6.1Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel
Uit het onderzoek zoals boven omschreven kan aan de hand van bankafschriften en verklaringen worden vastgesteld, dat in de jaren 2008 tot en met 2011 in totaal een bedrag van €2.175.720 in contanten door de verdachte [betrokkene] in Turkije op bankrekeningen aldaar is gestort, c.q. contant in de kluis van [A] is achtergelaten.’
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 14 juni 2022, houdt onder meer het volgende in:
‘Na de terechtzitting van 8 oktober 2021 zijn aan het dossier toegevoegd:
- de 'Schriftelijke voorbereiding/'conclusie van antwoord' d.d. 25 februari 2022 van de raadsman en
- de 'Conclusie in de ontneming tegen [betrokkene]' d.d. 19 mei 2022 van de advocaat-generaal.
De betrokkene legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
Ik heb niets te maken met de in Turkije opgerichte bedrijven, waaronder [A]. Alleen op papier ben ik hierbij betrokken. Ik ben ook niet betrokken geweest bij het storten van € 990.000,-. Wel is het juist dat ik onroerend goed heb gefinancierd met geld van [D] Ltd. Ook heb ik niets te maken met [B] Ltd.
De raadsman voert het woord tot verdediging.
De raadsman deelt mede dat alles reeds op schrift staat in zijn conclusie van antwoord van 25 februari 2022.
De raadsman merkt daarnaast op dat de gang van zaken met betrekking tot het verloop van de strafzaak genuanceerder ligt dan de advocaat-generaal in haar conclusie van 19 mei 2022 vermeldt. Zo heeft de toenmalige advocaat beroep in cassatie ingesteld om de termijn veilig te stellen, omdat het arrest niet direct beschikbaar was. In verband met zijn beroepsaansprakelijkheid heeft die advocaat daarom uit voorzorg beroep in cassatie ingesteld. Zodra het arrest was ontvangen is het cassatieberoep ingetrokken.
De verdediging kan zich vinden in een vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim € 1,4 miljoen. Voorts kan de verdediging zich vinden in het in het vonnis van de rechtbank vermelde beginsaldo van € 50.000,- en dat de rechtbank voor de berekening uitgaat van de bewezenverklaarde periode en niet ook van soortgelijke feiten. De betrokkene had niets van doen met het bedrijf [A], ook al stond dit bedrijf voor 50% op zijn naam. Het gezamenlijk bedrijfsmatig optreden is echt iets anders dan het gezamenlijk bezit op papier. Het in het bezit zijn van tokens en de verklaringen van de twee vrouwen maakt dit niet anders. De betrokkene kan niet in twee dagen tijd € 450.000,- naar Turkije brengen. Het Openbaar Ministerie staart zich blind op de opmerking van [betrokkene 1] dat de € 990.000,- van hen samen was.
De huurinkomsten van de betrokkene dienen te worden gezien als vervolgprofijt.’
8. De ‘Schriftelijke voorbereiding/conclusie van antwoord’ houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):
‘De meest relevante en ingrijpende ontwikkeling in 2007 is de oprichting op 29 november 2007 van [A] in Turkije en de vraag hoe de storing(en) op rekening van [betrokkene 1] moet worden gezien. [betrokkene 1] heeft zijn beroep ingetrokken en dat laat zich mede gelet op na te melden standpunten ook wel verklaren.
Van [betrokkene 1] weten we dat hij ook in 2006 al met grote sommen contant geld naar Turkije reist en laat reizen. Het is voorts opvallend dat hij nergens over wenst te verklaren. Behalve over het feit dat er op 30 november 2007 EUR 990.000 (1.711.710,- TL) op zijn eigen rekening wordt gestort. Hij verklaart daar enkel en ongemotiveerd over dat dit een storting was van [betrokkene] en [betrokkene 1] tezamen. "
Het was van ons tweeën al was dit bedrag op mijn rekening gestort", aldus [betrokkene 1]. Het SFO gaat (kritiekloos) uit van die stelling en rekent aldus de zogenoemde [A] stortingen voor 50% aan [betrokkene] toe.
[betrokkene] bestrijdt die lezing van [betrokkene 1] en al helemaal de verdeling (50-50) van dat bedrag in het SFO. Het kan niet waar zijn, bij de aanvang van de periode op 27 november 2007, dat [betrokkene] uit het niets een paar dagen later over € 450.000,-. Zeker niet nu in het dossier ook op te maken valt dat in de voorgaande jaren [betrokkene 1] (en anderen namens hem) tonnen aan contant geld naar Turkije verplaatst.
Daarnaast is het onlogisch om eerst € 990.000,- op de eigen Turkse rekening van [betrokkene 1] te storten, vervolgens diezelfde dag het equivalent in TL (1.711.710,- TL) naar een andere, eigen rekening op naam van [betrokkene 1] te boeken, om het vervolgens in drie porties over te maken op de toen ook geopende rekening op naam van [A]. Waarom niet rechtstreeks op die rekening? Waarom heeft [betrokkene] het hem verweten deel niet op een door hem geopende rekening gestort?
De wijze van overboeken naar de rekening van [A] is voorts interessant. Blijkens D268, p 2/9, is er overgemaakt:
- 25000 TL ovv "[betrokkene 1]. kapitaal betaling"
- 25000 TL ovv "[betrokkene] kapitaal betaling" en
-1.661.710 TL ovv "
van[betrokkene 1] 266" [onderstreping, raadsman]
Met name het woordje "van" in de omschrijving van de overboeking maakt duidelijk dat dit deel van het vermogen van [A]
van[betrokkene 1] is. De omschrijving bij de overboeking maakt onmiskenbaar duidelijk van wie het geld is dat op de [A] rekening wordt gestort.
[betrokkene] is gevraagd te participeren in [A], doch had daar simpelweg niet het vermogen voor. Daar waar we [betrokkene 1], in samenwerking met [betrokkene 5] en [betrokkene 6], vele andere buitenlandse vennootschappen zien oprichten, is dit de enige samen met [betrokkene]. Die vennootschappen waren vehikels om het vermogen van [betrokkene 1] wit te wassen. [A] heeft geen ander doel. [A] draaide op het vermogen "van" [betrokkene 1]. Er is geen enkele reden de verklaring van [betrokkene 1] (enkel en alleen dit onderdeel) geloofwaardig te achten. Zeker niet met alle zojuist gegeven contra-indicaties, die simpelweg uit het FIOD onderzoek zelf naar voren zijn gekomen.
Dat formeel juridisch [betrokkene] en [betrokkene 1] op papier 50% eigenaar zijn van [A] maakt niet dat [betrokkene] opeens 50% eigenaar is geworden van het door [betrokkene 1] gestorte en van hem afkomstige geld.
Een volgend argument en onderbouwing voor het standpunt dat het bedrag van € 990.000,- volledig aan [betrokkene 1] toebehoorde is de verklaring van [betrokkene 7], medewerkster van de Halbank. Zij verklaart op 20 april 2011 over deze storting onder meer:
"[betrokkene 1] droeg de tas vol geld zelf en heeft het geld persoonlijk overhandigd".
Verder moet worden opgemerkt dat [betrokkene 2] gold als bedrijfsleider van [A]. Hij had eerder een samenwerking met [betrokkene 1] en is in onderzoek Moldau meermalen als verdachte gehoord. In zijn verhoren V13-02 en V13-03 is aan [betrokkene 2] een door de FIOD opgesteld overzicht van overboekingen voorgehouden. Uit dit overzicht blijkt ook genoegzaam dat de € 990.000,-, althans een deel daarvan niet toebehoorden aan cliënt.
[betrokkene 2] kende [betrokkene 1] al uit 2006, toen ook hij het idee had om boten te bouwen in Turkije. Om die reden kwam hij in aanraking met J&B Boats, van [betrokkene 1]. Het is ook [betrokkene 1] geweest die [betrokkene 2] heeft benaderd om de rol van bedrijfsleider in [A] te krijgen, aldus [betrokkene 2].
Omdat [betrokkene 2] als bedrijfsleider na de grote contante storting vragen kreeg van de Turkse bank, heeft hij op zijn beurt navraag gedaan bij [betrokkene 1] en [betrokkene]. [betrokkene 2] verklaart dan:
"Zij hebben via de fax bepaalde bescheiden verzonden naar de bank in Turkije. [betrokkene 1] had een metaalbedrijf en heeft die verkocht. Uit de opbrengst daarvan zou hij het startkapitaal hebben betaald. Volgens mij ging het om € 900.000,-".
Een zoveelste aanknopingspunt dat het dus om puur het geld van [betrokkene 1] ging.
Een volgend aanknopingspunt is te vinden in het door de FIOD opgestelde schema ter zake betaalstromen.
De (wijze van) boekingen van 28 september 2009 [zie figuur hierboven] bevestigen dat het ging om het geld van [betrokkene 1]. Van het totaal van 1.711.710 TL gaat uiteindelijk een bedrag van 1.664.710 TL vanaf de rekening van [A] weer naar een rekening die enkel en alleen op naam van [betrokkene 1] staat. [betrokkene] zelf heeft aan deze constructie van [betrokkene 1] enkel het bedrag van 28000 TL als dank voor zijn papieren bemoeienis ontvangen.
Opvallend is ook de samenwerking tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 5]. Opvallend is dat op 9 september 2009 door beide aandeelhouders van [A] 40 aandelen notarieel worden overgedragen aan [betrokkene 2] en de rest (3960 aandelen) worden aan [F] S.A. geleverd. Dit is een rechtspersoon gevestigd in Dubai en vertegenwoordigd door [betrokkene 5]. Volgens de akten is de overnamesom van in totaal 2 miljoen Turkse Lira contant voldaan.
Bij de doorzoeking in de woning van de verdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 6] werd een stuk gevonden met opschrift "akte van levering van aandelen" gedateerd 5 oktober 2009, waarin [F] SA de aandelen van [A] ltd weer terug levert aan de verdachten [betrokkene] en [betrokkene 1]. Dat deze stukken bij [betrokkene 1] thuis zijn gevonden is voor de verdediging een zoveelste aanknopingspunt dat [A] en met name haar liquide middelen gewoon van [betrokkene 1] zijn.
Tot slot is het volgens [betrokkene] zo dat − anders dan [betrokkene 1] verklaard heeft − er geen gebruik is gemaakt van underground banking tegen een x percentage van het totaalbedrag ad € 990.000,-. Volgens de verklaring van [betrokkene 1] is er blijkens het SFO nog eens €30000 aan commissie uitgegeven. [betrokkene] stelt dat het geld simpelweg in een tas / koffer is meegeven aan de Turkse jongen. Die jongen heeft het geld in zijn bus vervoerd naar Turkije. Van underground banking en dus daarbij komende kosten is geen sprake geweest. Eerdere bedragen variërend van vele tienduizenden euro's tot een ton zijn eerder ook "gewoon" contant door [betrokkene 1] (of aan hem gelieerde personen) meegenomen naar Turkije.
Dat [betrokkene] geen zeggenschap heeft laat zich ook onderbouwen door een transactie binnen [D] LTD. Kennelijk is deze vennootschap in Dubai opgericht op 23 juli 2008 en houdt [betrokkene] alle aandelen. Opvallend is dan dat middels een RHV aan de VS onder meer e-mail verkeer is verkregen van het gmail account van [betrokkene 5]; de partner van [betrokkene 1] in [F] S.A. Hierin werd een e-mail bericht aangetroffen gedateerd 26 augustus 2008, van [betrokkene 5] aan het account van [betrokkene 1]. Dit is een maand na de oprichting van [D] Ltd. In die e-mail wordt aangegeven dat er € 749.000,00 staat op de rekening van "[D]", maar dat [B] ltd de hypotheek gaat verstrekken. "[D] moet daarom de gelden overmaken naar "[G]" en dat moet vervolgens overgemaakt worden naar [B], zodat [B] het kan overmaken naar de notaris. Het betreft hier vermoedelijk de regie van het geld voor de hypotheek voor de [a-straat 1] te [plaats], de woning van de verdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 6].
Met andere woorden: [betrokkene 5] bericht [betrokkene 1] dat de hypotheek voor zijn woonhuis op een bepaalde manier geregeld wordt. Bron van het geld voor die hypotheek is het vermogen van [D]; een onderneming op naam van [betrokkene]. Kennelijk gaat [betrokkene] dus niet over het vermogen van [D] als dit via tal van andere vennootschappen gebruikt wordt om de woning van [betrokkene 1] te financieren.
Het kan dan ook niet toevallig zijn dat bij [betrokkene 1] thuis stukken zijn gevonden die zien op de oprichting van [D] LLC. De naam van deze vennootschap vertoont opvallend veel gelijkenis met de naam van de vennootschap in Dubai waar [betrokkene] de aandelen van houdt.
[betrokkene 1] trekt aan de touwtjes van de kerstboom aan vennootschappen waarin hij direct of indirect alle aandelen houdt en zeggenschap heeft.’