Conclusie
1.Feiten en procesverloop
de rechtbank) ten aanzien van verzoekster tot cassatie (hierna:
betrokkene) een zorgmachtiging verleend tot en met 28 november 2020. [1] Nadien is steeds een aansluitende zorgmachtiging verleend, laatstelijk bij beschikking van 23 december 2022. [2]
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Bij de beantwoording van de vraag of een psychiater die ten tijde van het onderzoek niet bij de behandeling betrokken is, maar zulks in het verleden wel is geweest, als onafhankelijk kan worden aangemerkt, is niet alleen van belang het tijdsverloop sinds het beëindigen van de behandelrelatie, maar ook de duur en de intensiteit van de behandelrelatie. Het is aan de feitenrechter voorbehouden aan de hand van de omstandigheden van het geval telkens het onderlinge gewicht van deze factoren te bepalen.
Echter, gelet op het belang van het onderhavige voorschrift en ter wille van de in zaken als deze geboden duidelijkheid zal in het algemeen moeten worden aangenomen dat, indien ten tijde van het ten behoeve van de verklaring verrichte onderzoek nog geen jaar was verlopen sinds de psychiater die het onderzoek heeft verricht voor het laatst behandelcontact met de betrokkene heeft gehad, deze psychiater niet kan gelden als ‘niet bij de behandeling betrokken’ als bedoeld in art. 5 lid 1 Wet Pro Bopz.
De wetgever heeft met dit voorschrift willen voorkomen dat de psychiater een dusdanige band met betrokkene heeft opgebouwd dat deze band een obstakel zou kunnen zijn voor het vormen van een onafhankelijk oordeel. [15] De bewoordingen van de bepaling en de strekking daarvan bieden geen ruimte voor een belangenafweging bij de beoordeling of een medische verklaring als grondslag voor de verzochte machtiging kan worden aanvaard indien de termijn van één jaar niet in acht is genomen.
Een en ander leidt ertoe dat aan de voorwaarde van art. 5:7, onder d, Wvggz niet is voldaan. De hiervoor in 4.1.1 weergegeven klacht slaagt dus. (…)” [16]
moetworden op de duur en de intensiteit van de eerder verleende behandeling volgt niet uit de tekst van art. 5:7, onder d, Wvggz en is ook niet af te leiden uit HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:191. [17] Daar overwoog de Hoge Raad:
Voor de psychiater die de medische verklaring opstelt, gelden de in art. 5:7 Wvggz Pro genoemde voorwaarden. Die voorwaarden dienen als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg. Een en ander strookt met de rechtspraak van het EHRM over art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM.”
Ik blijf die een jaar eis wat strikt en star vinden. Hij is informeel de standaard geworden onder de Wet Bopz naar aanleiding van een aantal uitspraken van de Hoge Raad. Relevant is en blijft dat voor de vereiste onafhankelijkheid de duur van het behandelcontact en de intensiteit daarvan bepalend zijn. Dat kan ertoe leiden dat de psychiater, die gedurende vele jaren een heel intensieve behandelrelatie heeft gehad met betrokkene, zich ook na een jaar niet vrij voelt om als onafhankelijk psychiater een medische verklaring op te stellen. Die ruimte biedt de huidige wettekst wel. De ruimte om na minder dan een jaar tijdsverloop na zorgverlening, hoe incidenteel en summier wellicht ook, een medische verklaring op te stellen, is er nu niet meer. En de Hoge Raad is heel streng, zo is inmiddels gebleken. (…)” [18]
Bij de beoordeling of de opsteller van een medische verklaring voldoende onafhankelijk is, speelt dus niet alleen het tijdsverloop sinds het beëindigen van de behandelrelatie een rol, maar ook de intensiteit van de behandelrelatie en de mate van verantwoordelijkheid die de psychiater voor een eerdere behandeling droeg. Die factoren moet de rechter allemaal meewegen in zijn oordeel of betrokkene door een onafhankelijke psychiater is onderzocht. Let op dat de onafhankelijkheid (dus de niet-vooringenomenheid) van de psychiater in tweeërlei opzicht moet worden getoetst: naast een subjectieve beoordeling, die zich richt op de persoon van de specifieke deskundige, is een objectieve beoordeling nodig, die zich richt zich op de structuur waarbinnen hij werkzaam is.” [19]
nietvoldaan. De psychiater in kwestie kan dan niet als onafhankelijk worden aangemerkt en dus niet de vereiste medische verklaring afgeven. Dit volgt ook uit HR 5 juni 2020 (zie hiervoor, 2.12). Er is dus geen flexibiliteit ten nadele van de betrokkene want de termijn van één jaar is een harde minimumtermijn.
concrete twijfelkunnen oproepen omtrent de onafhankelijkheid van een psychiater om voor de afgifte van een zorgmachtiging een medische verklaring op te stellen. [20] Mijns inziens staat de tekst van art. 5:7, aanhef en onder d, Wvggz noch de (zeer summiere) wetsgeschiedenis bij deze bepaling eraan in de weg dat een uitzondering
kanworden gemaakt. De termijn van één jaar is niet een harde maximumtermijn (maar als gezegd wel een harde minimumtermijn). Het is aan de betrokken patiënt om in voorkomend geval dergelijke feiten en omstandigheden te stellen en te onderbouwen.
.
onderdeel 1.2merk ik nog op dat niet duidelijk is wat precies wordt beoogd met het betoog aan het slot omtrent de (gevolgen van de voorgeschreven) medicatie. Voor zover het onderdeel de klacht bevat dat de rechtbank geen acht heeft geslagen op de stellingen van betrokkene op dat punt, mist die klacht feitelijke grondslag. De rechtbank heeft de stellingen van betrokken weergegeven in rov. 2.1 en in rov. 3.7 en heeft die stellingen ook in de beoordeling betrokken. Ik verwijs naar rov. 3.4 (laatste deel) en rov. 3.7. Tegen deze beide overwegingen komt het middel niet op.