ECLI:NL:PHR:2024:718

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 mei 2024
Publicatiedatum
28 juni 2024
Zaaknummer
23/03622
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROparagraaf 8.3 Cao Rijk
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over loonvordering na ontbinding arbeidsovereenkomst met de Staat

In deze zaak vordert verzoeker doorbetaling van loon en toelagen na eenzijdige beëindiging van zijn plaatsing bij de Nederlandse Vertegenwoordiging in Sint Maarten door de Staat. Het Gerecht in Eerste Aanleg wees de vorderingen af, waarna het hof in hoger beroep de arbeidsovereenkomst ontbond per 1 september 2022 en de Staat veroordeelde tot betaling van de buitenlandtoelage over een beperkte periode.

Verzoeker stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking, met als kern dat het hof onjuist had geoordeeld over de gevolgen van de ontbinding en de doorbetaling van loon. De Procureur-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep, omdat het hof terecht uitging van de ontbinding en de loonbetalingen conform cao en wetgeving.

De Hoge Raad volgt dit advies en bevestigt dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd en dat de loonvordering buiten de reeds toegekende buitenlandtoelage niet toewijsbaar is. Daarmee blijft het hofbesluit in stand en wordt verzoeker veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoeker wordt verworpen en het hofbesluit tot gedeeltelijke toewijzing van de loonvordering blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03622
Zitting17 mei 2024
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. S.F. Sagel,
tegen
De Staat der Nederlanden(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als
[verzoeker]respectievelijk
de Staat.

1.Inleiding en samenvatting

Het cassatieberoep van [verzoeker] is gericht tegen een beschikking waarin het Gemeenschappelijk Hof (hierna:
het hof) heeft beslist op de vorderingen van [verzoeker] tot (kort gezegd) doorbetaling van loon door zijn werkgever, de Staat. Het hof heeft bij die beoordeling tot uitgangspunt genomen dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 september 2022 is ontbonden. Daarmee bouwt het hof voort op zijn beslissing in een andere beschikking, waartegen zich het andere cassatieberoep van [verzoeker] richt. In die zaak (23/03621) neem ik vandaag eveneens conclusie, strekkende tot verwerping. Het cassatieberoep in deze zaak (23/03622) deelt in dat lot en slaagt dus niet.

2.Feiten

2.1
In cassatie kan van de feiten worden uitgegaan zoals weergegeven in hoofdstuk 2 van mijn conclusie van vandaag in zaak 23/03621. [1] Ik volsta met daarnaar te verwijzen.

3.Procesverloop

Eerste aanleg

3.1
[verzoeker] heeft bij inleidend verzoekschrift van 5 mei 2022 het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten (hierna:
het Gerecht) verzocht om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:
a. de Staat te verbieden om uitvoering te geven aan de eenzijdige beëindiging van de plaatsing van [verzoeker] bij de Nederlandse Vertegenwoordiging in Sint Maarten en de daarmee gepaard gaande wijzigingen in werklocatie, taken en loon, zoals aangekondigd in de brief van 6 april 2022,
b. de Staat te veroordelen om aan [verzoeker] te betalen het achterstallige loon, inclusief (buitenland)toelagen, dat verschuldigd is onder de arbeidsovereenkomst vanaf 10 mei 2022 tot aan de datum dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd, althans over een door de rechter in goede justitie te bepalen periode, te vermeerderen met de wettelijke rente alsmede de wettelijke verhogingen vanaf indiening van hat verzoekschrift tot aan de dag van algehele voldoening, en
c. de Staat te veroordelen in de proceskosten, met de wettelijke rente daarover.
3.2
Op 29 juni 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de vertegenwoordigers van de Staat via videoconference aanwezig waren. Tijdens deze zitting is ook het verzoek van de Staat behandeld, strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker]. [2] Partijen hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd. [3] De Staat heeft ter zitting verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [verzoeker].
3.3
Bij beschikking [4] van 12 juli 2022 heeft het Gerecht de vorderingen van [verzoeker] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten.
Hoger beroep
3.4
[verzoeker] is bij beroepschrift van 22 augustus 2022 in hoger beroep gekomen van de beschikking van het Gerecht bij het hof. [verzoeker] heeft zijn vordering in hoger beroep gewijzigd, in die zin dat hij het hof (na akte wijziging eis van 9 mei 2023) verzoekt – samengevat – om:
a. een verklaring voor recht dat de eenzijdige beëindiging van zijn plaatsing bij de Nederlandse Vertegenwoordiging op Sint Maarten en de daarmee gepaard gaande wijzigingen in werklocatie, taken en loon per 10 mei 2022 onrechtmatig is althans, nietig en de Staat te veroordelen [verzoeker] toe te laten in zijn functie;
b. de Staat te veroordelen tot doorbetaling van loon, inclusief buitenlandtoelage vanaf 10 mei 2022 tot aan de rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met wettelijke rente en verhoging;
c. de Staat te veroordelen tot doorbetaling van loon, inclusief buitenlandtoelagen op grond van paragraaf 8.3 Cao Rijk, over een periode van maximaal 52 + 26 weken na de rechtsgeldige beëindiging, vermeerderd met wettelijke rente en verhoging;
d. de Staat te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten van € 8.702,94 en therapiekosten van € 2.547,09, vermeerderd met wettelijke rente; en
e. de Staat te veroordelen tot betaling van werkelijke proceskosten.
3.5
De Staat heeft op 10 mei 2023 een verweerschrift ingediend, met verzoek tot bekrachtiging van de beschikking van het Gerecht, met uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [verzoeker] in de kosten van beide instanties.
3.6
Op 15 mei 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden door middel van een videoverbinding tussen het Courthouse te Sint Maarten, waar het hof en de gemachtigden aanwezig waren, en verschillende locaties in Nederland, waar [verzoeker] en (vertegenwoordigers van) de Staat zich bevonden. De gemachtigde van [verzoeker] heeft zijn standpunt nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen en partijen hebben vragen van het hof beantwoord. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
3.7
Bij beschikking van 16 juni 2023 heeft het hof de beschikking van het Gerecht vernietigd en opnieuw rechtdoende: de Staat veroordeeld tot betaling aan [verzoeker] van de buitenlandtoelage over de periode van 10 mei 2022 tot 1 juli 2022, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift. Het meer of anders gevorderde is afgewezen en [verzoeker] is veroordeeld in de proceskosten.
3.8
Het hof komt als volgt tot zijn beslissing (voor zover in cassatie relevant):

Bevoegdheid en rechtskeuze
3.4
Met partijen gaat het Hof uit van de bevoegdheid van de Sint Maartense rechter en toepasselijkheid van Nederlands recht. Het Nederlandse Burgerlijk Wetboek wordt aangeduid als BW.
Doorbetaling loon/paragraaf 8.3 CaoRijk
3.5
Tussen partijen was ook een geschil aanhangig over de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het Gerecht heeft in die zaak bij vonnis van 12 juli 2022 de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 1 september 2022. Het Hof heeft dat bevestigd bij vonnis van 16 juni 2023 [lees: de beschikking van het hof in de ontbindingsprocedure, A-G]. Bij de verdere beoordeling geldt dan ook als uitgangspunt dat de arbeidsovereenkomst per 1 september 2022 is ontbonden.
3.6
Dit betekent dat het verzoek van de werknemer om hem weer toe te laten in zijn functie (3.3 sub a) moet worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor het verzoek tot doorbetaling loon totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd (3.3 sub b). De werkgever heeft immers onbestreden gesteld dat het loon van de werknemer is doorbetaald tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Ook het verzoek tot doorbetaling van loon op grond van paragraaf 8.3 CaoRijk, over een periode van maximaal 52 + 26 weken na de rechtsgeldige beëindiging (3.3 sub c) moet worden afgewezen. De werkgever heeft bij verweerschrift in hoger beroep sub 29 erkend dat de werknemer op grond van art. 8.3 CaoRijk recht heeft op 100% van zijn maandinkomen gedurende maximaal 52 weken vanaf de eerste ziektedag en vervolgens 70% van zijn maandinkomen gedurende 26 weken, een en ander te betalen tot 14 november 2023. De werknemer heeft niet betwist dat de werkgever nog steeds aan deze betalingsverplichting voldoet en gesteld noch gebleken is dat de werkgever hiermee zal stoppen.
Einde plaatsing en buitenlandtoelage
(…)
3.15
[verzoeker] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.”
Cassatie
3.9
[verzoeker] heeft tegen de beschikking van het hof – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft een verweerschrift ingediend. [5]

4.Bespreking van het cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel van [verzoeker] bestaat uit twee voorbouwklachten.
4.2
Voorbouwklacht 1houdt in dat het slagen van het cassatieberoep van [verzoeker] in zaak 23/03621, gericht tegen de beschikking van het hof in de ontbindingsprocedure, meebrengt dat ook de beslissingen van het hof in rov. 3.5 en 3.6 van de bestreden beschikking niet in stand kunnen blijven. Die beslissingen bouwen immers één op één voort op de beslissingen van het hof in de beschikking in de ontbindingsprocedure.
4.3
Voortbouwklacht 2klaagt dat gegrondbevinding van voortbouwklacht 1 ook de beslissing van het hof over inzake de kostenveroordeling vitieert, als vervat in rov. 3.15 van de bestreden beschikking. Die beslissing bouwt immers voort op de beslissingen van het hof in rov. 3.5 en 3.6 van de bestreden beschikking.
4.4
De klachten slagen niet.
4.5
Mijn conclusie van vandaag in het andere cassatieberoep van [verzoeker] (zaaknr. 23/03621), dat is gericht tegen de beschikking van het hof in de ontbindingsprocedure, strekt tot verwerping. Voortbouwklacht 1 deelt in dat lot en faalt dus.
4.6
Dit betekent dat ook Voortbouwklacht 2 vergeefs is voorgesteld.

5.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Het hof heeft in de bestreden beschikking dezelfde feitenweergave opgenomen als in de beschikking in de ontbindingsprocedure (welke beschikking wordt bestreden met het andere cassatieberoep van [verzoeker]).
2.Zaaknr. SXM202200635. Tegen de uitspraak van het hof in die zaak heeft [verzoeker] cassatieberoep ingesteld. Ik verwijs naar mijn conclusie van vandaag in die samenhangende zaak (zaaknr. 23/03621).
3.Die zittingsaantekeningen trof ik niet aan in de door partijen gefourneerde procesdossiers; wel in het procesdossier van het hof.
4.Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 12 juli 2022, ECLI:NL:OGEAM:2022:49.
5.Dat verweerschrift van de Staat heeft tevens (en hoofdzakelijk) betrekking op het cassatieberoep van [verzoeker] in de samenhangende ontbindingsprocedure (zaaknr. 23/03621).