ECLI:NL:PHR:2024:662

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juli 2024
Publicatiedatum
19 juni 2024
Zaaknummer
23/02854
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:86 BWArt. 3:84 BWArt. 552a SvArt. 94 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen afwijzing teruggave gestolen auto wegens ontbreken consumentenkoop

De zaak betreft een beklag van een autohandelaar tegen de afwijzing door de rechtbank Amsterdam van zijn verzoek tot opheffing van het beslag en teruggave van een gestolen auto. De auto was in Duitsland gekocht van een particulier, maar bleek gestolen te zijn in Frankrijk. De rechtbank oordeelde dat de klager geen beroep kon doen op de uitzondering van art. 3:86 lid 1 BW Pro, omdat hij geen particuliere consument was en de verkoper geen regulier bedrijf met een vaste bedrijfsruimte.

De Hoge Raad bevestigt dat de eigenaar van een gestolen zaak binnen drie jaar na de diefstal het goed kan opeisen, tenzij sprake is van een consumentenkoop. De klager handelde als autohandelaar en kocht de auto van een particulier, waardoor de uitzondering niet van toepassing is. De rechtbank heeft voldoende gemotiveerd dat de klager niet als particuliere consument kan worden beschouwd en dat de verkoper geen regulier bedrijf was.

Het cassatieberoep faalt omdat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de teruggave aan de klager niet gerechtvaardigd is. De Hoge Raad wijst op het belang van het beschermen van eigendomsrechten van de oorspronkelijke eigenaar en bevestigt dat de civielrechtelijke aspecten in beslagprocedures slechts voorlopig worden beoordeeld.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op de gestolen auto blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02854 B
Zitting2 juli 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 13 juli 2023 het klaagschrift ex art. 552a Sv strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van een personenauto, waarvan de klager stelt rechthebbende te zijn, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. J.E. Kötter, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Het middel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep van de klager op art. 3:86 BW Pro (bescherming van een koper te goeder trouw) niet slaagt.

2.De feiten

2.1
De onderliggende feiten worden in de bestreden beschikking als volgt weergegeven:
“Klager heef op 9 februari 2023 bij het RDW keuringstation in Amsterdam getracht een blauwe Renault Megane met VIN-nummer [VIN] (hierna: de auto) te registeren. Tijdens de controle door de RDW bleek de auto vanaf 28 december 2022 als gestolen geregistreerd te staan in Frankrijk.
Klager heeft aan de politie het volgende verklaard:
"Ik ben autohandelaar. Mijn bedrijf heet [bedrijf] en is gelegen op de [a-straat 1] te Noordwijkerhout. Ik heb de betrokken blauwe Megane ten goede trouw gekocht in Duitsland. Ik zag deze auto op een advertentie op https://www.mobile.de/. Ik zag dat de auto verkocht werd door een particulier. Ik kan de advertentie aan u tonen. Ik heb de auto gekocht voor 13.000 euro, dit heb ik contant betaald. Ik kan aantonen dat ik dit geld gepind heb. Ik heb contact gehad met de verkoper middels WhatsApp. Dit gesprek kan ik aantonen. Ik heb ook een screenshot van een koopovereenkomst tussen mij en de verkoper. Ik zag dat het kenteken en VIN-nummer overeenkwam met het kenteken en de bijhorende papieren. Ik heb twee sleutels van de auto. Ik wist niet dat de auto van diefstal afkomstig was. Ik heb de auto laten ophalen door mijn koerier. Nadat de auto werd opgehaald zag ik dat mijn berichten niet meer aankwamen op Whatsapp bij de verkoper.”
Desbetreffende auto is op 27 februari 2023 onder klager in beslag genomen, hetgeen blijkt uit de kennisgeving van inbeslagname. Klager heeft hierop een klaagschrift ingediend strekkende tot teruggave van de auto.”

3.Oordeel rechtbank

3.1
Het oordeel van de rechtbank luidt als volgt:

Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. De klager is daarom ontvankelijk in het beklag.
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de gronden voor het voortzetten van het strafvorderlijk beslag niet langer aanwezig zijn zodat het strafvorderlijk beslag dat rust op de auto kan worden opgeheven.
Vervolgens rijst de vraag aan wie de auto dient te worden teruggeven aan klager of aan de eigenaar van wie de auto is gestolen. Hoofdregel is dat een voorwerp moet worden teruggegeven aan degene onder wie het in beslag is genomen, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd.
In beklagzaken dient de rechtbank terughoudend te zijn met het bepalen van eigendomsverhoudingen, zeker zowel de diefstal als een koop zich feitelijk in een ander land hebben voltrokken. Volgens de Nederlandse wetgeving staat echter voorop dat een eigenaar zijn eigendomsrecht niet verliest als zijn eigendom wordt gestolen; hij blijft eigenaar en als hij zijn goed terug vindt is hij gerechtigd om het op te eisen van de persoon die het onder zich heeft.
Op grond van artikel 3:86 BW Pro wordt de eigenaar van een goed, dat door diefstal is verloren, sterker beschermd dan de nieuwe verkrijger van die goederen, zelfs als die te goeder trouw is. De enige uitzondering op die regel is dat de verkrijger te goeder trouw een particuliere consument is die de goederen heeft gekocht van een regulier bedrijf met een duurzame op een vaste plaats gevestigde bedrijfsruimte, omdat men daar in beginsel geen gestolen zaken behoeft te verwachten en de verkoper steeds gemakkelijk is terug te vinden.
In dit geval is de vraag of klager als particuliere consument kan worden gezien. Hij is autohandelaar. Hij stelt dat hij de auto voor eigen gebruik heeft gekocht, maar heeft het geld voor de contante betaling daarvan van zijn zakelijke rekening gepind.
Vervolgens is de vraag of klager te goeder trouw is geweest. Daarvoor is van belang dat voldoende onderzoek is gedaan naar de herkomst van de auto.
Klager heeft de auto niet zelf gezien, en ook de verkoper niet ontmoet. Hij heeft de auto door een koerier laten ophalen.
Daarnaast blijkt dat de verkoper niet handelde als regulier bedrijf met een gevestigde bedrijfsruimte. Het was een particulier die via Whatsapp-berichten de koop heeft gesloten. Ondanks het feit dat klager met de auto de autopapieren en twee sleutels (via de koerier) heeft overgedragen gekregen, is de rechtbank van oordeel dat klager gelet op bovenstaande omstandigheden geen beroep kan doen op de uitzondering van artikel 3:86 BW Pro.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden beschouwd. De rechtbank zal derhalve het beklag ongegrond verklaren.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.”

4.Het middel

4.1
Het middel klaagt, in samenhang gelezen met de toelichting daarop onder 2.4 en 2.5, dat de rechtbank niet, althans niet voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom de klager geen beroep kan doen op art. 3:86 lid 1 BW Pro, nu uit de overwegingen van de rechtbank niet blijkt dat sprake is van een situatie waarin de eigenaar de zaak binnen drie jaren te rekenen vanaf de dag van de diefstal heeft opgeëist (art. 3:86 lid 3 BW Pro). Gesteld wordt dat dit maakt dat de overdracht van de auto ondanks de (mogelijke) onbevoegdheid van de verkoper [1] geldig is.
Verder wordt gesteld dat, mocht art. 3.86 lid 3 BW wel van toepassing zijn, uit de beschikking niet volgt of de klager als natuurlijk persoon of in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf handelde. Beide omstandigheden maken, volgens de steller van het middel, dat de beschikking onvoldoende met redenen is omkleed.
Bespreking van het middel
4.2
Voor de bespreking van het middel is het volgende van belang. Ingeval van beklag van een beslagene tegen beslag dat is gelegd ex art. 94 Sv Pro dient de rechter te beoordelen of het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zo nee, de teruggave van het in beslag genomen voorwerp aan de beslagene gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van het in beslag genomen voorwerp kan worden beschouwd. [2] Bij de beantwoording van die vraag zal de beklagrechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties. Dit neem echter niet weg dat hij daarbij wel civielrechtelijke aspecten mag betrekken. Het gaat in de beslagprocedure immers om een (voorlopig) oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp. [3]
4.3
Het civielrechtelijke kader dat in deze zaak van belang is, kan in een notendop als volgt worden omschreven. Art. 3:84 BW Pro bepaalt dat een koper rechthebbende van een roerende zaak wordt als sprake is van (i) levering (ii) krachtens een geldige titel (iii) verricht door een beschikkingsbevoegde. Art. 3:86 lid 1 BW Pro formuleert op het vereiste van beschikkingsbevoegdheid een uitzondering. Deze uitzondering houdt in dat, ondanks onbevoegdheid van de vervreemder, de overdracht van een roerende zaak, niet-registergoed, toch geldig is als de overdracht (i) anders dan om niet geschiedt en (ii) de verkrijger te goeder trouw is. Deze uitzondering kent echter zijn eigen uitzondering, geformuleerd in art. 3:86 lid 3 BW Pro, namelijk dat een eigenaar van de roerende zaak die zijn bezit heeft verloren door
diefstaldeze kan opeisen binnen een termijn van drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal, tenzij er sprake is van zogenaamde consumentenkoop. Dat laatste is het geval als de roerende zaak door een natuurlijk persoon verkregen is die (i) niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, (ii) de zaak verkregen heeft van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt, (iii) in een daartoe bestemde bedrijfsruimte (zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond) terwijl (iv) de vervreemder in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde. Als aan deze
cumulatievevereisten is voldaan, geniet de koper te goeder trouw dus bescherming tegen revindicatie door de bestolen eigenaar.
4.4
Ik keer terug naar de onderhavige zaak. De rechtbank heeft vastgesteld dat de auto sinds 28 december 2022 als gestolen stond geregistreerd in Frankrijk. Hoewel de rechtbank niet met zoveel woorden in haar beschikking tot uitdrukking brengt dat de eigenaar de auto binnen drie jaar na de diefstal ervan heeft opgeëist, kan uit de overige overwegingen van de rechtbank worden afgeleid dat de rechtbank hiervan impliciet wel is uitgegaan. Ook de klager heeft, zo blijkt uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer, zich bij monde van zijn raadsman expliciet beroepen op de uitzondering van art. 3:86 lid 3 onder Pro a BW en die komt alleen in beeld als de bestolene binnen drie jaar na de diefstal van de auto teruggave ervan heeft geëist.
4.5
Daarvoor kan ook steun worden gevonden in de processtukken. Een blik achter de papieren muur leert dat zich bij de stukken van de politie een proces-verbaal van bevindingen bevindt, gedateerd 9 februari 2023 onder nummer PL1300-2023031789-1, waarin ten aanzien van de Renault Megane het volgende wordt gerelateerd:
“Tussen donderdag 9 februari 2023 om 12:29 uur en donderdag 9 februari 2023 om 14:22 uur, zagen wij in perceel, de Tijnmuiden 1, 1046 AK Amsterdam het volgende motorvoertuig staan:
Goednummer: PL1300-2023031789-6299999
Voertuig: Personenauto
Merk/type: Renault Megane
Land: Frankrijk
Kenteken: [kenteken]
Chassisnummer: [VIN]
Kilometerstand: onbekend
Stand benzinemeter: onbekend
Geschatte waarde: onbekend Euro
Aan de hand van het in het motorvoertuig aangetroffen VIN/chassisnummer bleek dit buitenlandse motorvoertuig bij controle in NSIS de status "ontvreemd voertuig" te hebben. Het motorvoertuig is door Frankrijk onder Schengennummer onbekend gesignaleerd.
Gegevens diefstal
Datum diefstal: woensdag 28 december 2022
Plaats diefstal: onbekend”
4.6
In het proces-verbaal van bevindingen van 27 februari 2023 onder het nummer PL1300-2023031789-3 wordt het volgende vermeld:
“Ik, verbalisant Melk, nam het voertuig met VIN-nummer [VIN] op 27 februari 2023 in beslag. Hiervan werd door mij een bewijs van ontvangst opgemaakt en zo spoedig mogelijk uitgereikt. Zie bijlagen.
Ik kreeg tevens bericht van SIRENE omrent het voertuig. Ik zag dat zij mij een document hadden verzonden omrent het gestolen voertuig. Ik zag dat dit document de aangifte in het land van herkomst (Frankrijk) betrof. Ik zag in het document dat de eigenaar van het voertuig zijn voertuig terug wilde hebben.”
4.7
Ook de officier van justitie gaat uit van de toepasselijkheid van art. 3:86 lid 3 BW Pro. In zijn schriftelijk standpunt wordt naar aanleiding van het klaagschrift het volgende vermeld:
“Inbeslagname heeft plaatsgevonden op 27 februari 2023. Het klaagschrift is ingediend op 5 april 2023. Verzoeker is ontvankelijk in zijn verzoek.
Casus:
Op 9 februari 2023 heeft klager getracht zijn recent gekochte auto te registreren bij het RDW. Tijdens de controle van de auto met VIN-nummer [VIN] door het RDW werd geconstateerd dat de auto als gestolen geregistreerd staat in Frankrijk. Het LIV (Landelijk Intelligence- en expertisecentrum Voertuigcriminaliteit) heeft bevestigd dat de auto inderdaad als gestolen staat geregistreerd in Frankrijk. De auto staat als gestolen geregistreerd sinds 28 december 2022.
Klager heeft in de hoedanigheid als autohandelaar de betreffende auto, de blauwe Renault Megane, in Duitsland gekocht van een particulier.
Het OM verzet zich wel
Toelichting verzet:
Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen teruggave van het voertuig aan de beslagene; aangezien een derde als rechthebbende dient te worden aangemerkt gelet op artikel 3:86 Burgerlijk Pro Wetboek. In lid 3 van dit artikel staat dat de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, tot 3 jaren na de dag van de diefstal het eigendom van die roerende zaak kan opeisen. De auto is op of omstreeks 28 december 2022 gestolen, dus de 3 jaren zijn nog niet voorbij waardoor artikel 3:86 BW Pro lid 3 geldt. De uitzondering in lid 3 onder A is hier niet van toepassing, nu de koper (en tevens klager) de auto heeft gekocht In zijn hoedanigheid als autohandelaar van [bedrijf] (en dus niet als natuurlijke persoon) van een particuliere verkoper (en dus geen bedrijf).
Het standpunt vanuit het Openbaar Ministerie is derhalve dat de originele eigenaar in Frankrijk - naar Nederlands recht - als rechthebbende dient te worden aangemerkt en verzet zich tegen teruggave aan verzoeker”.
4.8
Gelet op het voorgaande kan de klacht dat de rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 3:86 lid 1 BW Pro niet slagen.
4.9
Ook de subsidiaire klacht dat, in het geval art. 3:86 lid 3 BW Pro wel van toepassing is, uit de beschikking niet kan volgen of de verdachte als natuurlijk persoon of in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, is vergeefs voorgesteld. De rechtbank heeft immers eveneens in aanmerking genomen dat
de verkoperniet handelde als regulier bedrijf met een gevestigde bedrijfsruimte, maar dat het een particulier was die via Whatsapp-berichten de koop heeft gesloten. Dit wordt in cassatie niet betwist. Aangezien het hierbij gaat om één van de cumulatieve voorwaarden die verbonden is aan de uitzondering die gemaakt wordt voor de consumentenkoop, is het oordeel van de rechtbank dat de klager geen beroep kan doen op deze uitzondering reeds voldoende met redenen omkleed, wat er ook zij van de juistheid van de overige overwegingen die de rechtbank hieraan ten grondslag heeft gelegd.

5.Slotsom

5.1
Het middel faalt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.In de toelichting staat kennelijk abusievelijk “verweerder”.
2.HR 29 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. Mevis, rov. 2.8.
3.HR 29 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. Mevis, rov. 2.13.