ECLI:NL:PHR:2024:789

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 augustus 2024
Publicatiedatum
23 juli 2024
Zaaknummer
22/02243
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138 SrArt. 11 EVRMArt. 423 SvArt. 365a lid 2 SvArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
12 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens demonstratierecht bij sit-in huisvredebreuk

De verdachte werd door het hof ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor huisvredebreuk na een sit-in demonstratie bij het APG Pensioenfonds in Heerlen op 17 juni 2021. Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter, maar legde geen straf op.

De verdachte stelde in cassatie onder meer dat de bewijsvoering onvoldoende was gemotiveerd en dat het demonstratierecht een ontslag van alle rechtsvervolging rechtvaardigde. De Hoge Raad oordeelt dat de aanvulling van bewijsmiddelen door het hof toelaatbaar was en faalt het eerste middel. Het tweede middel, dat het beroep op demonstratierecht betreft, slaagt echter wel.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het de strafbaarheid en strafoplegging betreft en spreekt de verdachte vrij van alle rechtsvervolging. Tevens wordt vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden, maar zonder nadere rechtsgevolgen. De zaak wordt daarmee definitief afgedaan.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens toepassing demonstratierecht.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02243

Zitting27 augustus 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 13 juni 2022 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, waarbij de verdachte is veroordeeld wegens het “wederrechtelijk in het besloten lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen”, bevestigd met uitzondering van de opgelegde straf en met verbetering van de overwegingen over de strafbaarheid van het bewezenverklaarde. Het hof heeft de verdachte veroordeeld zonder oplegging van een straf of maatregel. [1]
2. Er bestaat samenhang met de zaken 22/02234, 22/02235, 22/02236, 22/02237, 22/02240, 22/02241 en 22/02242. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de verdachte heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

4. Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring. In de kern bezien wordt aangevoerd dat de verdachte onvoldoende duidelijk is aangeduid in het bewijsmiddel in het door het hof bevestigde vonnis, terwijl de latere aanvulling met bewijsmiddelen door het hof in strijd is met het oordeel van het hof dat het vonnis in eerste aanleg wat betreft de bewijsmotivering wordt bevestigd.
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op 17 juni 2021 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, in het besloten lokaal, te weten een bedrijfspand bij APG Pensioenfonds in gebruik, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich met zijn mededaders, niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd”.
6. Het bevestigde vonnis houdt als bewijsmiddel in:
“De inhoud van:
a. het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] d.d. 17 juni 2021 met fotobijlage […]”.
7. Het hof heeft het vonnis in eerste aanleg bevestigd met uitzondering van de opgelegde straf en met verbetering van de overwegingen over de strafbaarheid van het bewezenverklaarde. Het hof heeft zijn uitspraak op 12 oktober 2022 aangevuld met bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen houden in:

“1.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juni 2021 (pg. 1 t/m 3), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3]:
Op 17 juni 2021, bevonden wij ons in het hoofdkantoor van het APG Pensioenfonds, gelegen te Heerlen. Wij waren in voornoemd gebouw aanwezig vanwege een demonstratie van de actiegroep “Extinction Rebellion”. Zij hadden met 8 personen de lobby van het gebouw bezet en weigerden deze te verlaten. Wij hoorden dat de beveiliging van het gebouw de demonstranten toesprak en wij hoorden dat hij hen mededeelde dat zij het gebouw moesten verlaten. Wij hoorden dat hij hen vorderde het gebouw te verlaten. Wij zagen dat alle demonstranten bleven zitten of staan na de vordering. Ik, [verbalisant 3], deelde hen mede dat zij nu de laatste kans kregen om aan deze vordering te voldoen, dat zij, indien zij niet aan de vordering voldeden, zich strafbaar maakten aan huisvredebreuk en door de politie aangehouden zouden worden. Ik, [verbalisant 3], had hen dit eerder op de dag ook al duidelijk gemaakt dat zij onrechtmatig in het gebouw aanwezig waren en uitgelegd wat de consequenties zouden zijn van het niet voldoen aan de vordering om het gebouw te verlaten. Wij, verbalisanten, zagen dat niemand opstond of aanstalten maakte om te vertrekken.
Vervolgens werden de volgende verdachten (hieronder bij achternaam genoemd) aangehouden ter zake van huisvredebreuk:
- [betrokkene 1] op 17 juni 2021
- [betrokkene 2] op 17 juni 2021
- [betrokkene 3] op 17 juni 2021
- [verdachte] op 17 juni 2021
- [betrokkene 4] op 17 juni 2021
- [betrokkene 5] op 17 juni 2021
- [betrokkene 6] op 17 juni 2021
- [betrokkene 7] op 17 juni 2021

2.

Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 17 juni 2021 (pg. 5-6), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5]:
Op 17 juni 2021 hielden wij te Heerlen als verdachte aan:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1990”.
8. Bij de beoordeling van het middel zou ik om te beginnen willen opmerken dat de verdachte inderdaad niet voldoende duidelijk is aangeduid in het bewijsmiddel dat is genoemd in het door het hof bevestigde vonnis en dat door het hof (in uitgewerkte vorm) in zijn aanvulling als bewijsmiddel 1 is opgenomen. In dat bewijsmiddel komt slechts de achternaam van de verdachte voor en geen andere personalia van de verdachte.
9. De steller van het middel betoogt echter vervolgens dat de aanvulling door het hof met bewijsmiddel 2, waarin de verdachte wel volledig is aangeduid, in strijd is met de uit het arrest blijkende beslissing van het hof dat het vonnis in eerste aanleg voor wat betreft de bewijsmotivering wordt bevestigd. Dat lijkt mij onjuist. De bevestiging van een vonnis op grond van art. 423 Sv Pro betreft immers slechts de beslissingen in dat vonnis en niet de gronden waarop die beslissingen rusten. Die gronden kunnen – ondanks de bevestiging van een vonnis – worden aangevuld of verbeterd. [2]
10. Het hof heeft in zijn arrest gronden verbeterd (de overwegingen over de strafbaarheid van het bewezenverklaarde) en dit sluit niet uit dat de bewijsvoering later nog wordt aangevuld met bewijsmiddelen in een aanvulling als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv. [3] Weliswaar zou het de inzichtelijkheid in de bedoeling van het hof ten goede zijn gekomen als het hof in zijn arrest (dat kennelijk is bedoeld als een verkort arrest) had aangegeven dat het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel later zo nodig zal worden vervangen door uitgewerkte bewijsmiddelen in een aanvulling met bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv, maar ontoelaatbaar is die aanvulling ook zonder die mededeling niet.
11. Daarbij komt dat de verdachte ook kennelijk geen belang bij cassatie heeft. Niet ter discussie staat immers dat het hof na terugwijzing het extra bewijsmiddel met verdere gegevens van de verdachte alsnog zou kunnen aanvullen. De bewezenverklaring is na aanvulling met dat bewijsmiddel toereikend gemotiveerd.
12. Het middel faalt.

Het tweede middel

13. Het tweede middel klaagt over de verwerping van het verweer dat strekt tot ontslag van alle rechtsvervolging en over het oordeel dat het bewezenverklaarde strafbaar is.
14. Het middel slaagt en de Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. Voor de redenen daarvoor verwijs ik graag naar mijn conclusie van vandaag in de samenhangende zaak 22/02236 (ECLI:NL:PHR:2024:769). [4]

Slotsom

15. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel slaagt. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen.
16. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 20 juni 2022. Dit brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Gelet op de beslissing die ik hierna voorstel, kan de Hoge Raad mijn inziens volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. [5] Ook verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafbaarverklaring van het bewezenverklaarde, de strafbaarverklaring van de verdachte daarvoor en de strafoplegging, tot ontslag van de verdachte van alle rechtsvervolging, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1881.
2.HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0256,
3.Vgl. HR 28 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3862, r.o. 2.3.
4.Ten opzichte van de samenhangende zaak bevat de schriftuur in de voorliggende zaak een extra deelklacht (onder 35-37). Omdat wat mij betreft het middel al slaagt, laat ik deze extra deelklacht onbesproken.
5.Vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.3.