentiaire beginselenwetArt. 6:2:10 Wetboek van StrafvorderingArt. 338 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor doodslag op 1 jaar en 9 maanden oud meisje door hevige geweldsinwerking op het hoofd

Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens doodslag op het 1 jaar en 9 maanden oude meisje [slachtoffer]. Het hof stelde vast dat het fatale schedelhersenletsel van het meisje op 14 september 2019 is ontstaan door hevige stompgeweldsinwerking op haar hoofd, veroorzaakt door verdachte toen hij als enige volwassene met haar was.

Deskundigen van het Nederlands Forensisch Instituut concludeerden dat het letsel niet kon zijn veroorzaakt door de door verdachte beschreven val, maar alleen door een zeer forse krachtsinwerking die niet accidenteel was. De verklaring van verdachte over een struikelval met het kind op zijn arm kon het hoogenergetische trauma niet verklaren.

Het hof oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het kind zou overlijden door het toepassen van het geweld, waarmee voorwaardelijk opzet op de dood is vastgesteld. De rechtbank had verdachte vrijgesproken, maar het hof veroordeelde hem. Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de gezinssituatie van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de straf werd vastgesteld op vier jaar gevangenisstraf.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens doodslag met voorwaardelijk opzet op het overlijden van het meisje.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00259
Zitting21 mei 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte
I.
Inleiding
Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 24 januari 2023 wegens primair “doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van het voorarrest.
Namens de verdachte heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld.
II.
Bewezenverklaring, bewijsoverweging en strafmotivering
3. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat (primair):
“hij in de periode van 14 september 2019 tot en met 18 september 2019 te [plaats], [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2017) opzettelijk van het leven heeft beroofd, door
- die [slachtoffer] (met kracht) (op haar hoofd) te gooien en/of te laten vallen en/of
- die [slachtoffer] (met kracht) met haar hoofd in aanraking te brengen met een(harde) ondergrond en/of
- anderszins hevige stomp (botsende) gewelds(krachts)inwerking en/of impact met contactletsel op het hoofd van die [slachtoffer] toe te passen,
ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op 18 september 2019 is overleden.”
4. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:

Bewijsoverweging
[…]
Oordeel van het hof
Feiten en omstandigheden
In de ochtend van 14 september 2019 heeft de vriendin van de verdachte, [betrokkene 1] (
hierna: [betrokkene 1]), haar 1 jaar en 9 maanden oude dochtertje [slachtoffer] omstreeks 11.30 uur in bed gelegd voor haar middagslaapje. Op dat moment waren verder in de woning aan de [a-straat] te [plaats] aanwezig: de verdachte, zijn tweejarige zoontje [betrokkene 2] en de acht jaar oude [betrokkene 3] (
de andere dochter van [betrokkene 1], hierna: [betrokkene 3]).
[betrokkene 1] heeft de woning vervolgens rond 12.38 uur verlaten om naar de huisartsenpost van het Zaans Medisch Centrum (
hierna: ZMC) te gaan. Zij had eerder die ochtend haar hand tegen de koelkast geslagen, waardoor zij pijn had aan haar rechter wijs- en middelvinger. Rond 14.00 uur heeft ook [betrokkene 3] de woning verlaten, om naar een feestje te gaan. Voordat [betrokkene 3] vertrok heeft ze [slachtoffer] nog een kusje gegeven in haar bedje. [slachtoffer] was op dat moment wakker.
Om 14.32 uur meldde de verdachte zich bij de huisartsenpost van het ZMC met de bewusteloze [slachtoffer] in zijn armen. Omdat [slachtoffer] in comateuze toestand bleek te verkeren is zij met spoed overgebracht naar het Amsterdam UMC ziekenhuis (hierna: UMC). Aldaar bleek [slachtoffer] zeer ernstig (schedel)hersenletsel te hebben opgelopen. De behandelend artsen van [slachtoffer] in het UMC vonden het bij haar geconstateerde letsel niet zonder meer passend bij de toedracht zoals gerapporteerd door de verdachte, waarna er een onderzoek is gestart. Op 18 september 2019 is [slachtoffer] in het UMC overleden.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte het bij [slachtoffer] geconstateerde (schedel)hersenletsel heeft veroorzaakt. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, zal het hof zich moet buigen over de vraag of de verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer], op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel of op het toebrengen van letsel of dat het ontstaan van het letsel aan zijn schuld te wijten is.
Wat is de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer]?
Op 22 mei 2020 heeft de
arts en forensisch patholoog van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI). dr. V. Soerdjbalie-Maikoe(
hierna: Soerdjbalie-Maikoe) naar aanleiding van het onderzoek naar de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] een rapport uitgebracht. Uit dit rapport volgt dat er bij [slachtoffer] bij leven opgelopen traumatische letsels in het hoofd zijn vastgesteld, waaronder een breuk in het schedeldak links, een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies links met uitbreiding onder de zachte hersenvliezen, ernstige en uitgebreide traumatische beschadiging van de hersenen met een vrijwel volledige scheur van de structuur die de twee grote hersenhelften met elkaar verbindt (de hersenbalk) en uitgebreide traumatische beschadiging van zenuwceluitlopers van de hersenen en in de hersenstam en bloeduitstortingen in beide oogzenuwen. De bevindingen ten aanzien van de schedeldakbreuk links, de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, de vrijwel volledige scheur van de hersenbalk en uitgebreide traumatische beschadiging van zenuwceluitlopers van de hersenen en de bloeduitstortingen in de oogzenuwen en het netvlies van het linkeroog, passen bij dagen voor overlijden opgetreden letsels. Daarbij merkt Soerdjbalie-Maikoe op dat er een tijdsduur van vier dagen tussen het gemelde incident en het overlijden zit.
Naar het oordeel van Soerdjbalie-Maikoe is er geen ziekelijke oorzaak voor het ontstaan van dit ernstig traumatisch hoofdletsel en kan het intreden van de dood van [slachtoffer] worden verklaard door verwikkelingen van bovengenoemd ernstig traumatisch hoofdletsel. Ook werd er bij [slachtoffer] een lineaire breuk in het schedeldak rechts achterwaarts vastgesteld die van oudere datum was, namelijk van tenminste meerdere weken voor het overlijden. Dit letsel heeft niet bijgedragen aan het overlijden.
Wanneer is het fatale letsel van [slachtoffer] ontstaan?
Zoals reeds beschreven heeft de deskundige Soerdjbalie-Maikoe geconcludeerd dat het fatale letsel dagen voor het overlijden van [slachtoffer] is ontstaan. Op 14 september 2019 is [slachtoffer] met ernstig hersenletsel naar het ziekenhuis gebracht en op 18 september 2019 is [slachtoffer] aan dit letsel overleden.
Uit de verklaringen in het dossier van [betrokkene 1], [betrokkene 3] en de oma van [slachtoffer] en [betrokkene 3], [betrokkene 4], volgt dat [slachtoffer] in de ochtend van 14 september 2019 nog wakker was en normaal functioneerde. Zo hebben er tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 3] om 11.15 uur en 11.24 uur (video)gesprekken via Whatsapp plaatsgevonden, waarbij [betrokkene 4] heeft gezien dat [slachtoffer] nog in orde was. [slachtoffer] liep nog en sprong op de bank. Voorts heeft [betrokkene 3] [slachtoffer], voordat zij om 14.00 uur vertrok naar een feestje, nog een afscheidskusje gegeven. [slachtoffer] was toen wakker volgens [betrokkene 3]. Vanaf het moment van vertrek van [betrokkene 3] was de verdachte, zo blijkt ook uit zijn eigen verklaring, als enige volwassene alleen met [slachtoffer].
Om 14.32 uur arriveerde de verdachte in het ZMC met de dan bewusteloze [slachtoffer].
Het hof stelt vast dat [slachtoffer] vóór 14.00 uur, het tijdstip waarop enkel nog de verdachte bij [slachtoffer] aanwezig was, normaal functioneerde. Het letsel moet derhalve op 14 september 2019 na 14.00 uur zijn ontstaan.
Tussenconclusie: [slachtoffer] is als gevolg van verwikkelingen van traumatisch letsel in haar hoofd overleden. Dit fatale letsel moet zijn ontstaan op 14 september 2019 tussen 14.00 uur en 14.32 uur, de periode waarin de verdachte (als enige volwassene) alleen met [slachtoffer] was.
Verklaring van de verdachte
De verdachte heeft bij de politie en op de terechtzitting in eerste aanleg samengevat verklaard dat hij, nadat [betrokkene 3] omstreeks 14.00 uur de woning had verlaten, [slachtoffer] uit bed heeft gehaald en met haar naar de overloop is gelopen. [slachtoffer] zat daarbij op zijn linkerarm met haar gezicht naar hem toe. Hij liep in een rustig tempo. Op de overloop stond een kast die hij zijdelings lopend moest passeren, vanwege de smalle doorgang, Op de vloer van de overloop lag, direct buiten de kamer van [slachtoffer], gedeeltelijk geen laminaat. De verdachte liep daar op de betonnen vloer. Ter hoogte van het uiteinde van de kast op de overloop lag wel laminaat met daaronder een licht uitstekende ondervloer. De verdachte is hier met zijn voet achter blijven haken en gestruikeld. Hij probeerde zich nog vast te pakken aan de kast op de overloop maar greep mis en viel. De verdachte had [slachtoffer] op dat moment nog steeds op zijn arm en hij hoorde haar hoofd tegen de muur aankomen. Hij kwam met de bovenkant van zijn borst tegen [slachtoffer] aan en hij is met zijn knie op de grond terechtgekomen. Hierna begon [slachtoffer] te huilen en de verdachte heeft vervolgens haar gezicht met koud water gewassen en is toen met haar naar beneden gegaan en heeft haar op de bank gezet. Vrij snel daarna verloor [slachtoffer] het bewustzijn en maakte zij een snurkend geluid, waarna de verdachte met haar naar het ziekenhuis is gegaan.
De bevindingen van de deskundigen
Soerdjbalie-Maikoe heeft in haar rapport van 22 mei 2020 geconcludeerd dat de letsels van [slachtoffer] niet het gevolg zijn van een reanimatie- of ziekelijke oorzaak of een geboortetrauma. De letsels (en verwikkelingen daarvan) zijn bij leven ontstaan door een hevige stomp (botsende) gewelds(krachts)inwerking. Anders gezegd: de letsels zijn ontstaan door impact met contactletsel op het hoofd van [slachtoffer]. Dat kan (maar hoeft niet) gepaard te zijn gegaan met een schudcomponent. Volgens Soerdjbalie-Maikoe kan de wijze van ontstaan van dit letsel accidenteel, dus een ongeval, zijn geweest. Er zou dan sprake geweest moeten zijn van een energetisch trauma met hevige krachtsinwerking, zoals bijvoorbeeld een val van grote (hoger dan circa 1,5 meter) hoogte of een transportongeval.
Het letsel kan ook niet-accidenteel zijn ontstaan, anders gezegd: het betreft dan toegebracht letsel ("Abusive Head Trauma). Dit kan ontstaan door bijvoorbeeld hevig te slaan op het hoofd (al of niet met of tegen structuren), hevig stompen met het hoofd tegen structuren en/of het hevig gooien van het kind tegen een harde structuur. Bij beide ontstaanswijzen (accidenteel of niet-accidenteel) moet in ieder geval sprake zijn geweest van een hevige krachtsinwerking op het hoofd van [slachtoffer].
Soerdjbalie-Maikoe merkt daarbij allereerst op dat uit een recente studie is gebleken dat bloeduitstortingen in oogzenuwen — zoals aangetroffen bij [slachtoffer] — vaker voorkomen bij toegebracht hoofdtrauma, dan bij accidentele gevallen van hoofdtrauma.
Voorts stelt zij dat het letsel van [slachtoffer] niet kan worden verklaard door de zogenoemde “simpele ‘huis-tuin-en keuken ongevallen”. Een val van een kleine hoogte - te denken valt dan aan een val van een hoogte van lager dan 1,5 meter hoogte - is onvoldoende om de ernstige en fataal verlopende letsels bij [slachtoffer] te verklaren. Zij komt vervolgens tot haar conclusie dat de door de verdachte gegeven toedracht de letsels die tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid niet kan verklaren, omdat daaruit geen hevige krachtsinwerking valt af te leiden. Dit geldt zowel voor het tegen de muur vallen met [slachtoffer] waarbij haar achterhoofd de muur zou hebben geraakt als bij het vallen van de verdachte tegen [slachtoffer] aan.
De
forensisch arts KNMG dr. H.G.T. Nijs(hierna:
Nijs), werkzaam bij het NFI, onderschrijft in zijn rapport van 11 juni 2020 de beschrijvingen, de duidingen en de datering van het schedelhersenletsel van [slachtoffer] zoals beschreven in voornoemd rapport van Soerdjbalie-Maikoe. Nijs voegt daaraan toe dat hij de geconstateerde vrijwel volledige scheur van de hersenbalk in de afgelopen 14 jaar dat hij werkzaam is in de forensische-pediatrie nog niet eerder heeft gezien.
De geconstateerde letsels wijzen volgens Nijs op grote doorgemaakte krachtsinwerkingen op het hoofd met onder meer ‘shearing forces’ (afschuifkrachten) en ook ‘rotational forces’ (krachten met draaimoment) inwendig in de hersenen. Hij onderschrijft de conclusie van Soerdjbalie-Maikoe dat de fatale letsels niet passen bij de door de verdachte gegeven accidentele oorzaak: het struikelen en na een beperkte (val)afstand met het (achter)hoofd van [slachtoffer] tegen een muur aankomen, als een vorm van ‘crush injury’. De daarbij optredende krachtsinwerking is volgens Nijs onvoldoende voor het ontstaan van het vastgestelde ernstige schedelhersenletsel. Een val of een worp van de trap, met een aanzienlijk doorgemaakt hoogteverlies kan volgens Nijs wel een mogelijke oorzaak zijn voor het ontstaan van het fataal belopen schedelhersenletsel.
Nijs komt op basis van de literatuur en zijn kennis en ervaring tot de in Bayesiaanse termen geformuleerde conclusie dat het aantreffen van het schedelhersenletsel bij [slachtoffer] op 14 september 2019 (10 tot 100 keer)
waarschijnlijkeris onder de hypothese van niet-accidentele krachtsinwerking, dan onder de hypothese van accidentele krachtsinwerking.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft
Nijszijn conclusie toegelicht en ten aanzien van zijn waarschijnlijkheidsoordeel naar voren gebracht dat hij op basis van de literatuur is uitgekomen op een likelihood ratio van boven de 10, en dat valt in de NFI- bewijscategorie van "waarschijnlijker". De bewijswaarde ‘waarschijnlijker’ bij hypothesen van deze aard, heeft volgens Nijs in zaken waarbij het gaat om vermeende kindermishandeling een aanzienlijke bewijskracht.
Ter zitting in eerste aanleg is, in de plaats van haar toenmalige collega dr. V. Soerdjbalie-Maikoe,
forensisch patholoog dr. J. Fronczek, destijds werkzaam bij het NFI (
hierna: Fronczek) als deskundige gehoord. Geconfronteerd met een samenvatting van de verklaring van de verdachte heeft Fronczek uiteengezet dat meer feitelijke informatie nodig is om te kunnen beoordelen of het letsel al dan niet past bij de door de verdachte weergegeven toedracht. Zij onderschrijft wel de conclusie van Soerdjbalie-Maikoe dat het aangetroffen letsel bij [slachtoffer] niet past bij de beschreven toedracht van de verdachte, maar maakt daarbij het voorbehoud dat dat slechts geldt als vast is komen te staan dat er bij de val van de verdachte met [slachtoffer] sprake is geweest van een minimaal trauma met een minimale impact. Zij vond de omschrijving van de toedracht zoals die haar bekend was, meer in het bijzonder ten aanzien van de gegenereerde beginsnelheid bij de struikeling over het laminaat, te summier om deze conclusie te trekken. Als er sprake is van een groot hoogteverschil, een hoge beginsnelheid en een draaisnelheid zou zij niet tot die conclusie zijn gekomen. Wanneer er namelijk sprake zou zijn geweest van een val van een hoogte van 1,5 meter of meer en/of een hoge beginsnelheid en/of een krachtige draai, dan is er mogelijk sprake geweest van een meer complexe val die het vastgestelde hoogenergetische trauma kan hebben veroorzaakt.
Fronczek sloot zich wel aan bij het waarschijnlijkheidsoordeel van Nijs, dat het aantreffen van het letsel bij [slachtoffer] waarschijnlijker is wanneer er sprake is van niet-accidentele krachtsinwerking (dat het letsel is toegebracht) dan wanneer er sprake is van accidentele krachtsinwerking (dat het letsel niet is toegebracht).
Nijsheeft ter terechtzitting in eerste aanleg onderschreven dat bij de beoordeling of sprake is van een hoogenergetisch trauma de door Fronczek genoemde componenten (kort gezegd; valhoogte, beginsnelheid en draaisnelheid) van invloed kunnen zijn, maar dat hij evenwel geen elementen in de verklaring van de verdachte ziet die aanleiding geven tot een andere conclusie dan dat van een simpele val sprake is geweest.
Soerdjbalie-Maikoe, Nijs en Fronczek zijn het met elkaar eens dat er sprake moet zijn geweest van een zeer forse krachtsinwerking.
De rare draai
De verdachteheeft ter terechtzitting in eerste aanleg op 8 juli 2020, nadat de deskundigen Nijs en Fronczek de zittingszaal hadden verlaten, aan zijn verklaring toegevoegd dat hij, toen hij naar de kast greep, naar zijn mening een rare draai heeft gemaakt. Het hof merkt op dat de verdachte eerder enkel verklaarde over het zijdelings passeren van de kast. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij niet meer weet hoe die rare draai precies ging.
De deskundigen Soerdjbalie-Maikoe en Nijs hebben voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep op verzoek van de advocaat-generaal schriftelijk gereageerd op deze verklaring van de verdachte, waaraan het element van de ‘rare draai’ is toegevoegd.
Soerdjbalie-Maikoeheeft zich in haar aanvullend bericht van 15 februari 2021 op het standpunt gesteld dat het zeer onwaarschijnlijk lijkt dat de aangetroffen letsels bij [slachtoffer] worden verklaard door de handelingen in de verklaring door de verdachte ter zitting in eerste aanleg afgelegd. Om dergelijke ernstige letsels van [slachtoffer] te veroorzaken zouden complicerende factoren in de door de verdachte beschreven val, zoals een duidelijke beginsnelheid, een draaibeweging van het hoofd tijdens de impact en/of forse impact of compressie met of door de knie tegen [slachtoffer]’s hoofd, moeten hebben plaatsgevonden. Daarvan lijkt geen sprake te zijn geweest.
Nijsheeft in zijn aanvullend bericht van 23 april 2021 te kennen gegeven dat zijn bevindingen en conclusies zoals geformuleerd in zijn rapportage van 11 juni 2020 na kennisname van de door de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring, ongewijzigd blijven. De nadere verklaring van de verdachte bevat naar zijn oordeel geen enkele aanwijzing voor de benodigde omvang en soort van krachtsinwerkingen op het hoofd van [slachtoffer], in relatie tot het ontstaan van het vastgestelde schedelhersenletsel, gelet op de geringe aanvangssnelheid, geringe (circa 1 meter) doorgemaakte (val)afstand, het ontbreken van een substantiële draaicomponent en gelet op de beperkte ruimte en de opvang van zichzelf op een knie. Ten aanzien van zijn (reeds hiervoor uiteengezette) gegeven waarschijnlijkheidsoordeel merkt Nijs nog op dat de vastgestelde scheur in de hersenbalk op basis van de literatuurgegevens bij een kind van de leeftijd van [slachtoffer] als indicatief voor een niet-accidentele toedracht wordt beschouwd.
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn - met name gelet op het door Fronczek op de terechtzitting in eerste aanleg gemaakte voorbehoud en de daarop volgende verklaring van de verdachte omtrent de ‘rare draai’ - zowel Nijs, thans nog werkzaam als forensisch arts KNMG bij het NFI, Soerdjbalie-Maikoe, thans niet meer verbonden aan het NFI maar nog wel werkzaam als forensisch patholoog te Antwerpen en Fronczek, eveneens niet meer verbonden aan het NFI maar werkzaam als forensisch patholoog in Melbourne, gehoord als deskundigen.
De deskundigen Soerdjbalie-Maikoe en Nijs bleven ter terechtzitting in hoger beroep bij hun eerdere bevindingen en de conclusie dat de toedracht zoals door de verdachte geschetst niet past bij het letsel van [slachtoffer].
Fronczekis in haar verklaring ter terechtzitting in hoger beroep teruggekomen op het door haar in eerste aanleg gemaakte voorbehoud. Zij heeft toegelicht dat zij ten tijde van haar verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg beschikte over beperkte informatie omtrent de beschrijving van het incident. Zij beschikte niet over informatie omtrent de afmetingen in de woning en de foto’s daarvan, zodat zij de elementen van een complexe val (hoge beginsnelheid, de hoge draaisnelheid of de valhoogte van meer dan 1,5 meter) niet categorisch kon uitsluiten. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft zij kennis kunnen nemen van de foto’s en de plattegrond en de afmetingen van de ruimte waarin de verdachte zich bevond ten tijde van de val en in overeenstemming met de deskundigen Nijs en Soerdjbalie-Maikoe stelt zij zich op het standpunt dat zij het door de verdachte beschreven scenario niet als verklaring voor het letsel van [slachtoffer] kan zien.
Virtuele schouw
Op de terechtzittingen van 20 december 2021 en 19 april 2022 in hoger beroep heeft er een virtuele schouw plaatsgevonden. Op deze terechtzittingen hebben alle procespartijen met behulp van een VR-bril kunnen zien hoe de bovenverdieping van de woning aan de [a-straat] te [plaats] er van binnen uitzag en wat de afstand was die de verdachte met [slachtoffer] moet hebben afgelegd van de kamer van [slachtoffer] naar de muur waartegen zij, ingevolge zijn verklaring, aan zijn gevallen. Het hof heeft tijdens de virtuele schouw kunnen waarnemen en gemeten dat de ruimte waarin de verdachte met [slachtoffer] zegt te zijn gevallen zeer krap was, en dat de afstand van de plek waar hij struikelde tot aan de muur minder dan één meter betrof. De virtuele schouw is een aanvulling op de 3D-foto’s en de plattegronden met afmetingen in het dossier.
Tussenconclusie: de verdachte heeft hel letsel van [slachtoffer] toegebracht (niet-accidenleel trauma)
Het hof stelt vast dat het fatale letsel van [slachtoffer] niet het gevolg is van een geboortetrauma en geen medische oorzaak heeft. Het letsel is bij leven ontstaan door een hevige stomp (botsende) gewelds(krachts)inwerking op het hoofd van [slachtoffer]. Het hof komt op basis van de conclusies van de deskundigen en de bevindingen van de virtuele schouw tot de conclusie dat de door de verdachte gegeven toedracht de letsels die tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid niet kunnen verklaren, omdat daaruit geen hevige krachtsinwerking valt af te leiden. Op basis van de verklaring van de verdachte en de door het hof bij de schouw waargenomen beperkte ruimte waarin de door de verdachte beschreven val zou hebben plaatsgevonden, sluit het hof uit dat er sprake is geweest van een meer complexe val die het benodigde hoogenergetische trauma kan hebben veroorzaakt. De verklaring van de verdachte dat er sprake is geweest van een accidentele toedracht, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk. Daarnaast concludeert forensisch arts Nijs: het aantreffen van het schedelhersenletsel bij [slachtoffer] op 14 september 2019 is waarschijnlijker wanneer er sprake is van niet-accidentele krachtsinwerking, dan wanneer er sprake is van accidentele krachtsinwerking, dat het letsel niet is toegebracht.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat er sprake is van niet-accidenteel, en dus toegebracht hersenletsel. Zoals reeds is vastgesteld is het letsel van [slachtoffer] ontstaan op 14 september 2019 na 14.00 uur, toen de verdachte (als enige volwassene) alleen met [slachtoffer] was. Bij deze stand van zaken komt het hof tot de conclusie dat het fatale schedelhersenletsel van [slachtoffer] (anders dan accidenteel) is toebracht door de verdachte op 14 september 2019.
Oordeel hof ten aanzien van het opzet van de verdachte
Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat het de verdachte is geweest die het fatale letsel van [slachtoffer] heeft veroorzaakt. Het hof ziet zich thans voor de vraag gesteld of de verdachte het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van [slachtoffer].
Het hof stelt voorop dat niet is gebleken dat de verdachte vol opzet had op de dood van [slachtoffer].
Volgens vaste jurisprudentie is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens (bewust) heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal intreden. Of de gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal dan moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de bij [slachtoffer] geconstateerde letsels en de conclusies van de deskundigen, voldoende is komen vast te staan dat de verdachte op 14 september 2019 het dodelijk letsel bij [slachtoffer] heeft toegebracht door in ieder geval een hevige stomp(botsende) gewelds(krachts)inwerking op haar hoofd toe te passen. [slachtoffer] was op dat moment 1 jaar en 9 maanden oud.
De kans dat een kindje van 1 jaar en 9 maanden overlijdt als gevolg van dergelijke zeer fors impacttrauma aan het hoofd is naar algemene maatstaven aanmerkelijk te noemen. Dit mag bij een ieder, en dus ook bij de verdachte, bekend worden verondersteld.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm - behoudens contra-indicaties waarvan niet is gebleken - zozeer gericht zijn op de dood van [slachtoffer] dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zou intreden.
[…]
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft bepleit dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf desastreuze gevolgen zou hebben voor de verdachte en het gezin van de verdachte. De verdachte en [betrokkene 1] hebben inmiddels samen een zoontje en vormen een samengesteld gezin. [betrokkene 1] heeft een gecompliceerde hernia opgelopen waardoor zij rolstoelafhankelijk is. De verdachte is op dit moment als vader en kostwinner een onmisbare steunpilaar voor zijn gezin. Tot slot heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en met het feit dat de verdachte het gevolg nooit heeft gewild.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de doodslag van [slachtoffer], het dochtertje van zijn vriendin. De verdachte heeft hevig geweld toegepast op het hoofd van [slachtoffer], welk geweld haar uiteindelijk fataal is geworden. [slachtoffer] is een paar dagen na het bewezenverklaarde feit ten gevolge van het opgelopen schedelhersenletsel in het ziekenhuis overleden. [slachtoffer] is een jaar en negen maanden oud geworden.
Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor wat hij heeft aangericht, aangezien hij heeft volhard in zijn stelling dat [slachtoffer] als gevolg van een ongelukkige val is overleden.
Dat het handelen van de verdachte heeft geleid tot de dood van het jonge meisje, dat nog haar hele leven voor zich had, is diep triest. De biologische ouders van [slachtoffer] en verdere nabestaanden zullen altijd met dit grote verlies geconfronteerd blijven.
Gelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Uit het oogpunt van vergelding zou, vanwege de ernst van het feit, een langere gevangenisstraf, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, op zijn plaats zijn. In dit geval acht het hof dat echter niet opportuun. Uit het dossier volgt het algemene beeld dat de verdachte betrokken is bij zijn huidige gezin. Door de gewijzigde gezinssituatie en de medische toestand van [betrokkene 1] draagt hij niet alleen de zorgen voor hun kinderen, maar ook voor [betrokkene 1] zelf. Voorts is hij de kostwinnaar van het gezin. Het hof weegt dit in strafmatigende zin mee. Bij de strafbepaling heeft het hof eveneens in aanmerking genomen dat de verdachte verder zal moeten leven met het feit dat [slachtoffer] door zijn toedoen is overleden.
Het hof stelt voorts vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden in hoger beroep is geschonden. Het hof gaat uit van een redelijke termijn van twee jaren in hoger beroep. Die termijn is aangevangen op 3 augustus 2020, toen door het openbaar ministerie hoger beroep is ingesteld. Dit arrest wordt gewezen op 24 januari 2023. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee met bijna 6 maanden overschreden. Het hof rekent de duur van dit procesverloop niet toe aan de verdediging en zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafoplegging.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 november 2021 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld tot geldboetes.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.”
III.
Het eerste en het tweede cassatiemiddel (bewijsklachten)
5. Het
eerste middelbehelst de klacht dat het voorwaardelijk opzet niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. De steller van het middel neemt tot uitgangspunt dat het hof voor het bewijs van het voorwaardelijk opzet de verklaring van de deskundige Nijs (forensisch arts) en de zich daarbij aansluitende verklaring van de deskundige Fronczek redengevend heeft geacht.
6. Het Hof heeft echter de door de steller van het middel bedoelde verklaring van de deskundige Nijs aangehaald voor zover deze zich heeft uitgelaten over de
oorzaakvan het letsel. In dat verband heeft het hof ook de verklaring van de deskundige Fronczek erbij betrokken. Mede op basis van hun bevindingen en waarschijnlijkheidsoordeel, is het hof tot de conclusie gekomen dat het letsel een niet-accidentele oorzaak heeft.
7. Het oordeel van het hof over het voorwaardelijk opzet betreft iets anders, namelijk de vraag of de verdachte dit opzet heeft gehad op het
gevolgvan hetgeen is voorgevallen. Dat gevolg is de dood van het slachtoffer. De deskundigen Nijs en Fronczek hebben zich dáárover niet uitgelaten. Hun waarschijnlijkheidsoordeel kan dus niet bij het oordeel over het voorwaardelijk opzet bij de verdachte worden betrokken. Dat heeft het hof ook niet gedaan. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
8. De steller van het middel brengt nog naar voren dat ook als uit de gebezigde bewijsmiddelen zou volgen dat de verdachte het fatale letsel heeft veroorzaakt, dan nog uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte wist dat hij dit hiervoor omschreven letsel veroorzaakte. [1] Aangevoerd wordt dat hoe gecompliceerder medisch gezien de aanmerkelijke kans is, des te minder ruimte er is om ‘in het kader van het genoegen nemen met globaal opzet en het in het kader daarvan wegplamuren van onzekerheden’ voorwaardelijk opzet bij de verdachte aan te nemen. [2] Doordat volgens de steller van het middel de grootte van de kans en de bewuste aanvaarding dan in elkaar overvloeien, vindt in zo’n situatie een verkapte toerekening plaats onder de vlag van het voorwaardelijk opzet en dat is wat het hof ten onrechte zou hebben gedaan.
9. Daarin kan ik de steller van het middel niet volgen. Allereerst zij opgemerkt dat het hof hier het juiste rechtskader inzake voorwaardelijk opzet heeft toegepast. [3] Voorts is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat de verdachte het dodelijk letsel bij [slachtoffer] heeft toegebracht “door in ieder geval een hevig stomp(botsende) gewelds(krachts)inwerking op haar hoofd toe te passen”. Het daaropvolgende oordeel van het hof dat de “kans dat een kindje van 1 jaar en 9 maanden overlijdt als gevolg van dergelijke zeer fors impacttrauma aan het hoofd naar algemene maatstaven aanmerkelijk [is] te noemen” en dat dit bij een ieder, en dus ook bij de verdachte, bekend mag worden verondersteld, acht ik in deze zaak niet onbegrijpelijk. De, in de bevindingen van de deskundigen gefundeerde, vaststelling van het hof dat het letsel een niet-accidentele toedracht heeft, ligt in een geval als het onderhavige dicht aan tegen het juridisch oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. In dat licht bezien is het oordeel van het hof dat de verdachte met dit voorwaardelijk opzet heeft gehandeld, ook voldoende gemotiveerd.
10. Voor zover de steller van het middel er nog op wijst dat de onmiddellijke gang naar het ziekenhuis een contra-indicatie voor dat opzet is, merk ik op dat deze handeling niet voor, maar na het feit plaatsvond en dus aan het aannemen van het voorwaardelijk opzet niet in de weg staat.
11. Het eerste middel faalt.
12. Het
tweede middelhoudt (zonder nadere toelichting) in dat het arrest innerlijk tegenstrijdige beslissingen bevat. De bewijsoverweging van het hof die inhoudt dat het letsel bij leven is ontstaan door een hevige stomp (botsende) gewelds(krachts)inwerking op het hoofd van [slachtoffer] en dat het hof uitsluit dat sprake is geweest van een meer complexe val die het benodigde hoogenergetische trauma kan hebben veroorzaakt, [4] zou niet te rijmen zijn met de bewezenverklaring voor zover deze de mogelijkheid inhoudt dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door haar te laten vallen.
13. Dit middel berust mijns inziens op een verkeerde lezing van het arrest. De overweging over de complexiteit van de val heeft immers betrekking op de val zoals door de verdachte in diens verklaring beschreven; hij zou over het laminaat zijn gestruikeld en daarbij met [slachtoffer] tegen de muur op de overloop zijn gevallen. Het arrest moet echter aldus worden gelezen, dat deze door de verdachte beschreven val niet complex genoeg is geweest om het letsel van het slachtoffer te (kunnen) verklaren.
14. Het tweede middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
IV.
Het derde cassatiemiddel (aanvulling verkort arrest onvolledig)
15. Met het derde middel wordt geklaagd dat de in eerste aanleg en hoger beroep ter terechtzitting afgelegde verklaringen van forensisch patholoog J. Fronczek ontbreken in de “aanvulling verkort arrest”. Zulks ten onrechte, volgens de steller van het middel, omdat de verklaringen wel bij de bewezenverklaring zijn betrokken en de in de verklaringen opgenomen feiten en omstandigheden, althans een substantieel en belangrijk onderdeel met betrekking tot het waarschijnlijkheidsoordeel van de deskundige Nijs, redengevend zijn geacht voor de bewezenverklaring en dus in de aanvulling hadden moeten worden verantwoord.
16. Volgens vaste rechtspraak is vereist dat de rechter met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn bewijsoverweging (a) de redengevende feiten en omstandigheden aanduidt en (b) het wettige bewijsmiddel aangeeft waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend. [5]
17. In de bewijsoverweging wijst het hof onder het hoofd ‘De bevindingen van de deskundigen’ erop, dat ter terechtzitting in eerste aanleg de forensisch patholoog Fronczek is gehoord in de plaats van haar toenmalige collega V. Soerdjbalie-Maikoe. In haar aanvankelijk (in eerste aanleg) afgelegde verklaring maakt Fronczek partieel een voorbehoud, in die zin dat wat haar betreft meer feitelijke informatie nodig is om te kunnen beoordelen of het letsel al dan niet past bij de door de verdachte weergegeven toedracht. Deze verklaring bevat geen voor het bewijs redengevende feiten en omstandigheden en in zoverre is het dan ook begrijpelijk dat zij niet als bewijsmiddel is opgenomen.
18. Daarnaast blijkt uit de bewijsoverweging van het hof dat Fronczek zich als deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg wél heeft aangesloten bij het waarschijnlijkheidsoordeel van de deskundige Nijs (het letsel van [slachtoffer] is waarschijnlijker wanneer sprake is van een niet-accidentele toedracht dan van een accidentele krachtsinwerking). Verder haalt het hof in zijn bewijsoverweging de verklaring aan die Fronczek als deskundige heeft afgelegd op de terechtzitting in hoger beroep, waarin deze deskundige terugkomt op [6] het voorbehoud dat zij in eerste aanleg nog had gemaakt. Nu zij over meer informatie beschikt, schaart zij zich, aldus de overweging van het hof, achter het standpunt van de deskundigen Nijs en Soerdjbalie-Maikoe dat het door de verdachte beschreven scenario niet als verklaring voor het letsel van [slachtoffer] kan worden gezien. Haar verklaring komt daarmee neer op een
bevestigingvan de desbetreffende bevindingen en conclusies in de deskundigenverslagen van Soerdjbalie-Maikoe (bewijsmiddelen 11 en 13) en Nijs (bewijsmiddelen 12 en 14). Het betreft daarmee niet nieuwe, nog niet in de bewijsmiddelen voorkomende feiten of omstandigheden. Dat het hof in de bewijsoverweging is ingegaan op de verklaringen van Fronczek zie ik dan ook vooral in de context van het verweer van de verdediging waar uitgebreid is ingegaan op de verklaring van Fronczek en haar in hoger beroep bijgestelde opvatting, en het weergeven van het complete overzicht van de bevindingen van de deskundigen. Daar komt nog bij dat het zonder meer duidelijk is dat het hof heeft gedoeld op de door de deskundige Fronczek ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, zodat de klacht ook om die reden niet tot cassatie kan leiden. [7]
19. Het derde middel faalt.
V.
Het vierde cassatiemiddel (ontbreken beslissing op betrouwbaarheidsverweer)
20. Het vierde middel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd uitdrukkelijk te beslissen op een ter terechtzitting naar voren gebracht betrouwbaarheidsverweer dat de voor het bewijs gebezigde rapportage van de deskundige Soerdjbalie-Maikoe onbetrouwbaar is, waardoor het arrest aan nietigheid zou lijden.
21. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging overeenkomstig de aan het hof overgelegde pleitnota het volgende aangevoerd (de voetnoten zijn hier weggelaten):

De deskundigen
11. Deskundigen dr. Soerdjbalie-Maikoe en dr. Nijs waren bij de schouw aanwezig. Beiden gaven aan dat zij naar aanleiding hiervan geen noodzaak zagen om een nieuwe rapportage op te stellen. Zij bleven bij hun eerdere bevindingen en conclusies, neergelegd in de rapportages die zij hadden opgesteld ten behoeve van de zitting in eerste aanleg.
12. Soerdjbalie-Maikoe gaf echter aan nog wel de nodige opmerkingen te willen plaatsen bij de toelichting die haar toenmalige collega - mevrouw J. Fronczek - had gegeven bij de Alkmaarse rechtbank. Zij heeft haar bevindingen daaromtrent neergelegd in een aanvullende rapportage d.d. 2 augustus 2022. Daarbij springt vooral passage in het oog waarin wordt gesteld dat de uitspraak van Fronczek over een hoge beginsnelheid en/of draaisnelheid niet in lijn is met de stand der wetenschap inzake deze materie. Soerdjbalie-Maikoe vervolgt:
De ernst van de krachtsinwerking (‘impact velocity’) maakt dus het verschil, niet een hoge beginsnelheid of draaisnelheid (...).
13. Soerdjbalie-Maikoe stelt voorts dat een val van een hoogte van 1,5 meter of meer en/of een hoge beginsnelheid en/of een hoge draaisnelheid geen complexe val oplevert. Kortom: dat voorbehoud dat dr. Fronczek ten aanzien van de toedracht heeft gemaakt, is volgens haar uit de lucht gegrepen; het is wetenschappelijk niet gegrond. Om dit standpunt te staven verwijst zij nog naar literatuur van Thompson et al.
14. Opvallend hieraan is dat Soerdjbalie-Maikoe zichzelf kennelijk tegenspreekt in de aanvullende rapportage en in zoverre wisselend rapporteert. In een brief aan het OM d.d. 15 april 2021 gaf zij aan dat de ernstige letsels in het hoofd van [slachtoffer] wijzen op een substantiële krachtsinwerking op het hoofd als oorzaak. Daar bestaat in deze zaak ook geen discussie over. Zij vervolgt verder:
‘Om dergelijke ernstige letsels te veroorzaken zouden complicerende factoren in bovengeschreven val, zoals een duidelijk beginsnelheid, een draaibeweging van het hoofd tijdens de impact en/of forse impact of compressie met of door de knie tegen [slachtoffer]’s hoofd hebben moeten plaatsvinden (...).
15. Met andere woorden: dr. Soerdjbalie-Maikoe stelt hier zelf dat factoren als beginsnelheid en draaisnelheid wel degelijk van belang zijn voor de beoordeling of er mogelijk sprake is geweest van een meer complexe val die wél een hoog-energetisch trauma kan hebben veroorzaakt. Haar stelling uit het aanvullende rapport is dus zeer raadselachtig nu zij eerder tot dezelfde conclusie kwam als haar oud-collega. Bovendien onderschreef dr. Nijs ter terechtzitting in eerste aanleg de verklaring van Fronczek, inhoudende dat er belang moet worden gehecht aan componenten als beginsnelheid.
[…]
18. In casu kunnen we echter niet zonder meer uitgaan van een simpele val van lage hoogte; het is immers niet volledig uit te sluiten dat er complicerende factoren zijn geweest, zoals een versnelde valsnelheid, een draaicomponent in de valdynamiek, of een grote hoogte vanaf het hoofd. Een valpartij minutieus nabootsen of navertellen is simpelweg onmogelijk. Daarbij geldt dat er bij [slachtoffer] – in tegenstelling tot de doelgroep van het onderzoek dat door Soerdjbalie is aangehaald – sprake was van ernstig letsel. Dit leidt ertoe dat we evenmin zonder meer kunnen uitgaan van literatuur die ziet op eenvoudige valpartijen van lage hoogte.
19. En zelfs als we daar al vanuit zouden mogen gaan, dan is het opvallend dat dr. Fronczek in haar reactie d.d. 1 september 2022 verwijst naar literatuur die niét wordt aangehaald door dr. Soerdjbalie-Maikoe:
‘In de bijlage vindt u literatuur van Chadwick en Plunkett waarin de zeldzaamheid van overlijden aan valpartijen van lage hoogte wordt aangetoond. Chadwick vond 6 overlijdens van kinderen die mogelijk gerelateerd waren aan valpartijen onder de 1,5 meter in een periode van 5 jaar. Plunkett beschrijft 18 overleden kinderen in een periode van ruim 11 jaar na een val in/van een speeltoestel (..)’.
20. In de studie van Plunkett wordt ter illustratie een casus beschreven waarin een kind van 23 maanden oud – ongeveer even oud als [slachtoffer] destijds – van een gymtoestel viel. De afstand tot aan de vloer bedroeg 0.7 m. Het meisje verloor haar evenwicht en viel met haar hoofd op de met vloerbedekking bedekte ondergrond. Direct na de val begon zij te huilen, maar even later werd zij suf en viel ze weg. In het ziekenhuis werden ernstige traumatische letsels in het hoofd vastgesteld; het kind overleed 36 uur na het ongeluk. De valpartij was overigens toevallig gefilmd door de grootmoeder van het kind, waardoor met zekerheid kon worden vastgesteld dat in deze val geen complicerende factoren aanwezig waren, zoals een draai/beginsnelheid.
21. Uit voornoemde literatuur valt destilleren dat er gevallen bekend zijn – hoe zeldzaam ook – waarbij zelfs een eenvoudige valpartij van lage hoogte heeft geleid tot fatale gevolgen. Minstens één kind per jaar treft dat noodlot blijkens de studies. Waarom verwijst mevrouw Soerdjbalie-Maikoe hier niet naar in haar rapportages? Of zij kent deze literatuur niet, of zij vermeldde dit bewust niet omdat het niet goed in haar straatje past. In beide gevallen is evenwel sprake van een ernstig verzuim. Reeds dit verzuim maakt haar rapportage onbetrouwbaar.
[…]
24. Kort en goed meent de verdediging dat de betrouwbaarheid en de bewijswaarde van het aanvullende rapport d.d. 2 augustus 2022 gering en ontoereikend is voor een bewezenverklaring c.q. de overtuiging als bedoeld in artikel 338 Sr Pro. De deskundigen kunnen, zoals we ter terechtzitting (in eerste aanleg) hebben vernomen, het scenario van cliënt niet volledig uitsluiten. En indien deskundigen – die gespecialiseerd zijn op dit complexe gebied – dat niet kunnen, hoe kan een rechter dat dan doen.”
22. In een aanvullend rapport van 2 augustus 2022, heeft de deskundige Soerdjbalie-Maikoe gereageerd op de ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de deskundige Fronczek. Deze reactie komt er in de kern op neer dat Fronczek toen op basis van de informatie die zij destijds had, niet kon uitsluiten dat er sprake was van een complexe val. Fronczek heeft, nadat zij over meer informatie was komen te beschikken, zich vervolgens in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het letsel bij [slachtoffer] niet de oorzaak van de door de verdachte beschreven val kan zijn. [8] Voorts volgt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep dat de deskundigen het daarover met elkaar eens zijn.
23. Als ik het goed zie was het betoog van de verdediging er vooral op gericht dat het aanvullende rapport van Soerdjbalie-Maikoe van 2 augustus 2022 niet voor het bewijs zou worden gebruikt en moet het betrouwbaarheidsverweer vooral worden beschouwd in de context van het gestelde verschil van inzicht tussen Fronczek en Soerdjbalie-Maikoe (die er was door de informatieachterstand die Fronczek in eerste aanleg had, A-G) en de constatering van de verdediging dat Fronczek in haar reactie verwijst naar wetenschappelijke literatuur die niet wordt aangehaald door Soerdjbalie-Maikoe. Die achterstand in informatie is echter nadien weggewerkt en dat heeft ertoe geleid dat de drie deskundigen uiteindelijk op één lijn zitten wat betreft hun oordeel over de beschrijving van de val door de verdachte. Het hof heeft het aanvullende rapport van 2 augustus 2022 niet tot het bewijs gebezigd. In het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, meen ik dat het hof niet tot een nadere motivering gehouden was.
24. Het middel faalt.
VI.
Het vijfde middel (ontoereikend gemotiveerde verwerping van het strafmaatverweer)
25. Het vijfde middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, houdt in dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het strafmaatverweer/uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat een ‘straf mitigerende factor’ is gelegen in de dubbele victimisering van [betrokkene 1], de moeder van [slachtoffer].
26. De raadsman van de verdachte heeft op ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig de aan het hof overgelegde pleitnota aangevoerd:
“Een niet onbelangrijke strafmitigerende factor dient tot slot te worden gezocht in de houding van de moeder, [betrokkene 1]. Zij gelooft zoals reeds vermeld heilig in de onschuld van haar partner. Door bestraffing van [verdachte] voelt zij zich — in haar beleving — dubbel gevictimiseerd: zij is haar kind en haar partner kwijt. De eerste levenslang, de tweede voor een forse tijd indien u het primair tenlastegelegde bewezen acht en het OM qua strafmaat volgt. Gelet op de geschetste persoonlijke omstandigheden zou dat desastreuze gevolgen hebben voor het gezin.”
27. Het hof heeft in het bestreden arrest stilgestaan bij de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en daarbij ook expliciet de huidige (omstandigheden van de) gezinssituatie betrokken. Ook heeft het hof er rekening mee gehouden dat de biologische ouders van [slachtoffer] en verdere nabestaanden altijd met dit grote verlies geconfronteerd zullen blijven. Voorts heeft het hof in straf matigende zin meegewogen: de betrokkenheid van de verdachte bij zijn gezin; de omstandigheid dat de verdachte door de gewijzigde gezinssituatie en de medische toestand van [betrokkene 1] niet alleen de zorgen voor de kinderen maar ook voor [betrokkene 1] draagt; de omstandigheid dat de verdachte kostwinnaar is van het gezin. Op het specifieke verweer dat [betrokkene 1] heilig in de onschuld van de verdachte gelooft en zij zich in haar belevening dubbel gevictimiseerd zou voelen als aan de verdachte een lange onvoorwaardelijke straf wordt opgelegd, heeft het hof in de strafmotivering niet met zoveel woorden gereageerd. Dat hoefde het hof ook niet te doen, nu de verdachte door het hof schuldig is bevonden aan het feit en het gevoelen van dubbele victimisatie [betrokkene 1] betreft en niet de verdachte. Van een responsieplichtig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, is hier overigens al helemaal geen sprake.
28. Het middel faalt.
VII.
Slotsom
29. Alle middelen falen en kunnen mijns inziens worden afgedaan met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
30. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Randnummer 4 in de schriftuur.
2.Randnummer 8 in de schriftuur.
3.Met de formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in HR 9 november 1954,
4.Het bestreden arrest onder het hoofd “Tussenconclusie: de verdachte heeft het letsel van [slachtoffer] toegebracht (niet-accidenteel trauma)”.
5.Bijv. HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858,
6.In de (klassieke) betekenis van ‘opnieuw aan de orde stellen’, en dus niet in de betekenis van ‘herzien’.
7.Vgl. HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858,
8.Zie ook het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 december 2002, p. 4.