Conclusie
Nummer22/02881
Inleiding
Het middel
[verdachte] .
nietverschenen.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Tijdens het hoger beroep verscheen de verdachte onverwacht niet ter zitting, waarop zijn raadsvrouw een verzoek tot aanhouding van het onderzoek indiende, stellende dat de aanwezigheid van de verdachte van belang was voor de beoordeling van de zaak.
Het hof wees het verzoek tot aanhouding af, maar gaf geen motivering die voldeed aan de jurisprudentie van de Hoge Raad. De Hoge Raad stelt dat de rechter bij een dergelijk verzoek eerst moet nagaan of een concrete omstandigheid is aangevoerd, vervolgens of deze aannemelijk is, en ten slotte een belangenafweging moet maken, waarbij de motivering van de beslissing essentieel is.
In deze zaak heeft het hof nagelaten een van deze drie afwijzingsgronden te noemen, waardoor de motivering ontoereikend is. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling en beslissing.
De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging en terugwijzing, zonder dat ambtshalve andere vernietigingsgronden zijn aangetroffen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling wegens onvoldoende motivering van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek.