Conclusie
[eiser]respectievelijk
Dutchweek.
1.Inleiding
2.Feiten
Van: [e-mail]
[betrokkene 2]) van 5 juni 2019 over de gebeurtenissen op 21 maart 2019 is onder meer het volgende opgenomen.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
kantonrechter). Hij vordert dat de kantonrechter Dutchweek bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 8.555,89, te vermeerderen met wettelijke rente, en de proceskosten. Hieraan legt hij, samengevat, het volgende ten grondslag.
vonnis), [1] waarin hij de vordering van [eiser] afwijst en hem veroordeelt in de proces- en nakosten. Dit oordeel motiveert de kantonrechter, samengevat, als volgt.
hof). Onder aanvoering van een drietal grieven concludeert [eiser] tot vernietiging van het vonnis en het alsnog toewijzen van zijn vorderingen in eerste aanleg, met veroordeling van Dutchweek in de kosten van beide instanties. Dutchweek voert verweer bij memorie van antwoord. Na een nadere aktewisseling vindt op 23 februari 2023 een mondelinge behandeling plaats bij het hof. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. De procedure is geschorst geweest vanwege een wrakingsverzoek van [eiser] op 13 maart 2023. De wrakingskamer heeft dit verzoek bij beslissing van 5 juni 2023 afgewezen. [2] De wraking is in cassatie niet aan de orde.
arrest), [3] waarin het het vonnis bekrachtigt en [eiser] veroordeelt in de kosten van het hoger beroep. Hiertoe overweegt het hof als volgt, waarbij ik de overwegingen die in cassatie van belang zijn citeer.
[eiser] protected us and reacted out of necessary defence”, doet aan de voorgaande constateringen niet af; in elk geval niet nu deze getuige voorafgaand daaraan verklaart: “
Due to the fact that [eiser] was standing in front of me, I couldn 't exactly see what happened.”. Een noodweerexces-situatie is overigens gesteld noch gebleken, waarbij meespeelt dat [eiser] , – die naar eigen zeggen twintig jaar ervaring in de beveiligingsbranche heeft – in staat moet worden geacht alleen noodzakelijk geweld te gebruiken. Ook het door [eiser] in zijn e-mail van 18 juli 2019 gegeven verslag van de zitting in Salzburg (zie [hiervoor onder 2.8, A-G]) wijst, waar dat het oordeel van de rechter weergeeft dat eenvoudige mishandeling wel bewezen kon worden, in de richting van onnodig geweld.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
aanvallendeklap tegen de bezoeker.” Daarnaast verwijst het hof naar het oordeel van de Oostenrijkse rechter “dat eenvoudige mishandeling wel bewezen kon worden.” In zoverre geeft het onderdeel het oordeel van het hof onvolledig weer. Niettemin zal ik hierna ingaan op de onderbouwing die het onderdeel formuleert onder
a.en
b.
a.aan dat het hof zou hebben miskend dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid in de zin van art. 7:658 lid 2 BW Pro het erom gaat of [eiser] de schade (zijnde de door [eiser] gemaakte kosten voor het zich moeten verantwoorden voor de Oostenrijkse strafrechter) in belangrijke mate opzettelijk zou hebben veroorzaakt of dat deze schade in belangrijke mate het gevolg zou zijn van bewust roekeloos handelen van [eiser] . Het gaat er dan ook niet om of [eiser] de klap in belangrijke mate opzettelijk of bewust roekeloos zou hebben uitgedeeld, maar of [eiser] de schade in belangrijke mate opzettelijk of bewust roekeloos veroorzaakt zou hebben. Bovendien, zo vervolgt het onderdeel onder
b., heeft het hof miskend dat het, gezien de toepasselijke maatstaf, moest onderzoeken of [eiser] onmiddellijk voorafgaand aan het uitdelen van de klap daadwerkelijk beseft zou hebben dat sprake was van een zodanig gevaarlijke gedraging dat hij zich daarvan in verband met de aanmerkelijke kans op verwezenlijking van het daardoor in het leven geroepen risico – dat hij kosten zou moeten maken voor het zich moeten verantwoorden voor de Oostenrijkse strafrechter – zou hebben behoren te weerhouden. [4]
a. Hierbij stel ik voorop dat het (sub)onderdeel, voor zover het een rechtsklacht richt tegen het oordeel dat sprake is van bewuste roekeloosheid, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de overweging in r.o. 6.9 dat “ [eiser] onvoldoende onderbouwd [heeft] betwist de stelling van Dutchweek dat [eiser] opzettelijk en onnodig geweld heeft gebruikt” maak ik op dat het hof tot het oordeel is gekomen dat sprake was van opzet. Deze uitleg van het arrest wordt verder ondersteund door de karakterisering van het handelen van [eiser] in r.o. 6.8 als “een
aanvallendeklap tegen de bezoeker” en de overweging dat naar het oordeel van de Oostenrijkse rechter eenvoudige mishandeling wel bewezen kon worden.
ongevalsrisico; [5] niet ten aanzien van de wijze waarop zich daaruit uiteindelijk concrete schadeposten manifesteren. [6] Het past niet om dan voor gevallen van opzet een dergelijke eis wel te stellen. Het (sub)onderdeel faalt daarom.
a.aan dat het oordeel onbegrijpelijk is omdat zonder toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom [eiser] onmiddellijk voorafgaand aan de klap daadwerkelijk beseft zou hebben dat sprake was van een zodanig gevaarlijke gedraging dat hij zich daarvan in verband met de aanmerkelijke kans op verwezenlijking van het daardoor in het leven geroepen risico (de kosten gemoeid met het Oostenrijkse strafproces) zou hebben behoren te weerhouden, hetgeen vereist is voor het aannemen van opzet of bewuste roekeloosheid. Verder stelt het onderdeel onder
b., met verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken, dat het oordeel van het hof ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof ten onrechte niet zou hebben gerespondeerd op de essentiële stellingen van [eiser] dat (i) de reden waarom hij zich voor de Oostenrijkse rechter moest verantwoorden was dat de betreffende bezoeker door [eiser] klap zijn kaak gebroken zou hebben maar (ii) dat de bezoeker tijdens de strafzitting in Oostenrijk (evenwel) verklaard heeft dat hij zijn kaak niet gebroken heeft. Dat deze stellingen essentieel zijn, volgt uit de in onderdeel 1, onder
b., vermelde maatstaf, aldus het onderdeel.