ECLI:NL:PHR:2024:708

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2024
Publicatiedatum
27 juni 2024
Zaaknummer
22/01107
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 SrArt. 180 SrArt. 181 SrArt. 182 SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest medeplegen wederspannigheid met letsel wegens ontoereikende bewezenverklaring

De verdachte werd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor medeplegen van wederspannigheid met lichamelijk letsel tegen politieambtenaren tijdens een aanhouding. Het hof legde een gevangenisstraf van één dag en een taakstraf op. De bewezenverklaring omvatte dat het misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel hadden veroorzaakt.

De advocaat van de verdachte stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat de verdachte zelf het letsel had toegebracht, terwijl de strafverzwaringsgrond uit art. 181 Sr Pro alleen geldt voor degene die het letsel zelf veroorzaakt. De Hoge Raad bevestigde dat de strafverzwaringsgrond van art. 181 Sr Pro en art. 182 Sr Pro alleen van toepassing is op degene die het letsel zelf heeft toegebracht, conform eerdere jurisprudentie en wetsgeschiedenis.

De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte zelf het letsel heeft veroorzaakt, waardoor de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd is. Een verbeterde lezing die het letsel zou schrappen en alleen het grondfeit wederspannigheid zou laten staan, is niet mogelijk zonder de ernst van het bewezenverklaarde feit aan te tasten. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.

Daarnaast overweegt de Hoge Raad dat de redelijke termijn is overschreden, zodat het hof ook over deze schending moet oordelen bij de hernieuwde behandeling. De conclusie van de AG strekt tot vernietiging en terugwijzing van de zaak.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak terugverwezen wegens ontoereikende motivering dat verdachte zelf het letsel heeft toegebracht.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01107
Zitting16 april 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 18 maart 2022 door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch wegens “medeplegen van wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag en een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof een beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/01104. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

4.Het eerste middel

4.1
Het middel behelst de klacht dat het arrest is gewezen door een of meerdere raadsheren die niet op de door de wet voorgeschreven wijze zijn beëdigd, zodat het arrest nietig is.
4.2
Het middel faalt op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438 en behoeft geen verdere bespreking.
4.3
Het middel faalt.

5.Het tweede middel

5.1
Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring en/of de kwalificatiebeslissing onvoldoende met redenen is omkleed, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet (zonder meer) kan volgen dat het bewezenverklaarde letsel het gevolg is geweest van door de verdachte gepleegd geweld.
5.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 23 april 2019 te [plaats], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, zich met geweld heeft verzet tegen twee ambtenaren, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van de politie-eenheid Oost-Brabant, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten toen eerdergenoemde opsporingsambtenaren [betrokkene 1] als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekte strafbare feiten hadden aangehouden en vastgegrepen, althans vast hadden, teneinde [betrokkene 1] ter geleiding voor de hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, door:
- zijn arm terug te trekken,
- zich in tegengestelde richting te bewegen dan die [verbalisant 1] hem trachtte te bewegen,
- door die [verbalisant 1] naar voren te trekken,
- door zich los te rukken,
- door die [verbalisant 2] te duwen,
- door de armen van die [verbalisant 2] weg te slaan,
- door die [verbalisant 2] tegen de benen te trappen,
- door die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan, en
- door die [verbalisant 1] aan de arm te trekken,
terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een snee op de knokkel van de pink, twee bulten op het hoofd, een rood rechteroor en spierscheurtjes in de schouder bij die [verbalisant 1] en een zwelling en een bloeduitstorting boven de rechter elleboog, blaasjes/bultjes aan de binnenkant van een hand, krassen en een schaafplek op de rechterarm, beschadigingen aan de knokkels en een rood linkeroor bij die [verbalisant 2] ten gevolge heeft gehad.”
5.3
De bewezenverklaring is gekwalificeerd als hiervoor onder 1 weergegeven en daarmee als het misdrijf van art. 181, onder 1°, Sr.
5.4
De bewezenverklaring steunt op de volgende in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van bevindingen (met bijlagen), d.d. 24 april 2019, pagina 63 tot en met 66, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2]:
[…]
Omstreeks 17.15 uur kwam ik samen met collega [verbalisant 1] ter plaatse op het adres [a-straat 1] te [plaats]. Ik zag dat de betreffende Volkswagen Golf op de oprit geparkeerd stond met de neus richting de woning.
Ik liep samen met collega [verbalisant 1] naar de voordeur van de betreffende woning. Ik zag dat collega [verbalisant 1] aanbelde en dat de deur vervolgens open werd gedaan door een jongedame. De jongedame bleek later te zijn [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] (het hof begrijpt telkens: verdachte). Ik zag dat vervolgens op ons verzoek een jongeman in de deuropening kwam staan. Ik herkende de jongeman direct als de persoon die enkele minuten eerder de betreffende witte Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] bestuurde op de Berghemseweg te Oss. Ik zag dat de jongen gekleed was in een lichtblauw trainingspak. Ik begreep van collega [verbalisant 1] dat deze jongen zeer waarschijnlijk [betrokkene 1] zou moeten zijn. Ik hoorde dat collega [verbalisant 1] [betrokkene 1] (het hof begrijpt telkens: medeverdachte [betrokkene 1]) naar zijn rijbewijs vroeg en hem confronteerde dat wij hem als bestuurder hadden zien optreden terwijl zijn rijbewijs geschorst was. Ik hoorde dat [betrokkene 1] ontkende het voertuig bestuurd te hebben. Ik hoorde dat [betrokkene 1] zei dat niet hij maar zijn vader gereden had.
(pagina 64)
Ik zei op enig moment tegen [betrokkene 1]: “We hebben jou zien rijden, klaar.”. Ik hoorde dat [betrokkene 1] daarop antwoordde: “Ja dus?”.
Ik had het sterke vermoeden dat de personen waar wij mee in gesprek waren niet zonder slag of stoot zouden gaan meewerken. Ik hoorde dat collega [verbalisant 1] vervolgens zei dat [betrokkene 1] aangehouden was voor het rijden met een geschorst rijbewijs. Ik hoorde dat collega [verbalisant 1] aan [betrokkene 1] vroeg of hij mee wilde werken en dat hij kon kiezen of hij het goedschiks of kwaadschiks wilde laten verlopen. Ik hoorde dat [betrokkene 1] bleef ontkennen. Op dat moment stond [verdachte] nog steeds bij ons.
Ik zag dat collega [verbalisant 1] de arm vastpakte van de verdachte [betrokkene 1]. Ik zag vervolgens dat de verdachte [betrokkene 1] zich terugtrok en in de andere richting bewoog dan collega [verbalisant 1]. Ik zag dat collega [verbalisant 1] de verdachte [betrokkene 1] alsnog naar zich toe kon trekken. Ik zag vervolgens dat [verdachte] tussen mij en de verdachte ([betrokkene 1], Hof) en collega [verbalisant 1] kwam staan. Ik hoorde dat [verdachte] begon te krijsen en zag dat zij met haar armen in de richting van collega [verbalisant 1] bewoog en een soort duwende beweging maakte en daarbij collega [verbalisant 1] raakte. Ik heb [verdachte] daarop direct naar achteren geduwd en gewaarschuwd dat zij achteruit moest blijven en anders aangehouden zou worden. Ik zag dat [verdachte] mijn armen weg sloeg en op mij in liep. Ik zag dat [verdachte] met haar armen naar mij bewoog. Ik zag aan haar gezichtsuitdrukking dat zij boos was. Ik heb haar armen vervolgens afgeweerd met mijn handen teneinde te voorkomen dat ze mij kon raken. Ik heb haar vervolgens nogmaals weggeduwd en gewaarschuwd dat ze aangehouden zou worden als ze niet achteruit zou blijven.
Ik zag vervolgens dat er een man de oprit opgelopen kwam en naar ons toe liep. Deze man bleek later de vader van [betrokkene 1] te zijn, genaamd [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats]. [betrokkene 2] wordt vanaf nu [betrokkene 2] genoemd in dit proces-verbaal. Ik zag dat [betrokkene 2] een woeste gezichtsuitdrukking had. Ik zag dat [betrokkene 2] zich tussen collega [verbalisant 1], de verdachte [betrokkene 1] door wurmde. Ik zag dat [betrokkene 2] mij aankeek. Ik zag aan de lichaamshouding en gezichtsuitdrukking dat [betrokkene 2] agressief was.
Ik zag vervolgens dat [betrokkene 2] met zijn linkerhand zijn sigaret uit zijn mond haalde en op mij inliep terwijl hij zijn rechterhand in een vuist hield en die schuin achter zijn lichaam iets geheven hield. Tegelijkertijd zag ik dat [verdachte] op mij ingelopen kwam en mij een duw gaf. Door de gebalde en iets geheven vuist van [betrokkene 2] had ik sterk de indruk dat [betrokkene 2] uit wilde halen om mij te slaan. Mede hierdoor, en het feit dat [betrokkene 2] én [verdachte] tegelijkertijd op mij inliepen voelde ik mij bedreigd. Ik heb [betrokkene 2] daarop direct een duw bij de keel gegeven om hem duidelijk te waarschuwen afstand te houden. Ik heb [betrokkene 2] op zeer duidelijke toon gezegd dat hij achteruit moest blijven. Ik zag dat op dat moment [verdachte] voor mij gezien rechts naast [betrokkene 2] stond. [verdachte] heeft mij op dat moment een voorwaartse trap gegeven tegen mijn been echter was ik mij door het tumult en de dreiging van [betrokkene 2] daar op dat moment niet bewust van. De trap is later door mij waargenomen na het terugkijken van de beelden van de bodycam van mij en de bodycam van collega [verbalisant 1]. Nadat ik [betrokkene 2] achteruit geduwd had zag ik dat [betrokkene 2] weer op mij inliep en daarbij weer zijn rechterhand in een vuist en iets geheven naast zijn lichaam hield.
Vervolgens ontstond er een vechtpartij tussen mij en collega [verbalisant 1] met de verdachten [betrokkene 1] (het hof begrijpt telkens: medeverdachte [betrokkene 1]) en [betrokkene 2]. Ik zag en hoorde dat [verdachte] ook aanwezig was tijdens het tumult. Ik hoorde dat er gekrijst werd. Ik was voornamelijk in gevecht met [betrokkene 2]. Ik zag en voelde dat [betrokkene 2] meerdere keren uithaalde met gebalde vuist. Ik zag dat hij met zijn gebalde vuist richting mijn hoofd bewoog. Ik heb mezelf beschermd door met mijn armen zoveel mogelijk mijn hoofd af te dekken. Ik voelde tijdens het gevecht met [betrokkene 2] dat ik door hem geraakt werd tegen mijn linkeroor en mijn armen. Ik wist op dat moment dat het menens was. Ik heb de verdachte [betrokkene 2] stoten terug gegeven teneinde zijn verzet te doen stoppen. Ik zag dat [betrokkene 2] zijn verzet niet staakte en telkens weer op mij in kwam gelopen.
(pagina 65)
Ik zag en voelde dat [betrokkene 2] mij meerdere keren vastgreep. Op enig moment zag ik dat [betrokkene 2] op de grond terecht kwam. Terwijl ik met [betrokkene 2] in gevecht was voelde ik ineens dat ik van achteren aangevallen werd door [betrokkene 1]. Ik kon [betrokkene 1] van mij weg werken en zag dat hij op zijn rug op de stoep terecht kwam. Ik zag en voelde vervolgens dat [betrokkene 1] tegen mijn been aan trapte. Dit deed pijn. Vervolgens zag ik dat collega [verbalisant 1] de verdachte [betrokkene 2] met pepperspray bespoot. Ik zag dat [betrokkene 2] vervolgens zijn verzet staakte en even bleef staan. Ik zag ook dat [betrokkene 1] zijn verzet staakte en op zijn knieën ging zitten.
Ik zag en voelde dat er een zwelling en bloeduitstorting boven mijn rechter elleboog zat en dat de huid daar beschadigd was. Ik voelde dat de spieren rondom die plek veel pijn deden.
Ik zag dat er op de binnenkant van mijn hand net onder de duim meerdere zeer gevoelige blaasjes/bultjes zaten. Deze bultjes voelden alsof de huid verbrand is, en voelden enorm vervelend en pijnlijk aan. Ik zag en voelde dat ik op de binnenkant van mijn rechter arm krassen en een fikse schaafplek had. Dit deed pijn. Ik zag dat de huid van de knokkels van mijn linker pink en linker wijsvinger beschadigd was. Dit was gevoelig. Ik zag dat mijn linkeroor rood was en voelde dat deze pijn deed.
(pagina 66)
Het letsel en de pijn wat zojuist genoemd is, is allemaal het gevolg van het gevecht met [betrokkene 2].
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2019, pagina 79 tot en met 82, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1]:
(pagina 79)
Ik, [verbalisant 1] (BBN06892), hoofdagent van politie, was op dinsdag 23 april 2019 omstreeks 17.00 uur samen met collega [verbalisant 2] belast met de algehele noodhulpsurveillance binnen district ’s-Hertogenbosch, team Maasland, standplaats Oss. Ik reed samen met collega [verbalisant 2] in een opvallend dienstvoertuig, we waren in uniform gekleed en zodanig herkenbaar als politieambtenaren.
[…]
Ik belde aan en zag dat een jonge vrouw opendeed, waar ik aan vroeg of [betrokkene 1] (Het hof begrijpt telkens medeverdachte [betrokkene 1]) thuis was. Ik verklaar dat later bleek dat deze vrouw [verdachte] (het hof begrijpt telkens: verdachte) heette en zij de vriendin was van [betrokkene 1]. Ik zag dat [verdachte] naar binnenliep en na enkele seconden terugkwam met een jonge manspersoon. Ik herkende deze manspersoon direct als zijnde [betrokkene 1]. Ik herkende [betrokkene 1] aan zijn gelaat en ik zag dat hij een lichtblauw trainingspak droeg. Ik vorderde van [betrokkene 1] inzage in zijn rijbewijs en ik hoorde dat hij zei dat hij geen rijbewijs bij zich had. Hierna vroeg ik aan [betrokkene 1] of hij zojuist in de voornoemde Golf had gereden en ik hoorde dat hij zei: “nee dat was ik niet, dat was mijn vader maar hij is nu even met de hond wandelen”.
Ik zei tegen [betrokkene 1] dat wij hem zojuist hadden zien rijden en dat zijn rijbewijs volledig geschorst was. Ik hoorde dat [verdachte] zich met het gesprek ging bemoeien en zeer luidruchtig begon te praten. Ook zag ik dat zij zeer dicht bij mij en collega [verbalisant 2] kwam staan.
Op 23 april 2019 te 17.20 uur hield ik, samen met collega [verbalisant 2], de verdachte [betrokkene 1] aan. Ik deelde dit mondeling mede aan de verdachte ([betrokkene 1], Hof) en vroeg aan hem of hij ging meewerken aan zijn aanhouding. Ik vroeg aan de verdachte ([betrokkene 1], Hof) of hij mee ging werken en ik hoorde dat hij zei dat hij niet had gereden in het voertuig en niet met ons meeging. Ik hoorde dat [verdachte] en de moeder van verdachte ([betrokkene 1], Hof) tegen ons begonnen te schreeuwen dat hij niet met ons mee ging en hij niets had gedaan. Hierop pakte ik de linkerarm van [betrokkene 1] en wilde hem mijn richting op bewegen. Ik voelde direct dat de verdachte ([betrokkene 1], Hof) zijn spieren aanspande en zijn arm in de tegenovergestelde richting wilde bewegen. Hiermee bedoel ik dat hij zijn arm met kracht terugtrok en zich zodoende aan zijn aanhouding trachtte te onttrekken. Ik voelde dat ik, door deze beweging van de verdachte ([betrokkene 1], Hof), in onbalans kwam. Ik voelde dat de verdachte ([betrokkene 1], Hof) mij naar voren trok, waarna ik bijna ten val kwam. Ik voorkwam dit, doordat ik direct hierna de verdachte ([betrokkene 1], Hof) met kracht mijn richting in trok. lk voelde dat de verdachte ([betrokkene 1], Hof) nog steeds zich met volle kracht trachtte los te rukken. Ik plaatste de armen van de verdachte ([betrokkene 1], Hof) op zijn rug en was voornemens om de transportboeien aan te leggen. Ik zag echter plots dat er een manspersoon, vanuit de openbare weg, onze richting in rende. Ik vermoedde dat deze manspersoon de vader was van de verdachte ([betrokkene 1], Hof).
Ik verklaar dat later bleek, dat dit inderdaad de vader van de verdachte ([betrokkene 1], Hof) betrof en hij volledig genaamd was:
Naam: [betrokkene 2]
Geboren: [geboortedatum]-1971 te [geboorteplaats]
Ik verklaar dat [betrokkene 2] vanaf heden wordt aangeduid als [betrokkene 2].
Ik zag dat [betrokkene 2] met gebalde vuisten naar mij en collega [verbalisant 2] toe rende en ik hoorde dat hij naar ons schreeuwde. Ik verklaar dat de situatie vanaf dit moment geheel escaleerde. Ik hoorde dat al de voornoemde personen aan het schreeuwen waren en allen zeer agressief jegens mij en collega [verbalisant 2] waren en de aanhouding van [betrokkene 1] belemmerden. Ik verklaar dat de ruimte waar wij ons bevonden zeer klein was en ongeveer 2 vierkante meter omvatte.
(pagina 81)
Hierdoor was er zeer weinig werkruimte en voelde de gehele situatie als zeer bedreigend.
Ik zag en hoorde dat [verdachte] zeer agressief werd, aan het gillen was en luidkeels naar collega [verbalisant 2] schreeuwde. Ik zag dat zij met kracht tegen collega [verbalisant 2] aanschopte. Ik zag dat collega [verbalisant 2] haar trachtte weg te duwen, maar dat [verdachte] hem bleef aanvallen door hem te duwen en te slaan. Ik zag dat [betrokkene 2] met gebalde vuisten voor collega [verbalisant 2] stond en hoorde dat hij ook luidkeels schreeuwde. Hierna zag ik, dat collega [verbalisant 2], [betrokkene 2] wegduwde en zodoende wat afstand kon creëren. Echter zag ik dat [betrokkene 2] zijn vuisten nog steeds gebald waren en ik vermoedde dat hij collega [verbalisant 2] wilde gaan slaan. Ik zag dat [betrokkene 2] mijn collega [verbalisant 2] aanviel en er tussen hen een gevecht ontstond.
Ik keek richting collega [verbalisant 2] en zag dat [betrokkene 2], figuurlijk gezien volledig ‘ontplofte’ en met meerdere vuistslagen in de richting van collega [verbalisant 2] sloeg. Toen ik weer richting [betrokkene 1] draaide zag ik dat hij zijn rechter vuist balde, zijn rechterarm naar achteren bewoog en deze vervolgens met snelheid en kracht in mijn richting bewoog. Ik voelde dat [betrokkene 1] mij middels vuistslag, met kracht, op mijn gezicht sloeg. Ik voelde direct een hevige pijnscheut in mijn neus en hoofd. Hierop ontstond er een gevecht tussen mij en [betrokkene 1] waarbij wij in een worsteling terecht kwamen Ik voelde dat ik hierbij in onbalans kwam en bijna achterover viel. Ik voelde dat [betrokkene 1] de spieren in zijn arm volledig aanspande en ik voelde en zag dat hij mij met meerdere vuistslagen, met kracht, sloeg. Ik probeerde deze vuistslagen enigszins af te weren door mijn armen voor mijn gezicht te plaatsen. lk voelde dat [betrokkene 1] mij met kracht tegen mijn armen en schouders sloeg. Ik plaatste hierna enkele vuistslagen op het hoofd van [betrokkene 1], maar zag dat dit weinig effect had. Ik zag dat het [betrokkene 1] zogezegd zwart voor zijn ‘ogen werd’ en hij trachtte mij zwaar Iichamelijk letsel toe te brengen. Hierna ontstond er weer een worsteling tussen mij en [betrokkene 1] en voelde ik dat hij met Kracht aan mijn rechterarm trok. Ik voelde hierbij een hevige pijn in mijn rechterschouder. Hierna ontstond en even wat afstand tussen mij en [betrokkene 1] en zag ik dat collega [verbalisant 2] nog steeds werd belaagd door [betrokkene 2]. Ik zag dat [betrokkene 1] collega [verbalisant 2] van achteren aanviel en hem trachtte te slaan. Ik pakte [betrokkene 1] vast en trok hem weg bij collega [verbalisant 2].
Hierna besloot ik mijn pepperspray te gebruiken en sprayde tweemaal kort in het gezicht van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Ik zag dat dit direct het gewenste effect had en beide verdachten hun verzet staakten.
(pagina 82)
Ik zag en voelde dat ik een snee had op de knokkel van mijn linker pink. Ik voelde dat dit een erg stekende pijn gaf en ik zag dat er bloed uitkwam.
Ik voelde dat ik heel erg veel hoofdpijn had en aan de linkerzijde van mijn hoofd voelde ik een grote bult. Deze bult deed erg veel pijn en gaf een vervelend en kloppend gevoel. Ik voelde dat mijn rechterschouder erg bezeerd was en het voelt alsof erg zijn opgerekt. Ik voelde dat mijn rechterarm erg veel pijn deed als ik deze optilde.
Ik zag in de spiegel dat mijn rechteroor erg rood was en voelde dat deze ook erg veel pijn deed.
Ik voel dat er een grote bult op mijn achterhoofd zit en deze steeds meer pijn doet.
3. Het proces-verbaal van bevindingen (met bijlagen), d.d. 25 april 2019, pagina 103 tot en met 106, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 3]:
(pagina 103)
Op 25 april 2019 deed ik onderzoek naar de camerabeelden. Voor zover ik weet is het beeld opgenomen vanaf de bodycam, die mijn collega [verbalisant 1] droeg ten tijde van het incident, dat plaatsvond op 23 april 2019.
(pagina 104)
Toen mijn collega [verbalisant 1] bij de voordeur stond, ging de voordeur open. In de hal stond een jonge vrouw.
Uit het proces-verbaal van mijn collega [verbalisant 1] concludeer ik dat deze vrouw [verdachte] (het hof begrijpt telkens: verdachte) heet.
Nadat mijn collega [verbalisant 1] mededeelde waarvoor hij kwam, zag ik dat [verdachte] wegliep en ik hoorde dat ze iemand riep. Kort daarna kwam vanuit de woning een man tevoorschijn.
Uit het proces-verbaal van mijn collega [verbalisant 1] concludeer ik dat die man, [betrokkene 1] heet en verder in dat proces-verbaal als [betrokkene 1] genoemd wordt. Zo zal hij in dit proces-verbaal ook genoemd worden.
Vervolgens hoorde ik dat mijn collega [verbalisant 1] tegen [betrokkene 1] zei: “dat hij hem net zag rijden in die Golf” en “als het goed is, is jouw rijbewijs geschorst”. Waarna mijn collega [verbalisant 1] vroeg om het rijbewijs zodat hij dat zou kunnen controleren. Daarna hoorde ik dat [betrokkene 1] zei: “dat ik net niet gereden had”. Daarna ontstaat er een discussie tussen [betrokkene 1] en mijn collega [verbalisant 1]. Ik hoorde aan de vrouwenstem, dat er een vrouw zich mengde in de discussie. [betrokkene 1] bleef daarbij ontkennen dat hij had gereden en verklaarde dat zijn vader net had gereden. Vervolgens hoorde ik dat mijn collega [verbalisant 1] zei tegen [betrokkene 1]: “het kan moeilijk of makkelijk, maar jij wordt wel aangehouden. Het kan goedschiks of kwaadschiks mij maakt het niet uit. Maar je bent wel aangehouden bij deze”.
Waarna [betrokkene 1] bleef ontkennen en met zijn handen in zijn zij, in de voordeuropening bleef staan. Daarna zag ik dat de linkerhand van mijn collega [verbalisant 1] naar de rechterarm van [betrokkene 1] bewoog. Daarop gevolgd zag ik dat de rechterhand van mijn collega [verbalisant 1] naar de onderarm van [betrokkene 1] bewoog. Ik zag dat [betrokkene 1] zich terug bewoog, in de richting van de woning. Op dat moment zag ik dat [verdachte] naar voren stapte en zich mengde bij de aanhouding van [betrokkene 1]. [verdachte] bewoog zich in de richting van mijn collega [verbalisant 1], die op dat moment bezig was [betrokkene 1] aan te houden. Ik zag dat [verdachte] door mijn collega [verbalisant 2] weg werd gehaald.
Ik zag dat er een man richting mijn collega [verbalisant 1] en [betrokkene 1] kwam gelopen.
(pagina 105)
Ik zag dat hij een donkerblauw Adidas trainingspak met gele strepen vanaf de schouders, tot aan de onderzijde van de mouwen droeg. Uit het proces-verbaal van mijn collega [verbalisant 1] concludeer ik dat deze man [betrokkene 2] is, die in zijn proces-verbaal als [betrokkene 2] wordt genoemd.
Zo zal hij ook in dit proces-verbaal worden genoemd.
Terwijl [betrokkene 2] zich tussen [betrokkene 1] en de vrouw in de roze jas drukte, hoor ik dat mijn collega [verbalisant 1], riep “jij was aangehouden”. Vervolgens zag ik dat [betrokkene 2] zich direct richting mijn collega [verbalisant 2] richtte. Terwijl hij dat deed, hoorde ik dat mijn collega [verbalisant 2] “achteruit!” riep in de richting van [betrokkene 2]. Terwijl hij dat deed zag ik dat [verdachte] links naast [betrokkene 2] kwam staan en ik zag dat ze met haar rechterbeen mijn collega [verbalisant 2] ter hoogte van zijn kruis/ onderbuik trapte en hem ook raakte. Op dat moment was mijn collega [verbalisant 2] doende met de benadering van [betrokkene 2] die hij op dat moment met zijn linkerhand achteruit duwde. Daarbij duwde hij [betrokkene 2] in de halsstreek.
Vervolgens zag ik [betrokkene 2] vanaf zijn rechterzijde, voor hem stond mijn collega [verbalisant 2]. Ik zag dat [verbalisant 2] [betrokkene 2] met zijn linkerhand op de borst duwde en vervolgens met zijn rechterhand gebald tot een vuist [betrokkene 2] sloeg. Daarop zag ik dat mijn collega [verbalisant 2] [betrokkene 2] vastpakte waarop een vechtpartij tussen beiden ontstond. Daarbij zag ik dat Vos41 probeerde om mijn collega [verbalisant 2] van achteren vast te pakken. Hierop zag ik dat mijn collega [verbalisant 1] [betrokkene 1] vastpakte. Wat er daarna gebeurde is niet te zien, doordat de bodycam op de grond viel. Dat gebeurde volgens het beeld om 17.17.56 uur. Wel hoor ik veel gegil, en hoor ik meerdere malen ‘achteruit’.
4. Het proces-verbaal van bevindingen (met bijlagen), d.d. 25 april 2019, pagina 109 tot en met 112, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 3]:
(pagina 109)
Op 25 april 2019 keek ik de bodycambeelden die mijn collega [verbalisant 2] droeg ten tijde van het incident dat plaatsvond op 23 april 2019.
Toen mijn collega [verbalisant 1] voor de voordeur stond, zag ik dat de voordeur open ging. Ik zag dat in de hal van de woning een jonge vrouw stond.
(pagina 110)
Uit het proces-verbaal van mijn collega [verbalisant 2] concludeer ik dat deze vrouw [verdachte] (het hof begrijpt telkens: verdachte) heet.
Ik hoorde dat mijn collega [verbalisant 1] “hoi [betrokkene 1]” zei en vervolgens zei dat ze hem net hadden zien rijden in een Golf. Direct daarop draaide het beeld waarop er een man zichtbaar werd die op dat moment in de voordeur opening stond. Ik zag dat hij een lichtblauw Adidas trainingspak met witte strepen droeg. Uit het proces-verbaal van mijn collega [verbalisant 2] concludeer ik dat die man [betrokkene 1] heet en verder wordt hij in dit proces-verbaal genoemd als [betrokkene 1].
Vervolgens hoorde ik dat mijn collega [verbalisant 1] tegen [betrokkene 1] zei: “dat hij hem net zag rijden in die Golf en als het goed is jouw rijbewijs geschorst?”. Waarna mijn collega [verbalisant 1] vroeg om het rijbewijs zodat hij hem zou kunnen controleren. Daarna ontstaat er een discussie tussen [betrokkene 1] en mijn collega [verbalisant 1].
[betrokkene 1] bleef daarbij ontkennen dat hij had gereden en verklaarde dat zijn vader er net in gereden had. In dat gesprek hoorde ik dat mijn collega [verbalisant 2] zei dat ze hem net hadden zien rijden. Kort erop hoorde ik dat mijn collega [verbalisant 1] zei tegen [betrokkene 1]: “het kan moeilijk of makkelijk maar jij wordt wel aangehouden. Het kan goedschiks of kwaadschiks mij maakt het niet uit. Maar je bent wel aangehouden bij deze”.
Waarna [betrokkene 1] bleef ontkennen en met zijn handen in zijn zij in de voordeuropening bleef staan. Daarna zag ik dat de linkerhand van mijn collega [verbalisant 1] naar de rechterarm van [betrokkene 1] bewoog. Daarop gevolgd zag ik dat de rechterhand naar de onderarm van [betrokkene 1] bewoog. Ik zag dat [betrokkene 1] zich terug bewoog, in de richting van de woning en zich met zijn linkerhand vasthield aan het kozijn. Ik zag dat mijn collega [verbalisant 1] [betrokkene 1] naar zich toetrok. Ik zag dat mijn collega [verbalisant 2] met zijn linkerhand [betrokkene 1] vastpakte en in de richting van mijn collega [verbalisant 1] bewoog. Terwijl dat gebeurde zag ik dat [verdachte] mee naar buiten kwam en zich mengde bij de aanhouding. Daarbij zag ik dat ze mijn collega [verbalisant 1] raakte.
Direct daarop bewoog ze naar achteren. Haar reactie daarop was dat [verdachte] wederom richting mijn collega [verbalisant 1] bewoog. Daarop zag ik dat mijn collega [verbalisant 2] met zijn linkerhand [verdachte] ter hoogte van de hals richting de woning probeerde te duwen. Ik zag dat [verdachte] met haar rechterhand naar de linkerarm van mijn collega [verbalisant 2] sloeg. Vervolgens zag ik dat [verdachte] zich richting mijn collega [verbalisant 2] bewoog en met beide handen richting mijn collega [verbalisant 2] kwam. Ik zag daarbij dat mijn collega [verbalisant 2] haar handen met zijn handen tegenhield. Terwijl dat gebeurt zag ik dat mijn collega [verbalisant 1] [betrokkene 1] nog vasthield bij zijn arm. Direct daarop draaide het beeld in de richting van [verdachte]. Ik zag dat [verdachte] wild met haar handen zwaaide in de richting van mijn collega [verbalisant 2].
(pagina 111)
Uit de gezichtsuitdrukking van [verdachte] maakte ik op dat ze kwaad was. Vervolgens zag ik dat mijn collega [verbalisant 2] haar vastpakte en wegduwde en daarbij riep dat ze achteruit moest gaan want anders werd ze aangehouden. Waarop het beeld weer gedraaid werd richting [betrokkene 1] en mijn collega [verbalisant 1]. Tussen mijn collega [verbalisant 1] en Timmermans in stond ineens een man.
Uit het proces-verbaal van mijn collega [verbalisant 2] concludeer ik dat deze man [betrokkene 2] is. In dit proces-verbaal wordt hij [betrokkene 2] genoemd.
Ik zag dat [betrokkene 2] kwaad richting mijn collega [verbalisant 2] bewoog. Ik zag dat hij boos keek en dat hij wild de sigaret uit zijn mond pakte en met een snelle beweging weggooide. [verdachte] was op dat moment nog steeds hard aan het schreeuwen. Ik hoorde dat mijn collega [verbalisant 2] riep: “achteruit, achteruit!”. Ondanks dat zag ik dat zowel [verdachte] als [betrokkene 2] kwaad op hem af kwamen. Daarop zag ik dat mijn collega [verbalisant 2] met zijn linkerhand [betrokkene 2] achteruit duwde. Daarbij duwde hij [betrokkene 2] in de halsstreek. Daarna zag ik dat [betrokkene 2] zijn rechterhand tot een vuist gebald had. Vervolgens ontstond er een vechtpartij tussen [betrokkene 2] en mijn collega [verbalisant 2]. Daarbij zag ik dat de handen van mijn collega snel en meerdere malen richting [betrokkene 2] gingen. Ook zag ik dat [betrokkene 2] wilde bewegingen maakte en dat zijn handen naar mijn collega [verbalisant 2] gingen. Wat uiteindelijk er in resulteert dat [betrokkene 2] op de grond belandde tegen de woning aan. Daarna draaide het beeld. Vervolgens zag ik dat [betrokkene 2] weer op probeerde te staan. Ik zag dat mijn collega [verbalisant 2] met zijn linkerhand op het hoofd van [betrokkene 2] duwde. Daarna draaide het beeld weer even en verplaatste mijn collega [verbalisant 2] zich wat.
Toen mijn collega [verbalisant 2] terugdraaide naar [betrokkene 2] zag ik dat [betrokkene 2] weer op stond en weer in de richting van mijn collega [verbalisant 2] kwam. Wederom ontstond er een vechtpartij tussen [betrokkene 2] en mijn collega [verbalisant 2]. Vervolgens werd [betrokkene 2] op de Volkswagen geduwd. Terwijl dat gebeurde zag ik dat mijn collega [verbalisant 1] [betrokkene 1] vasthield.
Daarna zag ik dat er wederom wild werd bewogen. Met wie mijn collega [verbalisant 2] op dat moment in gevecht was is niet duidelijk te zien, maar uiteindelijk belandde [betrokkene 1] op de grond voor de woning. Ik zag dat [betrokkene 1] trappende bewegingen maakte richting mijn collega [verbalisant 2] die op dat moment bij de voeten van [betrokkene 1] stond.
Op een bepaald moment zag ik dat zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] naar het gezicht grepen. Ik zag dat mijn collega [verbalisant 1] pepperspray vasthield. Kort daarna hoorde ik dat er bevolen werd dat men op de knieën moest gaan zitten. Ik zag dat [betrokkene 1] op zijn knieën ging zitten.
5. Een geschrift, te weten een mutatierapport van de politie-eenheid Oost-Brabant, district ‘s-Hertogenbosch, basisteam Maasland, registratienummer PL21002019083226-1, als los onderdeel van het door de politierechter onder 2 opgesomde 37 pagina’s tellende dossier van de politie Oost-Brabant, Externe memo, afgesloten d.d. 3 juni 2019’, voor zover inhoudende:
Mutatierapport
Opmaak datum/tijd : donderdag 25 april 2019 om 22:37 uur
Hoofdincident
Registratienummer : 2019083226
Maatschappelijke klasse : Wederspannigheid (verzet)
Datum/tijd kennisname : dinsdag 23 april 2019 om 17:00 uur
Pleegdatum/tijd : Op dinsdag 23 april 2019 om 17:19 uur
Plaats voorval : [a-straat 1], [postcode] [plaats]
Soort locatie : Erf/tuin/balkon
Verbalisanten : (…)
[verbalisant 2]
[verbalisant 1]
(…)
[verbalisant 3]
Toelichting bij incident
25/04/2019 [verbalisant 3]
2 maal pv gemaakt van de bodycams. (…)
24-04-2019 [verbalisant 1]
(…)
Letsel op woensdag 24 april 2019 omstreeks 15.00 uur
Vanochtend naar de huisarts gewezen voor de pijn in mijn schouder, deze heeft me doorverwezen naar de fysio. Fysio vermoed een tweetal spierscheurtjes in mijn rechterschouder. Nog steeds veel pijn hieraan.
(…)
24-04-2019 [verbalisant 2]
Beide verdachten […] de gevarenclassificatie VERZETPLEGER toegekend in BVH.
18 geweldsmelding opgemaakt in BVH.
Letsel: op woensdag 24 april 2019 omstreeks 13.40 uur nog steeds last van mijn rechterarm boven de elleboog.
6. Een geschrift, te weten een aanvulling op de vordering als weergegeven in het ingevulde formulier ‘verzoek tot schadevergoeding’ d.d. 17 juni 2019, ingediend namens [verbalisant 1] als slachtoffer, voor zover inhoudende:
Voor mijn schouder ben ik bij de fysiotherapeut geweest. Hij vermoedde dat er 2 spieren waren gescheurd. Volgens de fysiotherapeut zouden de spieren volledig genezen. Ik heb er nu nog steeds last van bij volledige strekking en of als ik plotseling kracht moet zetten.”
5.5
De bewijsoverwegingen van het hof houden het volgende in:
“De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern (primair) aangevoerd dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (hierna steeds: [verbalisant 2] en [verbalisant 1]) buiten de geweldsbevoegdheid van artikel 7 van Pro de Politiewet 2012 zijn getreden en zij daardoor niet meer werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt, omdat de verdachte zich moest en mocht verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van haar eigen en andermans lijf.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en het procesdossier komt het volgende naar voren. Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] komen op 23 april 2019 omstreeks 17.15 uur ter plaatse op het adres [a-straat 1] te [plaats], teneinde medeverdachte [betrokkene 1] aan te houden ter zake van overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Op de beelden van de bodycams van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] is te zien en te horen dat verbalisant [verbalisant 1] aanbelt, waarna de deur wordt geopend door de verdachte. Op verzoek van de verbalisanten verschijnt vervolgens medeverdachte [betrokkene 1] in de deuropening. Verbalisant [verbalisant 1] deelt medeverdachte [betrokkene 1] mede dat hij wordt aangehouden ter zake van overtreding van de Wegenverkeerswet 1994, en vraagt hem of hij mee wil werken aan zijn aanhouding. [verbalisant 1] pakt medeverdachte [betrokkene 1] bij zijn arm, waartegen hij zich verzet door zijn arm met kracht terug te trekken.
Vanaf het moment dat [verbalisant 1] medeverdachte [betrokkene 1] mededeelt dat hij wordt aangehouden, mengen de verdachte en de moeder van medeverdachte [betrokkene 1] zich in de aanhouding van medeverdachte [betrokkene 1]. Zij geven schreeuwend te kennen dat medeverdachte [betrokkene 1] niet met verbalisanten mee gaat en dat hij niets heeft gedaan. Op het moment dat verbalisant [verbalisant 1] medeverdachte [betrokkene 1] fysiek naar buiten wil brengen, begint verdachte te krijsen en probeert zij [verbalisant 1] weg te duwen bij de medeverdachte [betrokkene 1]. Verbalisant [verbalisant 2] duwt de verdachte meermaals achteruit en waarschuwt haar meermaals dat ze aangehouden wordt als ze niet achteruit gaat en blijft. De verdachte geeft hieraan echter geen gehoor en blijft zich mengen in de aanhouding van medeverdachte [betrokkene 1], die zich tegen zijn aanhouding blijft verzetten.
Op enig moment komt een man, [betrokkene 2] – de vader van de medeverdachte [betrokkene 1]–, ter plaatse. Hij komt met een agressieve lichaamshouding en gelaatsuitdrukking aangelopen en mengt zich direct in de aanhouding van de medeverdachte [betrokkene 1].
Vanaf dat moment ontstaat een gevecht tussen de verdachte, medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] enerzijds en verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] anderzijds, waarbij verbalisant [verbalisant 2] wordt aangevallen door de verdachte en medeverdachten [betrokkene 2] en verbalisant [verbalisant 1] door medeverdachte [betrokkene 1]. Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] worden daarbij geconfronteerd met een explosie van geweld vanuit de verdachte en medeverdachten. Zo is sprake van duwen, trekken, slaan en trappen. Beide verbalisanten raken hierbij gewond. Uiteindelijk is het gebruik van pepperspray nodig om het verzet van de verdachte en de medeverdachten te doorbreken en te staken. Beide verbalisanten hebben door het uitgeoefende geweld letsel opgelopen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening en zij niet disproportioneel hebben gehandeld, noch dat zij buiten de geweldsbevoegdheid van artikel 7 van Pro de Politiewet 2012 zijn getreden. Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] kwamen ter plaatse bij de woning van de medeverdachte [betrokkene 1] teneinde hem op heterdaad aan te houden ter zake van overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Medeverdachte [betrokkene 1] wilde kenbaar niet meewerken aan zijn aanhouding, verzette zich hiertegen en trachtte zich daaraan met geweld te onttrekken. Verdachte en medeverdachte [betrokkene 2] hebben zich vervolgens met geweld gemengd in de aanhouding van de medeverdachte [betrokkene 1] en zich daarbij tegen de verbalisanten gekeerd en verzet. Door zich fysiek en met geweld te verzetten tegen de aanhouding van de medeverdachte [betrokkene 1], op de kleine afgegrensde oppervlakte voor de woning, noopten de verdachte en haar medeverdachten de verbalisanten hen met fysieke kracht onder controle te brengen. Het door de verdachte en haar medeverdachten gebruikte geweld te doen ophouden. Uiteindelijk was de inzet van pepperspray nodig om het geweld en het verzet bij deze aanhouding te breken en te doen staken.
Het hof verwerpt mitsdien de verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.”
5.6
Het hof heeft tot slot overwogen:
“Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22b, 22c, 22d, 36f, 47 en 181 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.”
5.7
Uit de toelichting op het middel maak ik op dat in de kern geklaagd wordt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet (zonder meer) kan volgen dat het bewezenverklaarde letsel het gevolg is geweest van door de verdachte gepleegd geweld. Nu uit het wettelijk systeem zou volgen dat de strafverzwaringsgrond inhoudende dat de wederspannigheid letsel ten gevolge heeft gehad alleen van toepassing is als de verdachte het letsel zelf heeft toegebracht, is de bewezenverklaring en/of de kwalificatiebeslissing volgens de steller van het middel onvoldoende met redenen omkleed.
5.8
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
- art. 141 Sr Pro:
“1. Zij die openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
2. De schuldige wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie, indien hij opzettelijk goederen vernielt of indien het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien dat geweld de dood ten gevolge heeft.
[…]”
- art. 180 Sr Pro:
“Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, of tegen personen die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verlenen, wordt als schuldig aan wederspannigheid gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”
- art. 181 Sr Pro:
“De dwang en de wederspannigheid in de artikelen 179 en 180 omschreven worden gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden of geldboete van de vijfde categorie, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien zij de dood ten gevolge hebben.”
- art. 182 Sr Pro:
“1. De dwang en de wederspannigheid in de artikelen 179 en 180 omschreven, door twee of meer personen met verenigde krachten gepleegd, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. De schuldige wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden of geldboete van de vijfde categorie, indien het door hem gepleegde misdrijf of de daarbij door hem gepleegde feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien zij de dood ten gevolge hebben.”
5.9
Wederspannigheid is strafbaar gesteld in art. 180 Sr Pro. Art. 181 en Pro 182 Sr bevatten gekwalificeerde vormen van dit gronddelict. De strafverzwarende omstandigheden die zijn opgenomen in art. 181 Sr Pro hebben betrekking op gevolgen van de wederspannigheid. Het gaat daarbij om enig lichamelijk letsel (onder 1°), zwaar lichamelijk letsel (onder 2°) of de dood (onder 3°). De strafverzwaringsgrond van art. 182 Sr Pro is van toepassing wanneer de wederspannigheid door twee of meer personen met verenigde krachten is gepleegd. Ook voorziet art. 182 lid 2 Sr Pro in de mogelijkheid tot een nog verdergaande strafverzwaring voor het geval waarin het door de verdachte gepleegde in het eerste lid omschreven misdrijf of de daarbij door hem gepleegde feitelijkheden enig lichamelijk letsel (onder 1°), zwaar lichamelijk letsel (onder 2°), of de dood (onder 3°) ten gevolge hebben.
5.1
De gekwalificeerde vormen van wederspannigheid als bedoeld in art. 181 en Pro 182 Sr vertonen sterke overeenkomsten met (de gekwalificeerde variant van) het delict openlijke geweldpleging. Om te beginnen bevat art. 141 lid 2 Sr Pro net als art. 181 en Pro 182 Sr de mogelijkheid tot strafverhoging wanneer het in het eerste lid bedoelde feit enig lichamelijk letsel, zwaar lichamelijk letsel of de dood ten gevolge heeft gehad. Deze zwaardere strafbedreigingen uit art. 141 lid 2 Sr Pro zijn volgens de Hoge Raad in verband met de wetsgeschiedenis alleen van toepassing op de dader van het in het eerste lid omschreven misdrijf die het geweld heeft gepleegd dat het letsel of de dood heeft veroorzaakt. [1] Het feit dat art. 141 lid 2 Sr Pro de formulering “het door hem gepleegde geweld” bevat, wijst eveneens in die richting.
5.11
Daarnaast stond in art. 141 Sr Pro, net als in art. 182 Sr Pro, het bestanddeel “met verenigde krachten”. De toenmalige minister van Justitie heeft in de nota naar aanleiding van het verslag aangegeven dat het voor de hand ligt de begrippen “met verenigde krachten” in art. 141 en Pro 182 op dezelfde manier uit te leggen. [2] De term is in art. 141 Sr Pro vervangen door het bestanddeel “in vereniging”. [3] Uit de memorie van toelichting blijkt dat deze wijziging niet alleen terminologisch van aard was. [4] Het bestanddeel “met verenigde krachten” werd restrictief uitgelegd. Vereist daarvoor was dat van de verdachte een gewelddadige handeling was uitgegaan. [5] Met de wetswijziging werd beoogd de rechtsontwikkeling van een ruimere interpretatie van het medeplegen te laten doorwerken in art. 141 Sr Pro, in die zin dat ook de persoon die zelf geen geweldshandeling had verricht strafbaar kan zijn. [6] De wetgever gaf aan dat deze wijziging niets veranderde aan de uitleg van art. 141 lid 2 Sr Pro. [7] De Hoge Raad bevestigde dit als volgt in zijn arrest van 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3230:
“4.6. Opmerking verdient dat de in art. 141, tweede lid onder 1°, Sr opgenomen zwaardere strafbedreiging alleen van toepassing is op de verdachte die zelf het bewezenverklaarde letsel heeft toegebracht, zodat de verdachte niet op grond van deze bepaling strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door zijn mededaders in het kader van het openlijke geweld veroorzaakte letsel. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis van dit artikellid. De Wet van 25 april 2000, Stb. 2000, 173, waarbij onder meer art. 141 Sr Pro is gewijzigd, heeft daarin geen verandering gebracht, in aanmerking genomen dat de Minister bij de behandeling van het desbetreffende wetsvoorstel - voor zover hier van belang - het volgende heeft geantwoord op hem gestelde vragen:
“Deze leden vragen voorts of de algemene deelnemingsvormen van toepassing zijn op het tweede lid. In dat verband kan voorop worden gesteld, dat het niet goed met de tekst van het tweede lid te rijmen zou zijn, wanneer de strafverzwarende omstandigheden die in dat artikellid expliciet tot bepaalde plegers beperkt worden, bijvoorbeeld via de algemene deelnemingsregeling toch voor rekening van anderen zouden kunnen komen.” (Kamerstukken II, 1998-1999 26 519, nr. 6, blz. 23).” [8]
5.12
De uitleg die wordt gegeven aan art. 141 lid 2 Sr Pro geldt naar mijn mening ook voor art. 182 lid 2 Sr Pro. Uit de bewoordingen van art. 182 lid 2 Sr Pro blijkt eveneens ondubbelzinnig dat de strafverzwaringsgrond alleen van toepassing is op de persoon die zelf het letsel heeft toegebracht. Art. 182 lid 2 Sr Pro bevat immers de toevoeging: “het door hem gepleegde misdrijf of de daarbij door hem gepleegde feitelijkheden”. Dat de strafverzwarende gevolgen van art. 182 lid 2 Sr Pro alleen voor rekening komen van de verdachte die zelf het bewezenverklaarde letsel heeft toegebracht, vindt bovendien bevestiging in een arrest van de Hoge Raad uit 1908. Dit arrest houdt onder meer het volgende in:
“dat echter genoemd art. 182 ingeval Pro de wederstand in art. 180 omschreven Pro, door twee of meer personen met vereenigde krachten is gepleegd, indien het misdrijf eenig lichamelijk letsel ten gevolge heeft, deze laatste omstandigheid alleen als bezwarend aangemerkt ten aanzien van hem, wiens eigen daad dit letsel ten gevolge heeft, zonder dat de overige deelnemers aan de wederspannigheid daarvoor aansprakelijk zijn;” [9]
5.13
Uit het systeem van de wet vloeit mijns inziens voort dat ook de strafverzwaringsgronden uit art. 181 Sr Pro alleen kunnen worden toegepast wanneer het bewezenverklaarde letsel door de verdachte is toegebracht, nog daargelaten de vraag of het medeplegen van overtreding van art. 181 Sr Pro mogelijk is, dan wel in plaats daarvan art. 182 Sr Pro moet worden toegepast. Daarbij neem ik in aanmerking dat voor vervulling van de strafverzwaringsgrond in art. 141 lid 2 Sr Pro bij openlijke geweldpleging vereist is dat vaststaat dat de verdachte het letsel heeft veroorzaakt, terwijl het medeplegen – in de vorm van “in vereniging” – een bestanddeel vormt van art. 141 Sr Pro. Ik zie niet in waarom dit anders zou zijn met betrekking tot het medeplegen van wederspannigheid. Dat de bewoordingen van art. 181 Sr Pro niet inhouden dat het “door hem gepleegde” misdrijf of de daarbij “door hem gepleegde” feitelijkheden letsel en/of de dood ten gevolge heeft, doet daar wat mij betreft niet aan af. Art. 181 Sr Pro is immers geschreven voor de situatie waarin de wederspannigheid door één persoon wordt gepleegd, nu in art. 182 Sr Pro reeds was voorzien in meervoudig daderschap. Bovendien zou het wat mij betreft onwenselijk zijn als de voor art. 182 Sr Pro geldende voorwaarde dat het letsel het gevolg is van het door de verdachte zelf gepleegde misdrijf of de daarbij door hem gepleegde feitelijkheden, kan worden omzeild door het medeplegen van overtreding van art. 181 Sr Pro ten laste te leggen en bewezen te verklaren.
5.14
In de onderliggende zaak blijkt uit de bewoordingen “tezamen en in vereniging met een of meer anderen, […] terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten […], ten gevolge heeft gehad”, dat de tenlastelegging is toegesneden op het medeplegen van art. 181, onder 1°, Sr. Het hof heeft de in de tenlastelegging opgenomen gevolgen van de wederspannigheid bewezenverklaard en het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “medeplegen van wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben”. Ook uit de in het arrest opgenomen toepasselijke wettelijke voorschriften blijkt dat de bewezenverklaring is gegrond op het medeplegen van overtreding van art. 181 Sr Pro.
5.15
Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat het bewezenverklaarde letsel (mede) is toegebracht door de verdachte. Gelet hierop en in het licht van wat in het voorgaande is overwogen over de eisen die worden gesteld aan het vervullen van de strafverzwaringsgrond van art. 181, onder 1°, Sr, is de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend gemotiveerd.
5.16
Ik heb mij nog afgevraagd of vernietiging van de bestreden uitspraak achterwege kan blijven door de bewezenverklaring verbeterd te lezen. Er blijft na schrapping van het strafverzwarende gevolg namelijk voldoende over voor het grondfeit wederspannigheid. In die verbeterde lezing zou echter niet zozeer de aard, maar wel de ernst van het bewezenverklaarde worden aangetast. Ik wijs daarbij op het aanmerkelijke verschil in strafbedreiging (wat betreft de maximale vrijheidsstraf) tussen art. 180 en Pro 181, onder 1°, Sr: respectievelijk 1 en 5 jaar gevangenisstraf. Om die reden zie ik voor het achterwege laten van cassatie in de voorliggende zaak geen ruimte.
5.17
Het middel slaagt.
6. Ambtshalve overweeg ik nog het volgende. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat in cassatie de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, is overschreden. De rechter naar wie de zaak wordt teruggewezen zal aldus ook over de schending van de redelijke behandeltermijn in de cassatiefase moeten oordelen.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 6 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8498,
3.Wet van 25 april 2000 tot wijziging van artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafrecht (
5.HR 9 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8600,
8.HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3230, r.o. 4.6; nadien herhaald in HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2489,
9.HR 8 juni 1908, Weekblad van het Regt 8726.