ECLI:NL:PHR:2024:760

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2024
Publicatiedatum
10 juli 2024
Zaaknummer
23/04082
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 27 SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens afwijzing noodweerexces bij poging tot doodslag

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens poging tot doodslag na een incident waarbij hij een mes gebruikte tegen het slachtoffer. Het hof stelde vast dat verdachte handelde in een situatie van noodweer, maar dat hij de grenzen van noodzakelijke verdediging had overschreden, waardoor geen beroep op noodweerexces kon slagen.

De feiten betreffen een conflict waarbij het slachtoffer agressief en dreigend gedrag vertoonde, onder meer door vernieling van eigendommen en het gebruik van een boksbeugel. Verdachte reageerde met het meenemen van een groot mes en het achtervolgen en steken van het slachtoffer buiten zijn woning. Het hof oordeelde dat verdachte disproportioneel handelde en dat er geen sprake was van een hevige gemoedsbeweging die zijn disproportionele reactie kon verontschuldigen.

In cassatie werd betoogd dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld over het ontbreken van een hevige gemoedsbeweging, mede gezien tegenstrijdige getuigenverklaringen en de situatie voorafgaand aan het steekincident. De Hoge Raad oordeelde dat het hof een gemotiveerde en samenhangende beslissing had gegeven, waarbij de combinatie van boosheid en kalmte bij verdachte werd erkend, maar dat deze niet kon worden toegerekend aan een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de strafrechtelijke veroordeling. Er werden geen ambtshalve gronden voor vernietiging gevonden.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling voor poging tot doodslag blijft in stand wegens afwijzing noodweerexces.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/04082
Zitting24 september 2024

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 13 oktober 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden wegens "poging tot doodslag", veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft daarnaast de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer] en [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen en twee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. C.F. Korvinus, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het hof heeft in het bestreden arrest ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 25 september 2021 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven door éénmaal met een mes in de linkerborst, het hart en de linkerarm van die [slachtoffer] te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
4. Het middel richt zich tegen ’s hofs verwerping van het beroep op noodweerexces.
4.1
De bewezenverklaring berust onder meer op de volgende in een aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen:
“10. Een naar wettelijk voorschrift door [verbalisant 1] opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 september 2021 (…) inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [getuige 1] :
Ik was aan het werk in het theater van [café] op het [a-plein] 19-20 te [plaats] . Ik hoorde dat er ruzie was naast de opslag. De man die zo aan het schreeuwen was, noem ik [slachtoffer] , het slachtoffer. Hij was aan het schreeuwen tegen mensen die in de woning zaten op de [b-straat 1] . Dit was de achterzijde van de woning. Er stond ook nog een auto op de parkeerplaats, niet in een vak, maar voor een rij auto ’s. Deze was denk ik van [slachtoffer] omdat hij daar elke keer omheen liep. Ik hoorde [slachtoffer] iets roepen over sleutels van de auto naar de mensen in de woning. [slachtoffer] bleef roepen en schreeuwen. Ik zag dat hij een flets pakte en deze over de schutting gooide bij de woning op [b-straat 1] . De schutting was al gedeeltelijk omgevallen, [slachtoffer] had hier al eerder tegenaan geschopt. Ik zag een man uit de deur komen van de woning. Ik zag dat hij een mes vasthad. Dit was een keukenmes/vleesmes van 25 à 30 centimeter met een zwart handvat. Ik zag dat hij met kracht de deur uitkwam en met dit mes op [slachtoffer] afkwam. De man met het mes had een blik op zijn gezicht welke ik kan omschrijven als vastberaden. Hij maakte een kalme indruk en ik heb hem niets horen zeggen. Ik zag hem een stekende beweging richting de borst van [slachtoffer] maken. Vervolgens hoorde ik [slachtoffer] hard schreeuwen en ontstond er een worsteling tussen [slachtoffer] en de man. Ik zag ook dat er een scooter omviel. Ik zag vervolgens de verdachte weer terugrennen naar de woning en ik zag dat hij het hout van de schutting weer terug op zijn plek zette.
11. Een proces-verbaal van verhoor getuige van de raadsheer-commissaris van het hof van 6 februari 2023, inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [getuige 1] :
Die persoon (het hof begrijpt: aangever) was constant met de uiteindelijke dader de confrontatie aan het zoeken. Er hebben mensen met hem gesproken, maar daar zat wel ruimte tussen. Dat was dus aan weerszijden van de schutting. Dat ging om een vrouw en een man tegen de neergestoken man. Die persoon die de confrontatie zoekt, heeft ook met spullen over die schutting gegooid. Het voelde voor mij als dreigend. Niet naar mij dan, maar naar die bewoners. Het latere slachtoffer was naar de omgeving vrij rustig, maar als het ging om de bewoners van die woning zat er een bepaalde pit en agressie in. Op het moment dat het misgaat en de vlam in de pan slaat, valt die meneer om. Die schutting valt naar de woning om. Die meneer valt over die schutting of ligt daar op de grond. Vervolgens komt hij in de buurt van die deur. Op dat moment komt er een man uit die woning. Ik kan het me nog goed herinneren, want zijn pupillen waren zo groot. Hij had een heftige blik in zijn ogen. Hij had een vastberaden blik.
Die man ligt in die tuin, de deur wordt opengesmeten en er komt een man uitgestormd.
RHC: U zegt dan bij de politie dat hij een vastberaden blik in zijn ogen had en dat hij een kalme indruk maakte.
Ja, dat klopt. Heel kalm.
Hij kwam met een klap naar buiten, maar zijn lichaamstaal was heel rustig. Deze man kwam heel steriel over op mij. Die man die op de schutting lag probeert zo snel mogelijk weg te komen. Dat lukt in eerste instantie niet. Daarna volgde de man met het mes het slachtoffer. De man met het mes blijft die man achtervolgen. Op de stoep is die man géraakt. Vervolgens rent die man met het mes terug naar de woning. Die schutting wordt teruggezet en de man verdwijnt uit het zicht.
(…)
13. Een naar wettelijk voorschrift door [verbalisant 2] opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 27 september 2021 (…) inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [getuige 2] :
We waren die avond met de broer van [verdachte] en een vriend en mijn vriendin. De broer van [verdachte] deed zonder na te denken de deur open. Toen stond meneertje (het hof begrijpt: aangever) voor de deur. [verdachte] zei direct dat hij wilde dat hij de woning moest verlaten. Hij wilde niet het huis verlaten. De broer van [verdachte] duwde hem het huis uit. Toen werd er geschopt tegen de deur. Ik hoorde dat hij riep dat hij AK op ons afging sturen. Ik hoorde dat hij riep jullie gaan dood, jullie gaan dood. Toen kwam [betrokkene 1] met een bebloed hoofd terug en [verdachte] die schrok daarvan. De verwonding was met een boksbeugel, die had [slachtoffer] in zijn handen.
V: Toen [slachtoffer] in de woonkamer stond. Wat zei hij en tegen wie?
A: [verdachte] zei tegen hem dat hij de woning moest verlaten. [slachtoffer] ging op de bank zitten terwijl [verdachte] zei dat hij weg moest. De broer van [verdachte] zei: “Nu moet je echt gaan, [verdachte] wordt echt kwaad”. [betrokkene 2] heeft hem eruit geduwd. Hij trapte tegen de deur aan.
V: Op welk moment kwam [betrokkene 1] met een bebloed hoofd?
A: Toen [verdachte] de tuin inliep. Toen is [betrokkene 1] naar [slachtoffer] gegaan op de parkeerplaats om hem te slaan, maar toen werd hij al geslagen en had hij bloed. [betrokkene 1] is toen naar binnengekomen en gelijk weggegaan. [verdachte] zag toen [betrokkene 1] en toen ging het mis.
V: Hoe reageerde [verdachte] op [betrokkene 1] ?
A: Hij zag het bloed van [betrokkene 1] en toen werd hij gek. Het is zijn beste vriend. Hij wilde voor hem opkomen.”
4.2
Het hof heeft inzake de strafbaarheid van de verdachte het volgende overwogen:
“Verdachte heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat er sprake was van (al dan niet putatief) noodweer dan wel noodweerexces en hij om die reden moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Door de aanhoudende agressieve houding van aangever jegens hem en zijn gasten en de vernieling van goederen van verdachte door aangever was verdachte in de verontschuldigbare gerechtvaardigde veronderstelling dat hij zich moest en mocht verdedigen tegen een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever.
(…)
Bij de beoordeling of sprake was van enige vorm van (putatief) noodweer(exces) gaat het hof uit van de navolgende aan wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden.
In de avond van 25 september 2021 arriveert aangever met zijn auto op de parkeerplaats gelegen aan de achterzijde van de woning van verdachte: In de woning van verdachte bevinden zich op dat moment vijf personen: verdachte, zijn broer [betrokkene 2] , zijn vriendin [getuige 2] , een vriendin van zijn vriendin ( [betrokkene 3] ) en een huisvriend ( [betrokkene 1] ).
Op een video-opname van een beveiligingscamera is te zien dat aangever zijn auto parkeert op de weg en deze afsluit (waarbij de koplampen kort aan en uit gaan). Aangever verdwijnt hierna uit het beeld. Op basis van de afgelegde verklaringen van de direct betrokkenen stelt het hof vast dat daarna het volgende is voorgevallen.
Verdachte [
AEH: bedoeld zal zijn ‘aangever’] loopt naar de voorkant van de woning van verdachte en klopt aan bij de voordeur van verdachte. De broer van verdachte opent de voordeur en aangever betreedt de woning. Vrijwel direct wordt hem door verdachte gevraagd de woning te verlaten, omdat hij niet welkom is. Aangever vertrekt echter niet, maar neemt plaats op de bank. Meerdere van de aanwezige personen manen aangever te vertrekken, maar dat doet hij niet. Vervolgens zetten verdachte en zijn broer aangever uit de woning, door hem door de voordeur te duwen. Nadat de voordeur achter hem gesloten wordt, trapt aangever hard tegen de voordeur van de woning.
Aangever loopt vervolgens terug naar zijn auto, pakt iets - zoals weer uit de beschikbare beelden blijkt - uit zijn linker broekzak en van de grond en brengt dat naar het slot van het portier, opent de auto (de koplampen gaan opnieuw kort aan en uit), zoekt iets in zijn auto en loopt terug richting de achterzijde van de woning van verdachte. In de tussentijd is [getuige 3] , een bekende van zowel verdachte als aangever, op de fiets aan komen rijden.
Uit verklaringen komt vervolgens het volgende haar voren. Aangever roept vanachter de schutting, die de achtertuin van verdachte afsluit, onder andere dat hij zijn autosleutel terug wil. Verdachte gaat er vanuit dat aangever zijn autosleutel in de woning heeft laten liggen en zoekt, samen met zijn gasten, naar de sleutel, maar kan die niet vinden en zegt dat vanuit zijn achtertuin tegen aangever.
Omdat aangever niet vertrekt, wordt [getuige 3] gevraagd om naar aangever te gaan om hem te vragen te vertrekken. [getuige 3] is immers bevriend met aangever. Het lukt [getuige 3] echter niet om aangever ervan te overtuigen te vertrekken. Daarop vraagt verdachte vanuit zijn achtertuin aangever opnieuw meerdere malen om te vertrekken. Dat heeft geen effect. Aangever blijft schreeuwen om zijn sleutel. Ook uit hij doodsbedreigingen in de richting van de woning van verdachte.
In de tussentijd loopt aangever - zoals blijkt uit de beelden - meerdere malen naar zijn auto, stapt in, zoekt iets en loopt terug naar de woning van verdachte.
Vervolgens loopt de huisvriend van verdachte, [betrokkene 1] , de achtertuin van verdachte in. Op het moment dat hij over de schutting wil roepen dat aangever moet vertrekken, wordt hij direct door hem geslagen. Daarop loopt [betrokkene 1] via de woning naar de parkeerplaats waar aangever zich bevindt, om verhaal te halen. [betrokkene 1] wordt dan vrijwel direct door aangever met een boksbeugel, die later bij aangever wordt aangetroffen, geslagen, waardoor een hevig bloedende hoofdwond ontstaat.
[betrokkene 1] loopt opnieuw de woning binnen, waar verdachte de verwonding van [betrokkene 1] ziet. Ondertussen gooit aangever de fiets van de vriendin van verdachte over de schutting in de achtertuin en begint hij tegen de schutting te slaan/trappen. De schutting begint los te raken van de muur, waaraan de schutting is bevestigd.
Op dat moment pakt verdachte een groot mes van het aanrecht en loopt via de achterdeur naar buiten. De schutting valt door het geweld dat aangever gebruikt deels om, de tuin van verdachte in, waarbij aangever op de schutting komt te liggen. Een onderdeel van de schutting raakt verdachtes hoofd. Verdachte gaat met het mes in zijn hand op aangever af en maakt een stekende beweging over het hek. Verdachte gaat vervolgens over het hekje van zijn tuin, rent achter aangever aan en steekt hem op de stoep in de borststreek.
Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij niet achter aangever is aangerend en dat aangever, op het moment dat verdachte hem stak, voor hem stond, met zijn gezicht naar hem toe en dat aangever de boksbeugel in zijn rechterhand hield en een beweging maakte alsof hij daarmee ging uithalen naar aangever. Volgens verdachte stond hij (verdachte) toen hij aangever stak nog met één been in zijn tuin en is hij daarna meteen weer zijn woning ingegaan. Hoewel het hof ervan uitgaat dat verdachte zich dit wellicht zo herinnert, gaat het hof niet uit van deze lezing van de feiten. Die wordt namelijk weersproken door de verklaringen van meerdere getuigen, die zelf noch een aandeel in het conflict noch enige relatie met verdachte of aangever hadden en daarom door het hof betrouwbaar worden geacht. Op basis van de verklaringen van deze getuigen, [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 1] en [getuige 6] , van wie de laatste twee eveneens een verklaring bij de raadsheercommissaris hebben afgelegd, stelt het hof vast dat verdachte over het hekje van zijn tuin is gegaan, buiten het hekje achter verdachte aan is gerend en hem vervolgens op de stoep heeft gestoken.
Ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding
Door het gedrag van aangever was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van goederen en een dreigende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van personen.
Anders dan de rechtbank overweegt het hof dat die noodweersituatie niet begonnen is op het moment dat aangever tegen de voordeur van verdachte aantrapte. Die aanranding was immers beëindigd op het moment dat aangever terugging naar zijn auto. Dat geldt ook voor de aanranding van huisvriend [betrokkene 1] . Ook die aanranding was beëindigd. Evenwel dragen deze handelingen van aangever wel bij aan de dreiging die van de latere situatie uitging op het moment dat verdachte hem stak.
Aangever heeft zich ongewenst opgehouden in de woning van verdachte en weigerde zelf te vertrekken. Daarna bleef hij bij de achtertuin staan en schreeuwde bedreigingen in de richting van de woning van verdachte. De aanwezigen in de woning van verdachte hebben meerdere pogingen gedaan aangever te doen vertrekken, zonder resultaat. De agressie van aangever werd steeds heviger, waarbij hij doodsbedreigingen uitte, [betrokkene 1] tot bloedens toe met een boksbeugel heeft geslagen en niet accepteerde dat hij niet bij verdachte haat binnen mocht. Het is onduidelijk waarom aangever bleef schreeuwen om zijn autosleutel, nu uit de beschikbare beelden blijkt dat hij de auto nadat hij de woning verlaten had, met behulp van een sleutel opent en daar dus de beschikking over had. Deze hele situatie heeft in totaal twintig minuten geduurd en uiteindelijk heeft aangever de schutting van verdachte vernield met het kennelijke doel om de woning van verdachte binnen te treden. Dit vernielen van de schutting levert een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van goederen op. De personen in de woning hebben zich door het handelen van aangever begrijpelijkerwijs ook bedreigd gevoeld. Aangever had immers al laten zien bereid en in staat te zijn tot geweld over te gaan.
Subsidiariteit
(…)
Verdachte bevond zich in zijn eigen woning. Onttrekking aan de dreigende aanranding door zijn woning (aan de voorzijde) te verlaten kan onder de gegeven omstandigheden niet van verdachte worden gevergd. Naar het oordeel van het hof was dit voor verdachte geen reële en redelijke mogelijkheid. Verdachte en zijn gasten hebben op verschillende manieren en momenten geprobeerd om aangever te laten vertrekken, aanvankelijk door hem met lichte dwang uit de woning te duwen, door hem meerdere keren te vragen te vertrekken en door een vriend van aangever te vragen te bemiddelen. Dit alles hielp niet. De agressie van aangever leek zelfs alsmaar groter te worden. Dat verdachte ervoor heeft gekozen naar buiten te gaan en naar aangever toe te gaan acht het hof onder de gegeven omstandigheden niet in strijd met de subsidiariteitseis. Het bellen van de politie was op een eerder moment — achteraf beschouwd – een betere optie geweest, maar was op het moment dat aangever de schutting aan het vernielen was en dreigde de woning te bereiken, geen reële en redelijke optie meer.
Daarmee is voldaan aan de subsidiariteitseis.
Proportionaliteit
Verdachte heeft echter niet proportioneel gereageerd op het gedrag van aangever. Hij heeft een mes meegenomen toen hij naar buiten ging. Het lemmet van het mes dat verdachte pakte, was ruim 20 centimeter lang. Het betrof een kennelijk scherp en groot vleesmes. Verdachte is achter aangever aangerend en heeft hem vervolgens met het mes gestoken. De dreiging die van de agressie van aangever uitging en het geweld dat aangever gebruikte staan niet in verhouding tot de reactie van verdachte daarop, Verdachte heeft in vergaande mate de grenzen van wat noodzakelijk was ter afwending van het vanuit aangever komende gevaar overschreden. Het beroep op noodweer dient daarom te worden verworpen.
Hevige gemoedsbeweging
Als niet voldaan is aan de eisen van proportionaliteit, kan toch sprake zijn van verontschuldigbaar handelen van verdachte als de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden als gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. In dat geval is sprake van noodweerexces.
Dat van een zodanige gemoedsbeweging sprake was, is niet aannemelijk geworden. Volgens [getuige 1] kwam verdachte met een heftige, vastberaden blik uit de woning en maakte hij een heel kalme indruk. Verdachtes lichaamstaal was volgens deze getuige heel rustig en verdachte kwam steriel op hem over. De vriendin van verdachte verklaart dat verdachte al vanaf het moment dat aangever de woning uitgezet was, boos was en dat hij door de anderen rustig gehouden moest worden. De boosheid van verdachte naar aanleiding van het eerdere incident op die avond kan mede een rol hebben gespeeld bij zijn reactie op de uiteindelijke dreiging door aangever, maar die boosheid, zou die al beschouwd kunnen worden als hevige gemoedsbeweging, was niet door deze aanranding veroorzaakt. De boosheid in combinatie met de door [getuige 1] beschreven rust bij verdachte duidt er veeleer op dat verdachte er zat van was en om die reden ingreep, waartoe hij in beginsel (gelet op het bestaan van de noodweersituatie) gerechtigd was. Het is echter geen door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging die de disproportionele reactie van verdachte verontschuldigbaar maakt. Om die reden wordt het beroep op noodweerexces afgewezen.
Putatief noodweer
Namens verdachte is betoogd dat hij abusievelijk in de veronderstelling verkeerde dat hij zich heeft moeten dan wel mogen verdedigen. Het hof volgt dit verweer niet. Het hof heeft overwogen dat wel sprake was van een noodweersituatie, maar dat niet voldaan is aan de eisen van proportionaliteit. Dat verdachte in de verontschuldigbare veronderstelling verkeerde dat aangever hem dusdanig bedreigde dat zijn reactie (het steken met het mes) niet disproportioneel zou zijn, is door de verdediging niet nader onderbouwd en ook overigens ziet het hof hiertoe geen gronden aanwezig.
Conclusie
Samengevat overweegt het hof dat weliswaar sprake was van een noodweersituatie, maar dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging tegen de (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever heeft overschreden. Die overschrijding kan niet verklaard worden uit een bij verdachte door die aanranding ontstane hevige gemoedsbeweging en ook is geen sprake van een verontschuldigbare dwaling omtrent de aard van de aanranding. De verweren dat sprake zou zijn van (putatief) noodweer(exces) worden dan ook verworpen.”
4.1
Bij de bespreking van het middel dienen de volgende onderdelen van het overzichtsarrest van de Hoge Raad inzake noodweer(exces) vooropgesteld te worden (met weglating van voetnoten): [1]
“Inleiding
(…)
3.1.2.
Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces of putatieve noodweer is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten, al behoeft de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastegelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg te staan.
Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen.
Indien de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.
(…)
Noodweerexces
3.6.1.
Noodweerexces kan in beeld komen bij een "overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging", dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest.
3.6.2.
Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
3.6.3.
Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het "onmiddellijk gevolg" moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.
Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde "onmiddellijk gevolg", kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.”
4.2
In het middel wordt, in de eerste plaats, aangevoerd dat ’s hofs oordeel, dat een hevige gemoedsbeweging niet aannemelijk is geworden, onbegrijpelijk zou zijn, omdat dit oordeel zou steunen op twee tegenstrijdige getuigenverklaringen.
4.3
Het hof heeft voornoemd oordeel doen steunen op de getuigenverklaringen van [getuige 1] (bewijsmiddelen 10 en 11) en [getuige 2] (bewijsmiddel 13). Het hof heeft in zijn bewijsoverweging overwogen dat [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte met “een heftige, vastberaden blik uit de woning” kwam, dat de verdachte “een heel kalme indruk” maakte, dat verdachtes lichaamstaal “heel rustig” was en dat de verdachte “steriel” op [getuige 1] overkwam. [getuige 2] – de vriendin van de verdachte – heeft, aldus ’s hofs bewijsoverweging, verklaard dat de verdachte “al vanaf het moment dat aangever de woning uitgezet was, boos was en dat hij door de anderen rustig gehouden moest worden”.
4.4
Tegenstrijdig zijn de getuigenverklaringen niet. Het hof heeft overwogen dat sprake was van een “combinatie” van boosheid en rust, welke combinatie erop duidt “dat verdachte er zat van was en om die reden ingreep”. Voor zover het middel klaagt dat ’s hofs oordeel onbegrijpelijk is, omdat het steunt op tegenstrijdige getuigenverklaringen, faalt het.
4.5
In het middel wordt, in de tweede plaats, aangevoerd dat ’s hofs oordeel, dat een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging niet aannemelijk is geworden, onbegrijpelijk zou zijn, omdat, alvorens de verdachte de tenlastegelegde gedraging beging, [betrokkene 1] met bebloed hoofd naar binnenkwam nadat hij op zijn hoofd was geslagen met een boksbeugel door aangever en aangever “zodanig dreigend op de verdachte afkwam nadat door toedoen van aangever ook de schutting was omgevallen”.
4.6
Het hof heeft ter onderbouwing van voornoemd oordeel, in aanvulling op het bovenstaande, overwogen dat verdachtes boosheid naar aanleiding van het eerdere incident, mede een rol kan hebben gespeeld bij verdachtes reactie op de uiteindelijke dreiging door aangever, maar dat die boosheid niet door deze aanranding is veroorzaakt. Uit ’s hofs overweging blijkt dat verdachtes boosheid in de kern is terug te voeren op de gebeurtenissen die aan de aanranding voorafgingen, waarbij het hof kennelijk doelt op de aanhoudende weigering van de aangever om de woning te verlaten en waardoor de verdachte “er zat van was en om die reden ingreep”. Aldus is - in een parafrase van de redenering van het hof - de disproportionele reactie van de verdachte in essentie terug te voeren op een eerder bestaande emotie, te weten een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer. ’s Hofs oordeel is, gezien het bovenstaande en mede gelet op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, niet onbegrijpelijk. Voor zover het middel heeft aangevoerd dat “de andere getuigen” bevestigen dat sprake was van een hevige gemoedsbeweging door de daaraan voorafgaande aanranding, wordt miskend dat in cassatie geen plaats is voor een onderzoek naar de feiten. Ten overvloede wijs ik er nog wel op dat zulks niet blijkt uit de door het hof in de aanvulling op het arrest opgenomen getuigenverklaringen.
4.7
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456,