Conclusie
1.Inleiding
onderdeel 2schets ik de feiten en het geding in feitelijke instanties. Vervolgens geef ik in
onderdeel 3het verloop van het geding in cassatie weer. In
onderdeel 4beschrijf ik in hoofdlijnen het speelveld van digitale valuta. Vervolgens behandel ik in
onderdeel 5de vraag of de vrijstelling art. 11(1)i.1° Wet OB van toepassing is op aan- en verkoop van gold coins. In
onderdeel 6en
onderdeel 7bespreek ik achtereenvolgens de klachten over de margeregeling en het gelijkheidsbeginsel.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Hedqvist [2] van het Hof van Justitie af dat ook niet-traditionele valuta’s onder die vrijstelling worden begrepen voor zover deze valuta’s door de partijen bij een transactie zijn aanvaard als alternatief betaalmiddel op de wettelijke betaalmiddelen en geen ander doel hebben dan te worden gebruikt als betaalmiddel. Volgens de Rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van virtuele valuta die in de reële wereld op overeenkomstige wijze als andere inwisselbare valuta’s uitsluitend wordt gebruikt en kan worden gebruikt als betaalmiddel voor het kopen van zowel reële als virtuele goederen en diensten. Het gegeven dat de [A] gold coins een verzamelwaarde hebben en daardoor verhandelbaar zijn, maakt naar het oordeel van de Rechtbank nog niet dat sprake is van een betaalmiddel. [A] gold coins vervullen, anders dan bitcoins, naar het oordeel van de Rechtbank niet dezelfde functie als traditionele valuta’s.
Hedqvistgenoemde voorwaarden wordt dan ook niet voldaan volgens het Hof.
3.Het geding in cassatie
Beroep in cassatie
4.Digitale valuta’s – het speelveld
Real Money Trade(RMT) genoemd (in tegenstelling tot
In-World Transactions, het verkrijgen van nieuwe items binnen de virtuele wereld door bijvoorbeeld het ruilen van digitale items voor de virtuele valuta van die specifieke wereld). RMT vindt op zijn minst voor een deel plaats in de echte wereld en werkt doorgaans als volgt: [12]
Vrijstelling art. 11(1)i.1° Wet OB van toepassing op aan- en verkoop gold coins?
grondgebied van een lidstaatdoor een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;”
in Nederlanddoor een als zodanig handelende ondernemer onder bezwarende titel worden verricht;”
First National Bank Chicago(FNBC) bespreekt het Hof van Justitie de vragen of het wisselen van valuta’s door FNBC een prestatie is en zo ja, wat de maatstaf van heffing is. FNBC stelt, in de vorm van een wisselkoers, de prijs vast waartegen zij een valuta op een bepaald moment wil kopen, en tegelijkertijd bepaalt zij de – iets hogere – prijs waartegen zij hetzelfde bedrag in dezelfde valuta wil verkopen. Het verschil tussen de twee koersen wordt de ‘spread’ genoemd. [22] Voor de deviezentransacties brengt de bank geen kosten of provisie in rekening. De winst op deze transacties probeert zij te halen uit de marge tussen haar bied- en laatkoersen. [23] Het Hof van Justitie oordeelt dat de deviezentransacties diensten zijn:
Hedqvistoordeelt het Hof van Justitie langs de lijnen van het zojuist besproken arrest
FNBC,dat het inwisselen van traditionele valuta’s tegen bitcoin en omgekeerd, tegen een betaling van een bedrag dat overeenkomt met de marge die ontstaat uit het verschil tussen de prijs waarvoor de betrokken marktdeelnemer de valuta’s koopt en de prijs waarvoor hij deze verkoopt aan zijn klanten, een dienst onder bezwarende titel is. [24] Deze dienst is naar het oordeel van het Hof van Justitie vrijgesteld op grond van art. 135(1)e Btw-richtlijn. [25] Aangezien volgens het Hof van Justitie aan de hand van de verschillende taalversies van deze bepaling niet ondubbelzinnig kan worden vastgesteld of deze slechts van toepassing is op handelingen die traditionele valuta’s betreffen of ook op handelingen waarbij een andere valuta betrokken is, gaat het Hof van Justitie te rade bij de context van de bepaling en de doelstellingen en de opzet van de Btw-richtlijn. [26]
6.Margeregeling van toepassing op aan- en verkoop gold coins?
Mensing I [29] en
Mensing II [30] overweegt het Hof van Justitie dat de winstmargeregeling is gericht op het voorkomen van dubbele heffing van de belasting en verstoring van de mededinging tussen belastingplichtigen, op het gebied van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, antiquiteiten en voorwerpen voor verzamelingen. Dit betekent echter volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie niet dat de uitleg van een bepaling van het Unierecht tegen de achtergrond van de context en het doel ervan ertoe kan leiden dat aan de ondubbelzinnige en precieze bewoordingen van deze bepaling elk nuttig effect wordt ontnomen. Wanneer de betekenis van een bepaling van Unierecht ondubbelzinnig uit de bewoordingen ervan blijkt, mag niet van deze uitlegging worden afgeweken. [31]