Conclusie
Nummer23/03615
Inleiding
De zaak
rechtspraak.nlis gepubliceerd (ECLI:NL:GHAMS:2023:2075).
Het eerste middel
Het tweede middel
a contrario-redenering vervatte beroep op het arrest van de Hoge Raad van 18 december 1984 (
NJ1985/358) af.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf wegens doodslag op zijn zwangere huisgenoot en het begraven van haar lijk met het oogmerk het feit en de oorzaak van het overlijden te verhullen. De verdachte heeft bekend de vrouw te hebben gedood en haar stoffelijk overschot ruim vier jaar verborgen gehouden.
In cassatie werden twee middelen aangevoerd: het eerste betrof het vermeende ontbreken van bewijs voor het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhullen bij het begraven van het lijk; het tweede betrof de strafoplegging en de rol van de bekentenis van de verdachte daarbij. De Procureur-Generaal stelt dat beide middelen falen.
Het eerste middel faalt omdat het hof terecht heeft geoordeeld dat het begraven van het lijk met schaamte samenhing met het verbergen van de doodsoorzaak, en dat de verdachte dit als noodzakelijk gevolg van zijn handelen heeft geaccepteerd. Het tweede middel faalt omdat de bekentenis van de verdachte geen matigende werking verdient, nu hij slechts selectief informatie gaf, geen verantwoordelijkheid nam en de nabestaanden geen duidelijkheid gaf.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep verworpen moet worden en het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot vijftien jaar gevangenisstraf blijft in stand.