Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Het rapport moet dan ook permanent worden verwijderd en buiten zijn bereik blijven. Daarbij tekent [verweerster] aan dat zij begrijpt wanneer het advocatenkantoor Lumen Lawyers een kopie van het rapport in haar dossier houdt, voor het geval het rapport in de toekomst als rechtmatig zou worden bestempeld. [verweerster] verwacht dat niet, maar zij wil niet [eiser] de kans ontnemen (ook al is deze kans nog zo klein) dat het rapport ooit rechtmatig wordt bevonden. Het is voor nu van belang dat [eiser] niet zelf de beschikking meer heeft over het onrechtmatig rapport.” (r.o. 2.2 van vonnis I, hierna: het verwijderbevel);
Maatstaf beoordeling
Het moet daarbij gaan om handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat die (...) inbreuk maken op de vonnissen.”). Ook het verspreidingsverbod heeft betrekking op één bepaald document (en conceptversies daarvan) en is daarmee specifiek. Het hof zal bij de verdere beoordeling daarom uitgaan van de uitgangspunten die hiervoor in 6.2 (ii) en (iii) zijn geformuleerd. Allereerst zal het hof ingaan op het doel en de strekking van het verwijderbevel en het verspreidingsverbod.
Het is voor nu van belang dat [eiser] niet zelf de beschikking meer heeft over het onrechtmatig rapport.” De strekking is dus dat [eiser] geen enkel exemplaar van het rapport meer onder zich mag hebben. Daarom is hem - zonder uitzondering - geboden “
het rapport en alle (eerdere) conceptversies daarvan” te verwijderen. De strekking van het verspreidingsbevel is, logischerwijs, dat [eiser] het rapport met niemand mag delen. Ten aanzien van het doel van het verwijderbevel en het verspreidingsverbod is in vonnis I overwogen dat voorkomen moet worden dat door het (onrechtmatige) rapport schade wordt toegebracht aan de reputatie van [verweerster] (motivering vonnis I, r.o. 4.9).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
alle exemplarenvan het rapport moet verwijderen en dat hij
geen enkel exemplaarvan het rapport onder zich mag hebben, [8] en ten aanzien van het verspreidingsverbod dat [eiser] het rapport
met niemandmag delen. Ten aanzien van het beweringenverbod heeft het hof in rov. 8.6 geoordeeld dat dit verbod inhoudt dat [eiser] de bedoelde beweringen over [verweerster] niet mag (laten) verspreiden onder een groot publiek. Daarvan is sprake in het geval van een groot aantal e-mails aan een enkele (steeds verschillende) ontvanger of enkele e-mails aan een groot aantal ontvangers tegelijkertijd, en het plaatsen van een bericht op het intranet van een onderneming met duizenden werknemers.
a t/m m) op tegen het oordeel van het hof over de dwangsommen die [eiser] ten aanzien van vonnis I heeft verbeurd.
Het rapport moet dan ook permanent worden verwijderd en buiten zijn bereik blijven.’ en ‘
Het is voor nu van belang dat [eiser] niet zelf de beschikking meer heeft over het onrechtmatig rapport.’ Voor zover in het oordeel van het hof iets anders besloten ligt, is dit onbegrijpelijk, aldus de klacht.
Het is voor nu van belang dat [eiser] niet zelf de beschikking meer heeft over het onrechtmatig rapport”. In de tweede plaats voert het onderdeel aan dat het dictum van een uitspraak moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen die tot dat dictum hebben geleid, maar dat in vonnis I ten aanzien van het verwijderbevel niets is overwogen, ook niet in rov. 4.9 van vonnis I waarnaar het hof verwijst. In de derde plaats klaagt het onderdeel dat de overweging dat [eiser] ‘zonder uitzondering’ is geboden het rapport en alle (eerdere) conceptversies daarvan te verwijderen onbegrijpelijk is, omdat uit rov. 7.1 van het bestreden arrest volgt dat er juist wel een uitzondering is.
vorderingenin beginsel toewijsbaar zijn, volgt dat rov. 4.9 moet worden gezien als motivering van zowel het verwijderbevel als het verspreidingsverbod. Deze rechtsoverweging uit vonnis I moet kennelijk aldus worden begrepen dat het doel van zowel het verwijderbevel als het verspreidingsverbod is om te voorkomen dat [verweerster] in verband met het rapport schade lijdt. Het verspreidingsverbod heeft tot gevolg dat [eiser] het rapport van Lumen Lawyers niet meer aan derden mag verspreiden. Het verwijderbevel heeft tot gevolg dat [eiser] niet meer over het rapport van Lumen Lawyers kan beschikken, en het rapport dus niet meer aan derden
kanverspreiden. Ook het verwijderbevel draagt aldus bij aan het bereiken van het doel dat schade aan de reputatie van [verweerster] door (de verspreiding van) het rapport wordt voorkomen. Voor zover dit niet uitdrukkelijk in rov. 4.9 van vonnis I is vermeld, ligt het daarin in ieder geval besloten. Anders dan het onderdeel meent, hebben de overwegingen in rov. 4.9 van vonnis I dus mede betrekking op het verwijderbevel.
onderdeel II onder d t/m fzijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 7.7, waarin het hof heeft geoordeeld dat art. 6 EVRM Pro niet noopt tot een andere uitleg van het verwijderbevel.
fair hearing). Volgens vaste rechtspraak van het EHRM omvat het recht op een eerlijke behandeling verschillende elementen. Zie de uitspraak van het EHRM in de zaak
Súsanna Rós Westlund/IJsland:
Regner/Tsjechische Republiek:
equality of arms), en gelegenheid moet krijgen tot kennisneming van en uitlating over alles wat het oordeel van de rechter kan beïnvloeden (
adversarial proceedings). Aangenomen wordt dat beide beginselen ook een onderdeel vormen van het in art. 19 Rv Pro gecodificeerde recht op hoor en wederhoor. [13]
equality of armsen
adversarial proceedings, niet dat een partij steeds zelf vrijelijk moet kunnen beschikken over alle (onderdelen van) processtukken, en/of dat hij dat rapport zelf aan zijn advocaat moet kunnen toezenden. Het enkele feit dat [eiser] zelf niet over het rapport kan beschikken, maakt niet (zonder meer) dat [eiser] geen redelijke gelegenheid heeft om zijn zaak aan de rechter voor te leggen, en maakt evenmin dat [eiser] onvoldoende gelegenheid heeft tot kennisneming van en uitlating over alles wat het oordeel van de rechter kan beïnvloeden. [eiser] kan het rapport immers via een advocaat raadplegen en zich daarover in voorkomende gevallen (al dan niet bij monde van een advocaat) in een procedure uitlaten. Het oordeel van het hof dat dit – in het algemeen – geen inbreuk op art. 6 lid 1 EVRM Pro oplevert, is daarom niet onjuist of onbegrijpelijk.
dieprocedure moeten worden beoordeeld. Het voorgaande wordt niet anders door het feit dat het hier gaat om een rapport dat onderdeel uitmaakt van een processtuk dat mr. Tjiam namens [verweerster] (die vernietiging van het rapport vorderde) aan [eiser] heeft toegezonden. Ook die omstandigheid doet er immers niet aan af dat [eiser] – via een advocaat – kennis kan nemen van het rapport en dat hij zich in een eventuele procedure over dat rapport kan uitlaten en/of zijn zaak aan de rechter kan voorleggen. Evenmin doet aan het voorgaande af dat eventuele nieuwe advocaten van [eiser] voor het beschikken over het rapport afhankelijk zijn van andere advocaten, omdat redelijkerwijs niet valt in te zien dat zich in dat verband moeilijkheden zullen voordoen. De onderdelen bevatten daarvoor geen aanwijzingen. De situatie dat nieuwe advocaten van [eiser] voor het beschikken over het rapport afhankelijk zijn van mr. Tjiam doet zich hier niet voor, omdat ook Lumen Lawyers (de advocaat van [eiser] die het rapport heeft opgesteld) en de toenmalige advocaat die [eiser] bijstond in de procedure die heeft geleid tot vonnis I over het rapport beschikken. Eventuele opvolgende advocaten van [eiser] kunnen het rapport dus ook daar opvragen.
omdat hij met één rapport al schade kan aanrichten aan de reputatie van [verweerster].’ (mijn onderstreping, A-G)