ECLI:NL:PHR:2024:650

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2024
Publicatiedatum
14 juni 2024
Zaaknummer
22/02881
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering afwijzing aanhoudingsverzoek aanwezigheidsrecht

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Tijdens het hoger beroep verscheen de verdachte onverwacht niet ter zitting, waarop zijn raadsvrouw een verzoek tot aanhouding van het onderzoek indiende, stellende dat de aanwezigheid van de verdachte van belang was voor de beoordeling van de zaak.

Het hof wees het verzoek tot aanhouding af, maar gaf geen motivering die voldeed aan de jurisprudentie van de Hoge Raad. De Hoge Raad stelt dat de rechter bij een dergelijk verzoek eerst moet nagaan of een concrete omstandigheid is aangevoerd, vervolgens of deze aannemelijk is, en ten slotte een belangenafweging moet maken, waarbij de motivering van de beslissing essentieel is.

In deze zaak heeft het hof nagelaten een van deze drie afwijzingsgronden te noemen, waardoor de motivering ontoereikend is. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling en beslissing.

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging en terugwijzing, zonder dat ambtshalve andere vernietigingsgronden zijn aangetroffen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling wegens onvoldoende motivering van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02881

Zitting25 juni 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats ] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 29 juli 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met een proeftijd van 2 jaren en tot een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de vordering tot tenuitvoerlegging (van een eerder voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen) afgewezen.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat in Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
4. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 juli 2022 houdt in verband met dit aanhoudingsverzoek het volgende in:
“De verdachte genaamd:

[verdachte] .

geboren te [geboorteplaats ] op 9 [geboortedatum] 1998.
wonende te [plaats] . [a-straat 1] .
is
nietverschenen.
Als raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. S.G.H. van de Kamp, advocate te 's-Hertogenbosch, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.
Alle mededelingen en verklaringen in dit proces-verbaal betreffen een zakelijke weergave.
De raadsvrouw deelt desgevraagd mede dat het adres van verdachte een postadres betreft. Hij heeft zich anderhalve maand geleden uitgeschreven. Via de hulpverlening heeft hij zich daar destijds ingeschreven. Mijn cliënt slaapt momenteel bij zijn schoonouders. Zijn ouders zijn naar Groot-Brittannië geëmigreerd en ook zijn zus is recentelijk geëmigreerd. Hij is hier dus 'alleen'.
De raadsvrouw voert het woord:
Ik wil u verzoeken de zaak aan te houden. Het is weliswaar een eenvoudige zaak, maar er is wel twee weken gevangenisstraf opgelegd. De hulpverlening dateert van mei. Cliënt zou een uitkering aanvragen en een woning betrekken. Daarvoor moest hij wel student zijn, maar dat is hij niet. Hij is bezig met het starten van een dakdekkersbedrijf en hij bekijkt of hij zijn rijbewijs kan halen. Ik acht het van belang dat u zelf een indruk krijgt van cliënt. Ik had hem vandaag ook verwacht. Ik heb hem nog aangegeven dat het hier in Arnhem is. Hij zou vervoer regelen. Ik durf niet te zeggen of hij in de file staat of last heeft van de boerenprotesten. Ik vind het lastig omdat hij normaal gesproken altijd iets laat weten. Het is van belang dat hij aanwezig is en hij wilde ook aanwezig zijn.
De advocaat-generaal voert desgevraagd het woord:
Ik vind het prima om even te wachten. Ik zal mij verzetten tegen aanhouding. Het is belangrijk te weten hoe verdachte in de wedstrijd zit, maar dan moet hij wel bij de wedstrijd zijn. Hij is op tijd opgeroepen.
De raadsvrouw reageert:
Het is de eerste keer dat de zaak op zitting staat. Ik persisteer bij het aanhoudingsverzoek.
De voorzitter deelt als beslissing mede:
Het is een simpele zaak. De betekening is correct. Ik zal het aanhoudingsverzoek afwijzen.”
5. In het algemeen en kort samengevat gelden op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad de volgende regels voor de beslissing van de rechter op een door of namens de verdachte in verband met het aanwezigheidsrecht gedaan verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting. De rechter moet eerst nagaan (i.) of aan het aanhoudingsverzoek concreet een omstandigheid ten grondslag is gelegd. Als zo’n omstandigheid niet is aangevoerd, kan het verzoek om die reden worden afgewezen. [1] Als zo’n omstandigheid wel is aangevoerd, kan de rechter nagaan (ii.) of de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. Nadat zo nodig gelegenheid is geboden voor nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. [2] Indien de rechter niet tot het oordeel komt dat die omstandigheid niet aannemelijk is, dient hij (iii.) een afweging te maken tussen het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van die afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het aanhoudingsverzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing. [3]
6. In deze zaak heeft de (gemachtigde) raadsvrouw ter terechtzitting een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting gedaan, omdat de verdachte anders dan verwacht niet ter terechtzitting is verschenen, terwijl zijn aanwezigheid voor de beoordeling van de zaak die in eerste aanleg heeft geleid tot oplegging van een gevangenisstraf van twee weken van belang is en de verdachte ook aanwezig wilde zijn.
7. Het hof heeft bij de afwijzing van het verzoek niet als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de raadsvrouw geen omstandigheid ten grondslag heeft gelegd aan het aanhoudingsverzoek. Het hof heeft ook niet geoordeeld dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk was, of er blijk van gegeven de hierboven (onder 5 en iii.) bedoelde belangenafweging te hebben gemaakt. Met andere woorden heeft het hof in de motivering van de afwijzing van het verzoek niet één van de drie afwijzingsgronden genoemd die volgen uit de rechtspraak van de Hoge Raad. Daarmee is de beslissing van het hof ontoereikend gemotiveerd.

Slotsom

8. Het middel slaagt.
9. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:769,
2.Zie HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737,
3.Zie HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285, m.nt. P. Mevis, r.o. 2.5 en HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737,