De verdachte werd door het hof Amsterdam bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen een veroordeling wegens witwassen. Het hof vervolgde de zaak ondanks afwezigheid van de verdachte, omdat diens raadsman aangaf niet gemachtigd te zijn en de verdachte niet aanwezig was.
In cassatie werd aangevoerd dat de verdachte ten tijde van de zitting in hoger beroep gedetineerd was in Frankrijk en niet vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Overgelegde Franse justitiële stukken bevestigden dat de verdachte op dat moment gevangen zat en pas later voorwaardelijk werd vrijgelaten.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft gehandeld door verstek te verlenen en de zaak voort te zetten zonder aanwezigheid van de verdachte, omdat deze niet vrijwillig afstand had gedaan van zijn recht op aanwezigheid. Gezien het grote belang van aanwezigheid bij de behandeling, wordt het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen voor nieuwe behandeling in hoger beroep.
De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam, zodat de verdachte alsnog in persoon kan worden gehoord.