4.2Het hof heeft inzake de strafbaarheid van de verdachte het volgende overwogen:
“Verdachte heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat er sprake was van (al dan niet putatief) noodweer dan wel noodweerexces en hij om die reden moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Door de aanhoudende agressieve houding van aangever jegens hem en zijn gasten en de vernieling van goederen van verdachte door aangever was verdachte in de verontschuldigbare gerechtvaardigde veronderstelling dat hij zich moest en mocht verdedigen tegen een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever.
Bij de beoordeling of sprake was van enige vorm van (putatief) noodweer(exces) gaat het hof uit van de navolgende aan wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden.
In de avond van 25 september 2021 arriveert aangever met zijn auto op de parkeerplaats gelegen aan de achterzijde van de woning van verdachte: In de woning van verdachte bevinden zich op dat moment vijf personen: verdachte, zijn broer [betrokkene 2] , zijn vriendin [getuige 2] , een vriendin van zijn vriendin ( [betrokkene 3] ) en een huisvriend ( [betrokkene 1] ).
Op een video-opname van een beveiligingscamera is te zien dat aangever zijn auto parkeert op de weg en deze afsluit (waarbij de koplampen kort aan en uit gaan). Aangever verdwijnt hierna uit het beeld. Op basis van de afgelegde verklaringen van de direct betrokkenen stelt het hof vast dat daarna het volgende is voorgevallen.
Verdachte [
AEH: bedoeld zal zijn ‘aangever’] loopt naar de voorkant van de woning van verdachte en klopt aan bij de voordeur van verdachte. De broer van verdachte opent de voordeur en aangever betreedt de woning. Vrijwel direct wordt hem door verdachte gevraagd de woning te verlaten, omdat hij niet welkom is. Aangever vertrekt echter niet, maar neemt plaats op de bank. Meerdere van de aanwezige personen manen aangever te vertrekken, maar dat doet hij niet. Vervolgens zetten verdachte en zijn broer aangever uit de woning, door hem door de voordeur te duwen. Nadat de voordeur achter hem gesloten wordt, trapt aangever hard tegen de voordeur van de woning.
Aangever loopt vervolgens terug naar zijn auto, pakt iets - zoals weer uit de beschikbare beelden blijkt - uit zijn linker broekzak en van de grond en brengt dat naar het slot van het portier, opent de auto (de koplampen gaan opnieuw kort aan en uit), zoekt iets in zijn auto en loopt terug richting de achterzijde van de woning van verdachte. In de tussentijd is [getuige 3] , een bekende van zowel verdachte als aangever, op de fiets aan komen rijden.
Uit verklaringen komt vervolgens het volgende haar voren. Aangever roept vanachter de schutting, die de achtertuin van verdachte afsluit, onder andere dat hij zijn autosleutel terug wil. Verdachte gaat er vanuit dat aangever zijn autosleutel in de woning heeft laten liggen en zoekt, samen met zijn gasten, naar de sleutel, maar kan die niet vinden en zegt dat vanuit zijn achtertuin tegen aangever.
Omdat aangever niet vertrekt, wordt [getuige 3] gevraagd om naar aangever te gaan om hem te vragen te vertrekken. [getuige 3] is immers bevriend met aangever. Het lukt [getuige 3] echter niet om aangever ervan te overtuigen te vertrekken. Daarop vraagt verdachte vanuit zijn achtertuin aangever opnieuw meerdere malen om te vertrekken. Dat heeft geen effect. Aangever blijft schreeuwen om zijn sleutel. Ook uit hij doodsbedreigingen in de richting van de woning van verdachte.
In de tussentijd loopt aangever - zoals blijkt uit de beelden - meerdere malen naar zijn auto, stapt in, zoekt iets en loopt terug naar de woning van verdachte.
Vervolgens loopt de huisvriend van verdachte, [betrokkene 1] , de achtertuin van verdachte in. Op het moment dat hij over de schutting wil roepen dat aangever moet vertrekken, wordt hij direct door hem geslagen. Daarop loopt [betrokkene 1] via de woning naar de parkeerplaats waar aangever zich bevindt, om verhaal te halen. [betrokkene 1] wordt dan vrijwel direct door aangever met een boksbeugel, die later bij aangever wordt aangetroffen, geslagen, waardoor een hevig bloedende hoofdwond ontstaat.
[betrokkene 1] loopt opnieuw de woning binnen, waar verdachte de verwonding van [betrokkene 1] ziet. Ondertussen gooit aangever de fiets van de vriendin van verdachte over de schutting in de achtertuin en begint hij tegen de schutting te slaan/trappen. De schutting begint los te raken van de muur, waaraan de schutting is bevestigd.
Op dat moment pakt verdachte een groot mes van het aanrecht en loopt via de achterdeur naar buiten. De schutting valt door het geweld dat aangever gebruikt deels om, de tuin van verdachte in, waarbij aangever op de schutting komt te liggen. Een onderdeel van de schutting raakt verdachtes hoofd. Verdachte gaat met het mes in zijn hand op aangever af en maakt een stekende beweging over het hek. Verdachte gaat vervolgens over het hekje van zijn tuin, rent achter aangever aan en steekt hem op de stoep in de borststreek.
Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij niet achter aangever is aangerend en dat aangever, op het moment dat verdachte hem stak, voor hem stond, met zijn gezicht naar hem toe en dat aangever de boksbeugel in zijn rechterhand hield en een beweging maakte alsof hij daarmee ging uithalen naar aangever. Volgens verdachte stond hij (verdachte) toen hij aangever stak nog met één been in zijn tuin en is hij daarna meteen weer zijn woning ingegaan. Hoewel het hof ervan uitgaat dat verdachte zich dit wellicht zo herinnert, gaat het hof niet uit van deze lezing van de feiten. Die wordt namelijk weersproken door de verklaringen van meerdere getuigen, die zelf noch een aandeel in het conflict noch enige relatie met verdachte of aangever hadden en daarom door het hof betrouwbaar worden geacht. Op basis van de verklaringen van deze getuigen, [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 1] en [getuige 6] , van wie de laatste twee eveneens een verklaring bij de raadsheercommissaris hebben afgelegd, stelt het hof vast dat verdachte over het hekje van zijn tuin is gegaan, buiten het hekje achter verdachte aan is gerend en hem vervolgens op de stoep heeft gestoken.
Ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding
Door het gedrag van aangever was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van goederen en een dreigende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van personen.
Anders dan de rechtbank overweegt het hof dat die noodweersituatie niet begonnen is op het moment dat aangever tegen de voordeur van verdachte aantrapte. Die aanranding was immers beëindigd op het moment dat aangever terugging naar zijn auto. Dat geldt ook voor de aanranding van huisvriend [betrokkene 1] . Ook die aanranding was beëindigd. Evenwel dragen deze handelingen van aangever wel bij aan de dreiging die van de latere situatie uitging op het moment dat verdachte hem stak.
Aangever heeft zich ongewenst opgehouden in de woning van verdachte en weigerde zelf te vertrekken. Daarna bleef hij bij de achtertuin staan en schreeuwde bedreigingen in de richting van de woning van verdachte. De aanwezigen in de woning van verdachte hebben meerdere pogingen gedaan aangever te doen vertrekken, zonder resultaat. De agressie van aangever werd steeds heviger, waarbij hij doodsbedreigingen uitte, [betrokkene 1] tot bloedens toe met een boksbeugel heeft geslagen en niet accepteerde dat hij niet bij verdachte haat binnen mocht. Het is onduidelijk waarom aangever bleef schreeuwen om zijn autosleutel, nu uit de beschikbare beelden blijkt dat hij de auto nadat hij de woning verlaten had, met behulp van een sleutel opent en daar dus de beschikking over had. Deze hele situatie heeft in totaal twintig minuten geduurd en uiteindelijk heeft aangever de schutting van verdachte vernield met het kennelijke doel om de woning van verdachte binnen te treden. Dit vernielen van de schutting levert een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van goederen op. De personen in de woning hebben zich door het handelen van aangever begrijpelijkerwijs ook bedreigd gevoeld. Aangever had immers al laten zien bereid en in staat te zijn tot geweld over te gaan.
Verdachte bevond zich in zijn eigen woning. Onttrekking aan de dreigende aanranding door zijn woning (aan de voorzijde) te verlaten kan onder de gegeven omstandigheden niet van verdachte worden gevergd. Naar het oordeel van het hof was dit voor verdachte geen reële en redelijke mogelijkheid. Verdachte en zijn gasten hebben op verschillende manieren en momenten geprobeerd om aangever te laten vertrekken, aanvankelijk door hem met lichte dwang uit de woning te duwen, door hem meerdere keren te vragen te vertrekken en door een vriend van aangever te vragen te bemiddelen. Dit alles hielp niet. De agressie van aangever leek zelfs alsmaar groter te worden. Dat verdachte ervoor heeft gekozen naar buiten te gaan en naar aangever toe te gaan acht het hof onder de gegeven omstandigheden niet in strijd met de subsidiariteitseis. Het bellen van de politie was op een eerder moment — achteraf beschouwd – een betere optie geweest, maar was op het moment dat aangever de schutting aan het vernielen was en dreigde de woning te bereiken, geen reële en redelijke optie meer.
Daarmee is voldaan aan de subsidiariteitseis.
Proportionaliteit
Verdachte heeft echter niet proportioneel gereageerd op het gedrag van aangever. Hij heeft een mes meegenomen toen hij naar buiten ging. Het lemmet van het mes dat verdachte pakte, was ruim 20 centimeter lang. Het betrof een kennelijk scherp en groot vleesmes. Verdachte is achter aangever aangerend en heeft hem vervolgens met het mes gestoken. De dreiging die van de agressie van aangever uitging en het geweld dat aangever gebruikte staan niet in verhouding tot de reactie van verdachte daarop, Verdachte heeft in vergaande mate de grenzen van wat noodzakelijk was ter afwending van het vanuit aangever komende gevaar overschreden. Het beroep op noodweer dient daarom te worden verworpen.
Hevige gemoedsbeweging
Als niet voldaan is aan de eisen van proportionaliteit, kan toch sprake zijn van verontschuldigbaar handelen van verdachte als de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden als gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. In dat geval is sprake van noodweerexces.
Dat van een zodanige gemoedsbeweging sprake was, is niet aannemelijk geworden. Volgens [getuige 1] kwam verdachte met een heftige, vastberaden blik uit de woning en maakte hij een heel kalme indruk. Verdachtes lichaamstaal was volgens deze getuige heel rustig en verdachte kwam steriel op hem over. De vriendin van verdachte verklaart dat verdachte al vanaf het moment dat aangever de woning uitgezet was, boos was en dat hij door de anderen rustig gehouden moest worden. De boosheid van verdachte naar aanleiding van het eerdere incident op die avond kan mede een rol hebben gespeeld bij zijn reactie op de uiteindelijke dreiging door aangever, maar die boosheid, zou die al beschouwd kunnen worden als hevige gemoedsbeweging, was niet door deze aanranding veroorzaakt. De boosheid in combinatie met de door [getuige 1] beschreven rust bij verdachte duidt er veeleer op dat verdachte er zat van was en om die reden ingreep, waartoe hij in beginsel (gelet op het bestaan van de noodweersituatie) gerechtigd was. Het is echter geen door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging die de disproportionele reactie van verdachte verontschuldigbaar maakt. Om die reden wordt het beroep op noodweerexces afgewezen.
Putatief noodweer
Namens verdachte is betoogd dat hij abusievelijk in de veronderstelling verkeerde dat hij zich heeft moeten dan wel mogen verdedigen. Het hof volgt dit verweer niet. Het hof heeft overwogen dat wel sprake was van een noodweersituatie, maar dat niet voldaan is aan de eisen van proportionaliteit. Dat verdachte in de verontschuldigbare veronderstelling verkeerde dat aangever hem dusdanig bedreigde dat zijn reactie (het steken met het mes) niet disproportioneel zou zijn, is door de verdediging niet nader onderbouwd en ook overigens ziet het hof hiertoe geen gronden aanwezig.
Conclusie
Samengevat overweegt het hof dat weliswaar sprake was van een noodweersituatie, maar dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging tegen de (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever heeft overschreden. Die overschrijding kan niet verklaard worden uit een bij verdachte door die aanranding ontstane hevige gemoedsbeweging en ook is geen sprake van een verontschuldigbare dwaling omtrent de aard van de aanranding. De verweren dat sprake zou zijn van (putatief) noodweer(exces) worden dan ook verworpen.”