Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Procesgang
Het standpunt van klager
Parket bij de Hoge Raad
De rechtbank Den Haag verklaarde het klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van een personenauto, ongegrond. De auto was in beslag genomen onder betrokkene 1 in verband met een strafrechtelijke ontnemingsprocedure wegens heling. De klager stelde eigenaar te zijn van de auto, die tijdelijk op naam van betrokkene 1 stond vanwege een frauderegistratie bij de klager.
De rechtbank oordeelde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter de auto later als eigendom van betrokkene 1 zou verbeurdverklaren en dat er sterke aanwijzingen waren dat betrokkene 1 de eigenaar was, mede omdat de auto nabij diens woning was aangetroffen en op zijn naam stond. De klager voerde aan dat de auto snel na beslag op zijn naam was gezet, wat de rechtbank ongeloofwaardig achtte.
In cassatie klaagde de klager dat de rechtbank het verkeerde toetsingskader had toegepast: de maatstaf van art. 94 Sv Pro in plaats van die van art. 94a Sv, die geldt voor conservatoir beslag in ontnemingszaken. De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank had moeten toetsen of buiten redelijke twijfel vaststond dat de klager eigenaar was en had moeten onderzoeken of de uitzonderingen van art. 94a lid 4 of 5 Sv van toepassing waren.
De Hoge Raad verklaarde het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk en vernietigde de beschikking. De zaak werd terugverwezen naar de rechtbank Den Haag voor een nieuwe beoordeling van het klaagschrift op basis van het juiste toetsingskader.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling op juiste maatstaf.