ECLI:NL:PHR:2024:706

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2024
Publicatiedatum
27 juni 2024
Zaaknummer
22/02365
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 1 SrArt. 511g SvArt. 415 SvArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep tegen ontnemingsmaatregel wegens mede-eigenaarschap en wederrechtelijk verkregen voordeel

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de betrokkene werd veroordeeld tot betaling van ruim € 2,9 miljoen aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit voordeel werd vastgesteld op basis van een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) dat de periode van 27 november 2007 tot en met 15 april 2011 besloeg. De betrokkene werd mede-eigenaar geacht van diverse buitenlandse vennootschappen, waaronder een Turks bedrijf [A], en werd geacht een gelijkwaardige rol te hebben gespeeld in witwasconstructies.

De verdediging voerde aan dat bepaalde bedragen uitsluitend aan medeverdachte [betrokkene 1] toebehoorden en dat de betrokkene slechts een faciliterende rol had. Ook werd betoogd dat de betrokkene niet daadwerkelijk eigenaar was van de gelden in de kluis van [A]. Het hof verwierp deze verweren, onderbouwd met verklaringen van getuigen, bankafschriften, en het SFO-rapport. Het hof concludeerde dat de betrokkene niet slechts op papier betrokken was, maar daadwerkelijk mede-eigenaar en medeverantwoordelijk voor de gelden.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende en deugdelijke motieven heeft gegeven voor de verwerping van het verweer dat de gelden slechts aan medeverdachte toebehoorden. Ook is voldaan aan de vereisten van art. 511g en 415 Sv omtrent motivering in ontnemingszaken. Het cassatieberoep faalt dan ook en wordt verworpen. De ontnemingsmaatregel blijft in stand.

De zaak illustreert de toepassing van artikel 36e Sr (oud) in ontnemingszaken, waarbij mede-eigenaarschap en betrokkenheid bij witwasconstructies leiden tot aansprakelijkheid voor het wederrechtelijk verkregen voordeel. Tevens wordt het belang van een gedegen financieel onderzoek en onderbouwde motivering door het hof benadrukt.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel van ruim € 2,9 miljoen blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02365 P

Zitting23 april 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de betrokkene
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 28 juni 2022 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 2.980.115,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van € 2.960.115,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd daarbij bepaald op 1080 dagen.
Er bestaat samenhang met zaak 22/02435. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel bevat de klacht dat de verwerping van het verweer dat bepaalde bedragen alleen aan medeverdachte [betrokkene 1] zijn toegevloeid onvoldoende met redenen is omkleed. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de overwegingen weer die aan de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag liggen alsmede passages uit het Rapport Strafrechtelijk Financieel Onderzoek, het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de Schriftelijke voorbereiding/conclusie van antwoord.
Passages uit het arrest, het Rapport Strafrechtelijk Financieel Onderzoek, het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de Schriftelijke voorbereiding/conclusie van antwoord
5. Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

Procesgang
Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank te Rotterdam van 14 maart 2017 is de betrokkene, voor zover hier van belang, onder meer ter zake van het in zijn strafzaak onder 3 en 4 bewezenverklaarde, gekwalificeerd als:
3. medeplegen gewoontewitwassen
4. als oprichter en leider, deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.
De in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.125.238,00, ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) .
De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 17 oktober 2018 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 3.020.573,13 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de. betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.990.573,13.
Namens de betrokkene en door de officier van justitie is tegen laatstgenoemd vonnis hoger beroep ingesteld.
(…)
Beoordeling van de vordering
De grondslag van de vordering en de berekening daarvan
Het Openbaar Ministerie heeft in deze zaak de vordering gebaseerd op het - naar aanleiding van een strafrechtelijk financieel onderzoek - opgemaakte Rapport Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (hierna: Rapport SFO) d.d. 23 september 2013, opgesteld door [verbalisant], en de daarbij behorende bijlagen. In dit onderzoek is voor de vaststelling van het wederrechtelijk genoten voordeel een berekening volgens de zogeheten eenvoudige kasopstelling gemaakt. Die kasopstelling is neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 september 2013, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant], betreffende 'Eenvoudige kasopstelling [betrokkene]'. Deze berekening ziet op de (contante) uitgaven die de betrokkene in de periode vanaf 1 januari 2005 tot en met 15 april 2011 (datum aanhouding) heeft gedaan en waarvoor volgens dit onderzoek geen legale bron kan worden vastgesteld.
Toepasselijk recht
De in de strafzaak bewezenverklaarde feiten beslaan een periode van 27 november 2007 tot en met 15 april 2011. De onderzoeksperiode van het Rapport Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (hierna: rapport SFO) loopt van 1 januari 2005 tot en met 15 april 2011.
Destijds gold -voor zover thans relevant- artikel 36e, eerste, tweede en derde lid, (oud) Sr, dat luidde als volgt.
1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.
3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De tekst van dit artikel is met ingang van 1 juli 2011 gewijzigd, waarbij - kort gezegd - in lid 2 "soortgelijke feiten" is vervangen door "andere feiten". In lid 3 is het vereiste dat een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: SFO) moet zijn ingesteld, komen te vervallen.
Deze wijziging houdt een uitbreiding in van de toepasselijke regels van sanctierecht. Gelet hierop en in aanmerking genomen, dat de misdrijven voor zover die het gevorderde wederrechtelijk voordeel zouden hebben opgeleverd, zijn gepleegd vóór 1 juli 2011, brengt artikel 1, eerste lid, Sr mee dat de oude, hierboven geciteerde tekst van artikel 36e (oud) Sr toepassing vindt (HR 29 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2714).
Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van artikel 36e, derde lid, (oud) Sr in het onderhavige geval mogelijk is.
Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Periode en beginsaldo
De advocaat-generaal heeft, overeenkomstig het rapport SFO, geconcludeerd dat voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden uitgegaan van de startdatum 1 januari 2005 en van een beginsaldo van € 5.000,00.
De verdediging heeft bepleit dat, nu er onvoldoende grond is om tot het oordeel te komen dat er in de periode van 1 januari 2005 tot 25 november 2007 sprake was van inkomsten uit andere strafbare feiten, er voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan dient te worden van de contante kasstromen vanaf 25 november 2007 tot en met april 2011. Ook kan de verdediging zich vinden in het door de rechtbank vastgestelde beginsaldo van € 50.000,00.
Het hof overweegt hiertoe het volgende.
De betrokkene heeft in de periode 2005 tot 27 november 2007 onder andere gehandeld in (ongeregelde) goederen waarbij hij uit de verkoop van ongeregelde goederen een rechtmatige opbrengst heeft verworven in contanten. Volgens het rapport SFO is het verschil tussen hetgeen in deze periode meer is uitgegeven dan aan legale inkomsten mogelijk was, niet groot. Daarnaast is de betrokkene in zijn strafzaak vrijgesproken voor het deel van de criminele organisatie dat betrekking heeft op de Opiumwet gerelateerde feiten, zodat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene zelf betrokken was bij de drugshandel. Het hof is dan ook, met de rechtbank, van oordeel dat deze omstandigheid gecombineerd met de omstandigheid dat de uitgaven vóór die periode qua omvang van een geheel andere orde waren, onvoldoende grond vormen om tot het oordeel te komen dat in de door de het SFO bestreken periode vanaf 1 januari 2005 tot aan 27 november 2007 (aanvang bewezenverklaarde periode) aannemelijk is geworden dat hier sprake was van uit andere strafbare feiten verkregen inkomsten. Mitsdien zal voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden uitgegaan van de in de strafzaak bewezenverklaarde periode van 27 november 2007 tot en met 15 april 2011.
Het hof gaat voorts met de rechtbank, in het voordeel van de betrokkene, uit van een beginsaldo van € 50.000,00. Het tijdsverloop waar de rechtbank op doelt ziet naar het oordeel van het hof niet op de overschrijding van de redelijke termijn, zoals de advocaat-generaal stelt, maar op het gegeven dat het ten tijde van het wijzen van het vonnis in oktober 2018 door het tijdsverloop niet meer precies was vast te stellen wat het exacte beginsaldo op 27 november 2007 is geweest. De rechtbank heeft daarom in het voordeel van de betrokkene een ruime marge aangenomen. Het hof volgt de rechtbank hierin.
Contante stortingen in 2008
De advocaat-generaal heeft in haar conclusie van antwoord d.d. 19 mei 2022 aangegeven dat de rechtbank op p. 7, tweede alinea, van het vonnis ten onrechte is uitgegaan van een bedrag van € 76.000,00 aan contante stortingen in 2008 op de bankrekening ten name van de betrokkene en/of zijn echtgenote. Uit de bankafschriften van de en/of rekening blijkt dat in 2008 in totaal voor € 84.000,00 aan contante stortingen zijn gedaan.
De verdediging heeft zich niet uitgelaten over dit standpunt van de advocaat-generaal.
Blijkens de zich in het dossier bevindende rekeningafschriften van de en/of rekening van de betrokkene en zijn echtgenote is er in 2008 inderdaad een bedrag van in totaal € 84.000,00 aan contante stortingen gedaan. Het hof zal dan ook van dit bedrag uitgaan, zoals ook opgenomen in het overzicht neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 september 2013, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant], betreffende 'Eenvoudige kasopstelling [betrokkene]'.
Kluisgelden
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de in de kluis van [A] aangetroffen geldbedragen niet aan de betrokkene kunnen worden toegerekend. Hoewel formeel juridisch de betrokkene en [betrokkene 1] op papier 50% eigenaar zijn van [A] maakt dit niet dat de betrokkene daarmee opeens 50% eigenaar is geworden van gestorte geld.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 september 2013, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant] een fout is gemaakt ten aanzien van de twee bedragen opgenomen met betrekking tot de in de kluis van [A] Ltd. aangetroffen geldbedragen. In dit proces-verbaal van bevindingen staat dat er in totaal € 35.000,- is aangetroffen in de kluis:
E14 Helft startsaldo kluis [A] € 10.000
E15 Helft deponering in kluis [A] € 25.000
terwijl uit de bijlage D-577 op p. 3659 blijkt dat er in de kluis van [A] een bedrag van € 30.000,00 en een bedrag van € 50.000, 00 is aangetroffen.
Datum Omschrijving Hoeveelheid
08-12-09 Achtergelaten in kluis € 30.000
25-03-10 Achtergelaten in kluis € 50.000
Nu de betrokkene voor 50% eigenaar was van [A] dient ten aanzien van deze kluisgelden een bedrag van respectievelijk € 15.000,00 en van € 25.000,00, derhalve in totaal € 40.000,00, in de kasopstelling te worden opgenomen, aldus de advocaat-generaal.
Het hof overweegt het volgende.
[betrokkene 2] heeft verklaard dat van [A] en de betrokkene een kluis aanwezig is in het filiaal van de Finansbank te Marmaris.
De boekhouder [betrokkene 3] heeft verklaard dat de betrokkene en [betrokkene 1] in totaal € 150.000,00 in de kluis hebben achtergelaten met betrekking tot de bouw op het kavel bouwgrond van [A]. Deze gelden kwamen niet van de rekening van het bedrijf, maar dit was geld dat [betrokkene 1] en de betrokkene hadden achtergelaten.
In de kluis in de Finansbank te Marmaris werd door de Turkse autoriteiten een lijst met aantekeningen van betalingen en inkomsten aangetroffen. Op die lijst staat vermeld dat op 8 december 2009 een bedrag van € 30.000,00 in de kluis is achtergelaten en op 25 maart 2010 een bedrag van € 50.000,00.
Voorts is komen vast te staan dat op 29 november 2007 de betrokkene samen met [betrokkene 1] een bedrijf in Turkije heeft opgericht met de naam [A] en dat zij beiden voor 50% eigenaar zijn van dit bedrijf.
Gelet op het vorenstaande zal het hof in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake van de kluisgelden uitgaan van een bedrag van respectievelijk € 15.000,00 en van € 25.000,00 (in plaats van in voornoemd proces-verbaal van bevindingen weergeven € 10.000,00 (E14) en € 25.000,00 (E15)).
Vennootschappen
Namens de betrokkene is bij conclusie van antwoord d.d. 25 februari 2022 aangevoerd dat de betrokkene erkent tot een bedrag van € 1.488.264,00 geen verklaring te kunnen geven voor zijn uitgaven, alsmede dat hij niet betrokken was bij de opzet van de vennootschapsstructuren. Dat laatste komt geheel voor rekening van [betrokkene 1]. Voorts wordt gesteld dat de bedragen die omgingen in de vennootschap [B] Ltd (waarvan de betrokkene en [betrokkene 1] beiden voor 50% aandeelhouder waren) en via [C] BV (waarvan de betrokkene en [betrokkene 4] beiden voor 50% aandeelhouder waren) en via [D] Ltd (waarvan de betrokkene 100% aandeelhouder was) voornamelijk aan [betrokkene 1] toebehoorden. De betrokkene zou slechts administratief gefaciliteerd hebben en de transacties die via die rechtspersonen verliepen werden door [betrokkene 1] gedaan. De betrokkene had daar geen bemoeienis bij.
Het hof is, met de advocaat-generaal, van oordeel dat deze stelling van de verdediging niet aannemelijk is geworden.
Ten eerste blijkt uit het rapport SFO dat de betrokkene voor 50% aandeelhouder is in [B] Ltd, voor 50% van het in 2009 opgerichte [C] BV en voor 100% in [D] Ltd.
Ten tweede blijkt uit de verklaring van [betrokkene 5] dat degene die beschikte over de tokens met inloggegevens, de feitelijke zeggenschap had over de tegoeden op de corresponderende bankrekening. Tijdens de doorzoeking in de woning van de betrokkene op Curaçao werden 3 tokens aangetroffen:
1. token ABCD bank met nummer [001]. Dit token correspondeert met de bankrekening van [B] Ltd, bankrekening [rekeningnummer 1] bij de ABCD bank in Dubai;
2. token Vasco met nummer [002]. Dit token betreft bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] bij de ABCD bank op naam van [D] Ltd;
3. token van de Halkbank in Turkije.
Uit het rapport SFO en uit het onherroepelijk vonnis in de strafzaak tegen de betrokkene volgt dat de betrokkene gebruik maakte van meerdere buitenlandse rechtspersonen, al dan niet samen met [betrokkene 1]. Zo maakte de betrokkene gebruik van [A] (rechtspersoon naar Turks recht), van [D] (rechtspersoon naar Arabisch recht), [B] (een Ltd.) en van [C] (een Nederlandse BV). De betrokkene gebruikte voornoemde rechtspersonen voor het financieren van zijn onroerend goed in Nederland. De woning van de betrokkene op Curaçao werd met behulp van [D] Ltd. door de betrokkene aangeschaft.
Ten derde is er de verklaring van [betrokkene 2] die bij zijn verhoor op 16 april 2011 heeft verklaard dat hij kort na de oprichting van [A] Ltd. op 29 november 2007 samen met [betrokkene 1] en de betrokkene naar de Halkbank in Marmaris is gegaan. Op de vraag hoeveel men wilde storten op de rekening is er door [betrokkene 1] of de betrokkene iets van '9 ton' gezegd. Vervolgens werd er een koffer door [betrokkene 1] of door de betrokkene aan iemand van de beveiliging van de bank gegeven. [betrokkene 2] heeft gezien dat het geld was geteld met een telmachine. Het waren allemaal biljetten van € 50,00. Als door de medewerkster van de bank wordt gevraagd naar de afkomst van het geld hebben [betrokkene 1] en de betrokkene uitgelegd dat zij in Nederland bezig waren met o.a. de handel in boten, een autopoetsbedrijf en een metaalbedrijf. Dit toont het gezamenlijk optreden van [betrokkene 1] en de betrokkene aan.
[betrokkene 4], voor 50% medeaandeelhouder van de betrokkene in [C] BV heeft als getuige verklaard dat hij in 2010 vakantie heeft gevierd met de betrokkene en zijn vrouw en met [betrokkene 1] en zijn vrouw in het huis van de betrokkene en [betrokkene 1] in [plaats] (Turkije). De getuige had de indruk dat het huis van hen beiden was omdat zij er zo over spraken. Men is toen vier of vijf dagen in het huis geweest.
Tot slot wordt in het rapport SFPO de rol van de betrokkene beschreven met betrekking tot witwashandelingen. Uit het onderzoek komt naar voren dat globaal genomen een deel ter grootte van 4,5 miljoen euro van de opbrengsten van de handel in verdovende middelen contant is overgebracht naar Turkije en aldaar is omgezet in onroerend goed en contante stortingen op Turkse bankrekeningen. De afgestorte gelden zijn daarna overgeboekt naar rekeningen van bedrijven in Turkije en de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). Van daaruit zijn de gelden voor een deel omgezet in leningen. In een aantal gevallen betreft het leningen en hypotheken aan de betrokkene en [betrokkene 1] zelf. De zeggenschap in de bedoelde bedrijven in de VAE is in handen van de betrokkene en [betrokkene 1] zelf, waardoor er sprake is van "loan back". Ook blijkt uit het rapport SFO dat de door [C] aangekochte panden gefinancierd werden door [B] Ltd. te Dubai. Hetzij door onderhandse leningen, hetzij door hypotheekverstrekking. De 'ultimate benificial owner' van deze limited zijn de betrokkene en [betrokkene 1] gezamenlijk. Op basis van de bevindingen in het rapport SFO kan worden vastgesteld dat de hypotheekverstrekking door [B] Ltd in feite een "loan back" constructie is.
Het hof is dan ook van oordeel dat gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang gezien het aannemelijk is geworden dat de betrokkene niet slechts een faciliterende, maar ten opzichte van [betrokkene 1] een gelijkwaardige rol in voornoemde vennootschappen heeft gehad en daarom kan worden aangeslagen voor de bedragen als genoemd in dit verband in het Rapport SFO.
Vervolgprofijt
Huurpenningen
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat in de betalingsverplichting het vervolgprofijt (gelden verkregen uit huuropbrengsten en rente over inbeslaggenomen gelden) meegenomen dient te worden. Met het vervolgprofijt in de vorm van huuropbrengsten is in eerste aanleg rekening gehouden tot het bedrag van € 132.880,- en de advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot dit bedrag als zijnde gelden die zijn verkregen uit huuropbrengsten.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 14 juni 2022 bij pleidooi aangevoerd dat de panden zakelijk zijn aangeschaft en ook zakelijk verhuurd. De facturen zijn belast met BTW. Ergens in de periode is de BTW van 19% gewijzigd in 21%. De verdediging kan niet aangeven met welk bedrag in de berekening van het wederrechtelijk voordeel gerekend moet worden en verzoekt het hof daarom de BTW buiten beschouwing te laten en het bedrag aan huurinkomsten te schatten.
Het hof overweegt als volgt.
Gezien de herkomst van de financiering van de panden kunnen de huurpenningen als vervolgprofijt worden aangemerkt en kunnen daarmee als voordeel uit de baten van de strafbare feiten worden ontnomen. De vordering van de advocaat-generaal is dus in beginsel toewijsbaar. Door het Openbaar Ministerie is met ingang van 16 augustus 2011 conservatoir beslag gelegd op de huurpenningen.
Voor het jaar 2009 bedraagt het saldo aan ontvangsten tenminste € 18.340,-, voor het jaar 2010 € 63.704,- en voor het jaar 2011 tot aan de beslagdatum € 50.836,-. In totaal een bedrag van € 132.880,-. Uit het dossier valt niet op te maken of er BTW in rekening is gebracht op de huur. Nu namens en door de betrokkene is verzocht het vervolgprofijt uit de huurpenningen te schatten en dit onderdeel niet is onderbouwd met enige stukken zal het hof, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, uitgaan van het in het rapport SFO opgenomen bedrag van € 132.880,00 bij het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Rente inbeslaggenomen gelden
De advocaat-generaal heeft een actueel overzicht van het vervolgprofijt dat aan rente is gegenereerd opgevraagd en overgelegd. Daaruit volgt dat dit bedrag is te bepalen op € 128.503,00 tot welk bedrag de advocaat-generaal dan ook heeft geconcludeerd.
Opgebouwde rente over de inbeslaggenomen gelden kan eveneens worden aangemerkt als vervolgprofijt en kan daarmee als voordeel uit de baten van de strafbare feiten worden ontnomen. De vordering van de advocaat-generaal is dus in beginsel toewijsbaar.
Het hof zal echter het vervolgprofijt niet meenemen in het bedrag waarop het totaal verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, hetgeen tot gevolg heeft dat de Staat aan de betrokkene geen wettelijke rente dient te vergoeden. Deze bedragen zijn immers (per definitie) aan elkaar gelijk en kunnen tegen elkaar worden weggestreept.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De kasopstelling

Het hof zal met het oog op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel het rapport, met telkens een verwijzing in een voetnoot naar de desbetreffende pagina, volgen, met dien verstande dat het hof - anders dan de rapporteur - zal uitgaan van een beginsaldo van € 50.000,-, zoals hierboven vermeld.
Beginsaldo contant geld € 50.000,00
Legale contante ontvangsten, inclusief bankopnamen:
- jaar 2009 € 23.050,00
- jaar 2010 € 35.000,00
€ 58.050,00 +
Eindsaldo contant geld € 49.182,00 –

Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 58.868,00 =

Werkelijke contante uitgaven, inclusief contante bankstortingen:
- Jaar 2007 € 554.452,00
- Jaar 2008 € 1.779.064,00
- Jaar 2009 € 390.220,00
- Jaar 2010 € 164.353,00
- Jaar 2011 € 18.017,00

Totaal uitgaven en bankstortingen € 2.906.103,00

Niet verklaarbaar

(€ 58.868,00 - € 2.906.103,00) - € 2.847.235,00

Vervolgprofijt uit huur € 132.880,00

Totaal € 2.980.115,00

Aan de inhoud van de in de voetnoten weergegeven wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van
€ 2.980.115,00.
6. Het hof is bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van het ‘Rapport Strafrechtelijk Financieel Onderzoek’. Dat rapport bevindt zich bij de stukken van het geding en houdt onder meer het volgende in (met weglating van verwijzingen):
‘6.1.3 het jaar 2007
(…)
In het onderzoek naar witwassen door de verdachte [betrokkene] is vastgesteld, dat hij in 2007 en 2008 bankrekeningen bij verschillende banken in Turkije heeft geopend, al dan niet samen met medeverdachte [betrokkene 1]. Op deze rekeningen hebben meermalen stortingen van contant geld plaatsgevonden. In de meeste gevallen betrof het deposito rekeningen, waarvan het saldo na afloop van de looptijd werd doorgeboekt naar andere rekeningen. Op de bijgevoegde mutatieformulieren zijn deze rekeningen te herkennen aan de letters AK voor het nummer. In 2007 heeft verdachte [betrokkene], samen met verdachte [betrokkene 1], een bedrijf in Turkije opgericht met de (afgekorte) naam [A], de eerste letters van beider voornamen. Volgens de uit Turkije verkregen stukken zijn zij beiden voor 50% eigenaar van dit bedrijf.
(…)
6.1.5
het jaar 2009
(…)
Door de Turkse autoriteiten zijn naar aanleiding van een (aanvullend) rechtshulpverzoek diverse opsporingshandelingen verricht. Naast het horen van getuigen zijn op diverse plaatsen stukken inbeslaggenomen. (…).
[betrokkene 2] verklaarde dat hijzelf, [betrokkene 1] en [betrokkene] een sleutel hebben van de kluis in het pand van [A]. Verder verklaarde hij te weten, dat van [A] Ltd en [betrokkene] ook een kluis aanwezig is in het filiaal van de Finansbank te Marmaris en dat de boekhouder [betrokkene 3] een sleutel heeft van de kluis van [A] bij die bank. (…).
Verder verklaarde [betrokkene 2] in een volgend verhoor dat hij alles met betrekking tot [A] deed in opdracht van [betrokkene 1] en [betrokkene], en dat [A] alleen maar kosten heeft gehad en geen winst heeft gemaakt. Verder verklaarde hij opnieuw dat [betrokkene] en [A] een kluis hebben bij de Finansbank. (…).
Boekhouder [betrokkene 3] werd door de Turkse autoriteiten gehoord. Hij verklaarde, dat de notities die zijn aangetroffen in de kluis bij de Finansbank door hem gemaakt zijn en verband houden met de bouw op het kavel bouwgrond van [A]. Hij verklaarde, dat [betrokkene] en [betrokkene 1] in drie termijnen in totaal €150.000 in de kluis hebben achtergelaten voor de uitgaven met betrekking tot de bouw.
In een kluis in de Finansbank te Marmaris werd door de Turkse autoriteiten een lijst met aantekeningen van betalingen en inkomsten aangetroffen, (…). Op die lijst staat vermeld, dat op 8 december 2009 een bedrag van €30.000 in de kluis is achtergelaten en op 25 maart 2010 een bedrag van €50.000.
Door de boekhouder is handmatig een soort kasboek bijgehouden van bedragen die hij op een bepaalde datum heeft omgewisseld van euro in Turkse Lira en de uitgaven die hij daarvan heeft gedaan. Dit behelst de periode 8 december 2009 tot en met 17 augustus 2010. (…). Opgeteld handelt het hier om in totaal €100.000, dat in Lira’s is gewisseld en is uitgegeven, waarvan €20.000 in 2009.
Gezien de verklaring van de boekhouder dat:
- het voor hem achtergelaten geld in totaal €150.000 betrof
- het in drie sessies voor hem in de kluis was achtergelaten
- er geen geld meer in de kluis is aangetroffen,
kan er van worden uitgegaan dat beide genoemde lijstjes niet volledig zijn. Indien het saldo van bedragen in de kluis en uitgaven wordt uitgerekend, is zichtbaar, dat er na de deponering van het eerst vermelde bedrag van €30.000 in totaal €47.000 is uitgegeven, dus €17.000 meer dan er is gedeponeerd. Na de deponering van het bedrag van €50.000 euro werd €53.000 uitgegeven, zodat er in totaal minimaal een bedrag van €20.000 al in de kluis gezeten moet hebben. Dit bedrag is gelijkelijk verdeeld over [betrokkene] en [betrokkene 1] en bijgeteld (ieder respectievelijk €10.000 en €25.000).
(…)
6.1.6
het jaar 2010
(…)
In paragraaf 6.1.5 werden reeds de verklaringen beschreven betreffende het achterlaten in de kluis van [A] in Turkije van contant geld door [betrokkene] en [betrokkene 1]. In 2010 werd €50.000 in contanten in de kluis achtergelaten, waarvan de helft aan [betrokkene] en de andere helft aan [betrokkene 1] is toegerekend (…). ,
Verder werden op 19 en 27 april 2010 op de rekening van de [E] in Marmaris weer contante stortingen gedaan. Het betreft hier de Turkse Lira rekening 10260092, waar de eerste maal TL23.600 werd gestort en de tweede maal TL4.000. Omgerekend tegen een koers van 1:2,3 betreft het hier in totaal een bedrag van €12.000, waarvan de helft aan [betrokkene] en de andere helft aan [betrokkene 1] is toegerekend (…).
(…)
6.1
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel
(…)
Uit het onderzoek zoals boven omschreven kan aan de hand van bankafschriften en verklaringen worden vastgesteld, dat in de jaren 2008 tot en met 2011 in totaal een bedrag van €2.175.720 in contanten door de verdachte [betrokkene] in Turkije op bankrekeningen aldaar is gestort, c.q. contant in de kluis van [A] is achtergelaten.’
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 14 juni 2022, houdt onder meer het volgende in:
‘Na de terechtzitting van 8 oktober 2021 zijn aan het dossier toegevoegd:
- de 'Schriftelijke voorbereiding/'conclusie van antwoord' d.d. 25 februari 2022 van de raadsman en
- de 'Conclusie in de ontneming tegen [betrokkene]' d.d. 19 mei 2022 van de advocaat-generaal.
(…)
De betrokkene legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
Ik heb niets te maken met de in Turkije opgerichte bedrijven, waaronder [A]. Alleen op papier ben ik hierbij betrokken. Ik ben ook niet betrokken geweest bij het storten van € 990.000,-. Wel is het juist dat ik onroerend goed heb gefinancierd met geld van [D] Ltd. Ook heb ik niets te maken met [B] Ltd.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging.
De raadsman deelt mede dat alles reeds op schrift staat in zijn conclusie van antwoord van 25 februari 2022.
De raadsman merkt daarnaast op dat de gang van zaken met betrekking tot het verloop van de strafzaak genuanceerder ligt dan de advocaat-generaal in haar conclusie van 19 mei 2022 vermeldt. Zo heeft de toenmalige advocaat beroep in cassatie ingesteld om de termijn veilig te stellen, omdat het arrest niet direct beschikbaar was. In verband met zijn beroepsaansprakelijkheid heeft die advocaat daarom uit voorzorg beroep in cassatie ingesteld. Zodra het arrest was ontvangen is het cassatieberoep ingetrokken.
De verdediging kan zich vinden in een vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim € 1,4 miljoen. Voorts kan de verdediging zich vinden in het in het vonnis van de rechtbank vermelde beginsaldo van € 50.000,- en dat de rechtbank voor de berekening uitgaat van de bewezenverklaarde periode en niet ook van soortgelijke feiten. De betrokkene had niets van doen met het bedrijf [A], ook al stond dit bedrijf voor 50% op zijn naam. Het gezamenlijk bedrijfsmatig optreden is echt iets anders dan het gezamenlijk bezit op papier. Het in het bezit zijn van tokens en de verklaringen van de twee vrouwen maakt dit niet anders. De betrokkene kan niet in twee dagen tijd € 450.000,- naar Turkije brengen. Het Openbaar Ministerie staart zich blind op de opmerking van [betrokkene 1] dat de € 990.000,- van hen samen was.
De huurinkomsten van de betrokkene dienen te worden gezien als vervolgprofijt.’
8. De ‘Schriftelijke voorbereiding/conclusie van antwoord’ houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):
‘De meest relevante en ingrijpende ontwikkeling in 2007 is de oprichting op 29 november 2007 van [A] in Turkije en de vraag hoe de storing(en) op rekening van [betrokkene 1] moet worden gezien. [betrokkene 1] heeft zijn beroep ingetrokken en dat laat zich mede gelet op na te melden standpunten ook wel verklaren.
Van [betrokkene 1] weten we dat hij ook in 2006 al met grote sommen contant geld naar Turkije reist en laat reizen. Het is voorts opvallend dat hij nergens over wenst te verklaren. Behalve over het feit dat er op 30 november 2007 EUR 990.000 (1.711.710,- TL) op zijn eigen rekening wordt gestort. Hij verklaart daar enkel en ongemotiveerd over dat dit een storting was van [betrokkene] en [betrokkene 1] tezamen. "
Het was van ons tweeën al was dit bedrag op mijn rekening gestort", aldus [betrokkene 1]. Het SFO gaat (kritiekloos) uit van die stelling en rekent aldus de zogenoemde [A] stortingen voor 50% aan [betrokkene] toe.
[betrokkene] bestrijdt die lezing van [betrokkene 1] en al helemaal de verdeling (50-50) van dat bedrag in het SFO. Het kan niet waar zijn, bij de aanvang van de periode op 27 november 2007, dat [betrokkene] uit het niets een paar dagen later over € 450.000,-. Zeker niet nu in het dossier ook op te maken valt dat in de voorgaande jaren [betrokkene 1] (en anderen namens hem) tonnen aan contant geld naar Turkije verplaatst.
Daarnaast is het onlogisch om eerst € 990.000,- op de eigen Turkse rekening van [betrokkene 1] te storten, vervolgens diezelfde dag het equivalent in TL (1.711.710,- TL) naar een andere, eigen rekening op naam van [betrokkene 1] te boeken, om het vervolgens in drie porties over te maken op de toen ook geopende rekening op naam van [A]. Waarom niet rechtstreeks op die rekening? Waarom heeft [betrokkene] het hem verweten deel niet op een door hem geopende rekening gestort?
De wijze van overboeken naar de rekening van [A] is voorts interessant. Blijkens D268, p 2/9, is er overgemaakt:
- 25000 TL ovv "[betrokkene 1]. kapitaal betaling"
- 25000 TL ovv "[betrokkene] kapitaal betaling" en
-1.661.710 TL ovv "
van[betrokkene 1] 266" [onderstreping, raadsman]
Met name het woordje "van" in de omschrijving van de overboeking maakt duidelijk dat dit deel van het vermogen van [A]
van[betrokkene 1] is. De omschrijving bij de overboeking maakt onmiskenbaar duidelijk van wie het geld is dat op de [A] rekening wordt gestort.
[betrokkene] is gevraagd te participeren in [A], doch had daar simpelweg niet het vermogen voor. Daar waar we [betrokkene 1], in samenwerking met [betrokkene 5] en [betrokkene 6], vele andere buitenlandse vennootschappen zien oprichten, is dit de enige samen met [betrokkene]. Die vennootschappen waren vehikels om het vermogen van [betrokkene 1] wit te wassen. [A] heeft geen ander doel. [A] draaide op het vermogen "van" [betrokkene 1]. Er is geen enkele reden de verklaring van [betrokkene 1] (enkel en alleen dit onderdeel) geloofwaardig te achten. Zeker niet met alle zojuist gegeven contra-indicaties, die simpelweg uit het FIOD onderzoek zelf naar voren zijn gekomen.
Dat formeel juridisch [betrokkene] en [betrokkene 1] op papier 50% eigenaar zijn van [A] maakt niet dat [betrokkene] opeens 50% eigenaar is geworden van het door [betrokkene 1] gestorte en van hem afkomstige geld.
Een volgend argument en onderbouwing voor het standpunt dat het bedrag van € 990.000,- volledig aan [betrokkene 1] toebehoorde is de verklaring van [betrokkene 7], medewerkster van de Halbank. Zij verklaart op 20 april 2011 over deze storting onder meer:
"[betrokkene 1] droeg de tas vol geld zelf en heeft het geld persoonlijk overhandigd".
Het was dus zijn geld.
Verder moet worden opgemerkt dat [betrokkene 2] gold als bedrijfsleider van [A]. Hij had eerder een samenwerking met [betrokkene 1] en is in onderzoek Moldau meermalen als verdachte gehoord. In zijn verhoren V13-02 en V13-03 is aan [betrokkene 2] een door de FIOD opgesteld overzicht van overboekingen voorgehouden. Uit dit overzicht blijkt ook genoegzaam dat de € 990.000,-, althans een deel daarvan niet toebehoorden aan cliënt.
[betrokkene 2] kende [betrokkene 1] al uit 2006, toen ook hij het idee had om boten te bouwen in Turkije. Om die reden kwam hij in aanraking met J&B Boats, van [betrokkene 1]. Het is ook [betrokkene 1] geweest die [betrokkene 2] heeft benaderd om de rol van bedrijfsleider in [A] te krijgen, aldus [betrokkene 2].
Omdat [betrokkene 2] als bedrijfsleider na de grote contante storting vragen kreeg van de Turkse bank, heeft hij op zijn beurt navraag gedaan bij [betrokkene 1] en [betrokkene]. [betrokkene 2] verklaart dan:
"Zij hebben via de fax bepaalde bescheiden verzonden naar de bank in Turkije. [betrokkene 1] had een metaalbedrijf en heeft die verkocht. Uit de opbrengst daarvan zou hij het startkapitaal hebben betaald. Volgens mij ging het om € 900.000,-".
Een zoveelste aanknopingspunt dat het dus om puur het geld van [betrokkene 1] ging.
Een volgend aanknopingspunt is te vinden in het door de FIOD opgestelde schema ter zake betaalstromen.
(BFK: volgt schema)
De (wijze van) boekingen van 28 september 2009 [zie figuur hierboven] bevestigen dat het ging om het geld van [betrokkene 1]. Van het totaal van 1.711.710 TL gaat uiteindelijk een bedrag van 1.664.710 TL vanaf de rekening van [A] weer naar een rekening die enkel en alleen op naam van [betrokkene 1] staat. [betrokkene] zelf heeft aan deze constructie van [betrokkene 1] enkel het bedrag van 28000 TL als dank voor zijn papieren bemoeienis ontvangen.
Opvallend is ook de samenwerking tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 5]. Opvallend is dat op 9 september 2009 door beide aandeelhouders van [A] 40 aandelen notarieel worden overgedragen aan [betrokkene 2] en de rest (3960 aandelen) worden aan [F] S.A. geleverd. Dit is een rechtspersoon gevestigd in Dubai en vertegenwoordigd door [betrokkene 5]. Volgens de akten is de overnamesom van in totaal 2 miljoen Turkse Lira contant voldaan.
Bij de doorzoeking in de woning van de verdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 6] werd een stuk gevonden met opschrift "akte van levering van aandelen" gedateerd 5 oktober 2009, waarin [F] SA de aandelen van [A] ltd weer terug levert aan de verdachten [betrokkene] en [betrokkene 1]. Dat deze stukken bij [betrokkene 1] thuis zijn gevonden is voor de verdediging een zoveelste aanknopingspunt dat [A] en met name haar liquide middelen gewoon van [betrokkene 1] zijn.
Tot slot is het volgens [betrokkene] zo dat − anders dan [betrokkene 1] verklaard heeft − er geen gebruik is gemaakt van underground banking tegen een x percentage van het totaalbedrag ad € 990.000,-. Volgens de verklaring van [betrokkene 1] is er blijkens het SFO nog eens €30000 aan commissie uitgegeven. [betrokkene] stelt dat het geld simpelweg in een tas / koffer is meegeven aan de Turkse jongen. Die jongen heeft het geld in zijn bus vervoerd naar Turkije. Van underground banking en dus daarbij komende kosten is geen sprake geweest. Eerdere bedragen variërend van vele tienduizenden euro's tot een ton zijn eerder ook "gewoon" contant door [betrokkene 1] (of aan hem gelieerde personen) meegenomen naar Turkije.
Dat [betrokkene] geen zeggenschap heeft laat zich ook onderbouwen door een transactie binnen [D] LTD. Kennelijk is deze vennootschap in Dubai opgericht op 23 juli 2008 en houdt [betrokkene] alle aandelen. Opvallend is dan dat middels een RHV aan de VS onder meer e-mail verkeer is verkregen van het gmail account van [betrokkene 5]; de partner van [betrokkene 1] in [F] S.A. Hierin werd een e-mail bericht aangetroffen gedateerd 26 augustus 2008, van [betrokkene 5] aan het account van [betrokkene 1]. Dit is een maand na de oprichting van [D] Ltd. In die e-mail wordt aangegeven dat er € 749.000,00 staat op de rekening van "[D]", maar dat [B] ltd de hypotheek gaat verstrekken. "[D] moet daarom de gelden overmaken naar "[G]" en dat moet vervolgens overgemaakt worden naar [B], zodat [B] het kan overmaken naar de notaris. Het betreft hier vermoedelijk de regie van het geld voor de hypotheek voor de [a-straat 1] te [plaats], de woning van de verdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 6].
Met andere woorden: [betrokkene 5] bericht [betrokkene 1] dat de hypotheek voor zijn woonhuis op een bepaalde manier geregeld wordt. Bron van het geld voor die hypotheek is het vermogen van [D]; een onderneming op naam van [betrokkene]. Kennelijk gaat [betrokkene] dus niet over het vermogen van [D] als dit via tal van andere vennootschappen gebruikt wordt om de woning van [betrokkene 1] te financieren.
Het kan dan ook niet toevallig zijn dat bij [betrokkene 1] thuis stukken zijn gevonden die zien op de oprichting van [D] LLC. De naam van deze vennootschap vertoont opvallend veel gelijkenis met de naam van de vennootschap in Dubai waar [betrokkene] de aandelen van houdt.
[betrokkene 1] trekt aan de touwtjes van de kerstboom aan vennootschappen waarin hij direct of indirect alle aandelen houdt en zeggenschap heeft.’

Bespreking van het middel

9. Het middel bevat de klacht dat de verwerping van het verweer dat bepaalde bedragen alleen aan medeverdachte [betrokkene 1] zijn toegevloeid onvoldoende met redenen is omkleed. Dat betrokkene volgens de stukken mede-eigenaar is geweest van rechtspersonen of panden teneinde door [betrokkene 1] uit Opiumwetdelicten behaald voordeel te verhullen of te verbergen en bijvoorbeeld aanwezig is geweest op het moment dat [betrokkene 1] ongeveer € 900.000 aan contanten heeft afgedragen, zou onvoldoende zijn om daaraan te ontlenen dat betrokkene voor 50% heeft gedeeld in het door [betrokkene 1] uit Opiumwetdelicten behaald voordeel. Als argument wordt aangevoerd dat het niet voor de hand zou liggen dat degene die bij het begaan van Opiumwetdelicten het risico loopt daarvoor gestraft te worden de helft van zijn opbrengsten deelt met degene die (slechts) facilitaire gedragingen heeft verricht en samen met hem heeft getracht de herkomst van die opbrengsten te verhullen of verbergen.
10. Ingevolge art. 511g, tweede lid, jo. art. 415, eerste lid, Sv is art. 359 Sv Pro van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het hoger beroep in ontnemingszaken. Dat brengt mee dat het hof in het arrest, indien de beslissing afwijkt van door de betrokkene dan wel door de advocaat-generaal uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen opgeeft die daartoe hebben geleid. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is sprake als dat standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. [1] De regel dat verweren ter terechtzitting dienen te worden voorgedragen geldt, zo maakt Uw Raad in een arrest van 22 februari 2011 duidelijk, ook in ontnemingszaken. [2]
11. Wel heeft Uw Raad nadien aangegeven dat de verdediging het initiatief kan nemen om het voordragen van onderbouwde standpunten ter terechtzitting te bekorten door middel van een duidelijke verwijzing naar de inhoud van de stukken van het geding. [3] Volgens Uw Raad dient evenwel voorop te staan ‘dat ter terechtzitting met voldoende duidelijkheid wordt aangegeven welke verweren worden gevoerd en welke onderbouwde standpunten worden ingenomen’ Uw Raad verwees daarbij naar het genoemde arrest van 22 februari 2011. De rechter dient daarop toe te zien en ‘zal moeten instemmen met vorenbedoelde bekorting van het pleidooi, waarvan moet blijken uit het proces-verbaal van de terechtzitting.’ Van die instemming blijkt in deze zaak niet. De enkele omstandigheid dat in het arrest een in de ‘Schriftelijke voorbereiding/conclusie van antwoord’ verwoord standpunt wordt besproken impliceert – meen ik − niet dat ter terechtzitting de bedoelde instemming is verleend.
12. De betrokkene heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niets te maken heeft met de in Turkije opgericht bedrijven, waaronder [A], en daar alleen op papier bij betrokken is geweest. De raadsman heeft medegedeeld dat alles ‘reeds op schrift staat in zijn conclusie van antwoord van 25 februari 2022’. De raadsman merkt ter terechtzitting onder meer op dat de betrokkene ‘niets van doen (had) met het bedrijf [A], ook al stond dit bedrijf voor 50% op zijn naam. Het gezamenlijk bedrijfsmatig optreden is echt iets anders dan het gezamenlijk bezit op papier. Het in het bezit zijn van tokens en de verklaringen van de twee vrouwen maakt dit niet anders. De betrokkene kan niet in twee dagen tijd € 450.000,- naar Turkije brengen. Het Openbaar Ministerie staart zich blind op de opmerking van [betrokkene 1] dat de € 990.000,- van hen samen was.’
13. Ik begrijp dat het middel klaagt dat het hof hetgeen aldus is aangevoerd ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen in de overwegingen die het hof heeft gewijd aan het in de conclusie van antwoord uitgebreider verwoorde standpunt inzake de verhouding tussen betrokkene en [betrokkene 1]. In de toelichting op het middel worden wel passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting geciteerd, maar niet uit de ‘Schriftelijke voorbereiding/conclusie van antwoord’. In het voorgaande zijn wel enkele passages overgenomen, doch enkel om te verhelderen tegen welke achtergrond de stellingname van de raadsman dient te worden geplaatst.
14. Het hof heeft het standpunt van de verdediging aldus samengevat ‘dat de in de kluis van [A] aangetroffen geldbedragen niet aan de betrokkene kunnen worden toegerekend. Hoewel formeel juridisch de betrokkene en [betrokkene 1] op papier 50% eigenaar zijn van [A] maakt dit niet dat de betrokkene daarmee opeens 50% eigenaar is geworden van het gestorte geld’. Het hof stelt in het vervolg vast dat [betrokkene 2] (die in het Rapport Strafrechtelijk Financieel Onderzoek wordt aangeduid als de ‘bedrijfsleider’) heeft verklaard dat van [A] en de betrokkene een kluis aanwezig is in het filiaal van de Finansbank te Marmaris, en dat boekhouder [betrokkene 3] heeft verklaard dat de betrokkene en [betrokkene 1] in totaal € 150.000 in de kluis hebben achtergelaten met betrekking tot de bouw op een kavel bouwgrond van [A]. Dit was geld dat [betrokkene 1] en de betrokkene hadden achtergelaten. Het hof merkt voorts op dat vast is komen te staan ‘dat op 29 november 2007 de betrokkene samen met [betrokkene 1] een bedrijf in Turkije heeft opgericht met de naam [A] en dat zij beiden voor 50% eigenaar zijn van dit bedrijf’.
15. Aldus heeft het hof toereikend gemotiveerd waarom het heeft aangenomen dat de betrokkene niet alleen op papier bij [A] betrokken is geweest, en dat de ‘kluisgelden’ voor de helft wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene vormden. Ik merk daarbij op dat het hof dat oordeel niet heeft gebaseerd op het in het bezit zijn van tokens, en evenmin op de opmerking van [betrokkene 1] dat de € 990.000,- van hen samen was.
16. De stellers van het middel koppelen de verwerping van het verweer ook nog aan het gronddelict; gelet op ‘de aard van het witwassen en hetgeen in de strafzaak en ontnemingszaak is vastgesteld’ zou de verwerping van het verweer onvoldoende met redenen zijn omkleed. Concrete bezwaren worden evenwel niet naar voren gebracht tegen de ontnemingsbeslissing die is gebaseerd op art. 36e, derde lid, (oud) Sr. Daarom ga ik daar verder aan voorbij.
17. Het middel faalt.

Afronding

18. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
2.HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6159,
3.HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1340,