ECLI:NL:PHR:2024:873

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
31 augustus 2024
Zaaknummer
22/02232
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 SvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 6 lid 3 onder c EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens schending aanwezigheidsrecht

De verdachte werd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat geen grieven schriftelijk of mondeling waren ingediend. De verdediging was op de rolzitting niet verschenen, mede omdat de communicatie vanuit het hof de verwachting wekte dat aanwezigheid en indiening van grieven op die zitting niet noodzakelijk waren.

De raadsman had voorafgaand aan de rolzitting een verzoek tot aanhouding ingediend, maar dit was niet ontvangen door het hof. De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte het hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de rolzitting geen inhoudelijk karakter had en de verdachte op een latere zitting de gelegenheid had moeten krijgen om grieven in te dienen volgens artikel 416 lid 1 Sv Pro.

Daarnaast is het aanwezigheidsrecht van de verdachte geschonden, wat in strijd is met artikel 6 lid 3 EVRM Pro. De Hoge Raad constateert ook een overschrijding van de redelijke termijn, maar verbindt hieraan geen gevolgen. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar het hof voor nieuwe behandeling van het hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling van het hoger beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02232

Zitting3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 7 juni 2022 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 22/02233 P. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R. Zilver, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ik merk op dat de raadsman in de samenhangende zaak 22/02233 P hetzelfde middel van cassatie heeft voorgesteld.

Het procesverloop

5. Bij vonnis van 31 januari 2020 is de verdachte door de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld in de tegen haar ingestelde strafzaak en is ook in de ontnemingszaak uitspraak gedaan. De zaken zijn telkens gelijktijdig behandeld. Op 4 februari 2020 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
6. Uit de stukken blijkt dat tussen 18 maart 2022 en 23 maart 2022 tussen de ‘verkeerstoren’ van het hof en de raadsman overleg heeft plaatsgevonden over het inplannen van de
inhoudelijkebehandeling van de beide zaken.
7. Op 24 maart 2022 heeft de verkeerstoren van het hof aan de raadsman per e-mail laten weten dat de zaken zijn aangebracht op de rolzitting van 24 mei 2022. Voorts blijkt uit de stukken dat op 25 maart 2022 de dagvaarding om in hoger beroep op de rolzitting van 24 mei 2022 te verschijnen, aan de verdediging is verstrekt. Hierbij is eveneens een “
toelichting rolzitting innovatiekamer” (hierna: de toelichting bij de dagvaarding) van het hof als bijlage verstuurd. Deze toelichting houdt onder meer in dat gelet op de grote achterstanden bij het hof, er eventueel tot versnellingsafspraken gekomen kan worden zodat de zaak via een korte inhoudelijke behandeling tot een arrest zou kunnen komen. Voorts wordt erop gewezen dat wanneer niet tot een gezamenlijk standpunt gekomen wordt of het hof van oordeel is dat dit geen rechtvaardige uitkomst van de procedure oplevert, de zaak naar de rolzitting zal gaan om daar een inschatting te maken van de uiteindelijke inhoudelijke behandeltijd op een latere
inhoudelijketerechtzitting. Ook wordt erop gewezen dat de aanwezigheid van de verdachte op de rolzitting niet noodzakelijk is.
8. Op 24 mei 2022 heeft de rolzitting plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt – voor zover relevant voor de beoordeling van het middel – het volgende in:

De verdachte genaamd:
[verdachte](…)
is – hoewel behoorlijk gedagvaard – niet verschenen.
De raadsman van de verdachte mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, is evenmin ter terechtzitting verschenen.
(…)
De voorzitter deelt voorts mede dat, zoals de advocaat-generaal, de raadsman en de verdachte tevoren bekend was, de zaak vandaag niet inhoudelijk zal worden behandeld, maar dat deze zitting een rolzitting betreft, waarop slechts de grieven en/of onderzoekswensen zullen worden geïnventariseerd en besproken.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De advocaat-generaal deelt vervolgens als volgt mede:
In het dossier heb ik geen grieven aangetroffen. Evenmin heb ik een nadere toelichting en/of een bericht van de verdachte of van diens raadsman in het dossier aangetroffen of ontvangen. Om die reden vorder ik dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het door de verdachte ingestelde hoger beroep.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 7 juni 2022 te 09.00 uur.
(…)”
9. Het hof heeft vervolgens op 7 juni 2022 uitspraak gedaan. Deze uitspraak luidt – voor zover relevant voor de beoordeling van het middel – als volgt:

Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof is van oordeel dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven of een raadsman heeft gemachtigd dat namens haar te doen en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden.
10. Uit de stukken blijkt voorts dat de raadsman op 14 juni 2022 een brief aan het hof heeft gestuurd met als strekking dat hij “
onaangenaam verrast is” door de beslissing van het hof omdat hij ervan uit is gegaan dat de behandeling op de rolzitting van 24 mei 2022 geen doorgang zou vinden, dan wel zou worden aangehouden nu daar bij brief van 16 mei 2022 om was verzocht. Op 20 juni 2022 is namens de verdachte in beide zaken beroep in cassatie ingesteld.
11. In de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden bevindt zich ook een brief van de voorzitter van de strafkamer van het hof van 15 juli 2022 gericht aan de Hoge Raad, welke onder meer als volgt luidt:

Het hof heeft van de raadsman mr. Zilver een brief ontvangen d.d. 14 juni 2022 waarin wordt verzocht de niet-ontvankelijkverklaring in de betreffende procedures ongedaan te maken en te bepalen dat de behandeling daarvan zal plaatsvinden op een latere datum. Als bijlagen bij voornoemde brief is een brief van de raadsman bijgevoegd welke is voorzien van de datum 16 mei 2022 (bijlage 1), alsmede een e-mailbericht van de Verkeerstoren d.d. 18 maart 2022 (bijlage 2).
In de brief van 16 mei 2022 verzoekt de raadsman de zaken op de terechtzitting van 24 mei 2022 geen doorgang te laten vinden dan wel aan te houden tot een latere datum. Het hof heeft deze brief voorafgaand aan de terechtzitting van 24 mei 2022 echter niet ontvangen en op het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaken is dan ook niet gereageerd.
De brief van de raadsman d.d. 14 juni 2022 met bijlagen zijn achter deze brief gevoegd. Voorts is bij deze brief (interne) e-mailcorrespondentie gevoegd.”

Het middel en de toelichting daarop

12. Het middel klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep. Hieraan wordt ten grondslag gelegd dat het karakter van een rolzitting met zich brengt dat de daadwerkelijke inhoudelijke behandeling op een later moment zal plaatsvinden, temeer nu in dit geval aan de verdediging de eerder besproken toelichting is toegestuurd die bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan als de mededeling dat de verdachte op een latere terechtzitting – en dan voor de eerste maal inhoudelijk – op de voet van artikel 416 lid 1 Sv Pro de gelegenheid zou hebben om haar bezwaren tegen de vonnissen op te geven.
13. Het hof heeft de verdachte gelet hierop ten onrechte op de voet van artikel 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard, aldus de steller van het middel.

De beoordeling van het middel

14. Het hof heeft de verdachte naar aanleiding van het voorgevallene op de rolzitting, waarop de verdachte en haar raadsman niet zijn verschenen, op grond van artikel 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en die beslissing mede gegrond op de omstandigheid dat de verdachte geen mondelinge bezwaren tegen de vonnissen heeft opgegeven.
15. Dat oordeel is gelet op de hiervoor door mij besproken omstandigheden niet-begrijpelijk. Het hof heeft er in het bijzonder aan voorbijgezien dat de toelichting bij de dagvaarding, waaruit kan worden opgemaakt dat de rolzitting geen inhoudelijk karakter zal hebben, meebrengt dat pas voor de eerste maal op een latere
inhoudelijketerechtzitting de zaken door de advocaat-generaal zullen worden voorgedragen en de verdachte op grond van artikel 416 lid 1 Sv Pro de gelegenheid zou hebben om haar bezwaren tegen de vonnissen op te geven. [1] Zoals eerder door de Hoge Raad is opgemerkt zet toepassing van artikel 416 lid 2 Sv Pro het bepaalde in het eerste lid van artikel 416 Sv Pro niet opzij. [2]
16. Daarnaast komt het mij voor dat gelet op de inhoud van de brief van de voorzitter van de strafkamer, het hof abusievelijk voorbij is gegaan aan het aanhoudingsverzoek van de raadsman zoals dat – naar in cassatie moet worden aangenomen – per brief van 16 mei 2022 is gedaan. Gelet op het belang van het in artikel 6 lid 3 onder Pro c EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht en de gang van zaken in de voorliggende zaak, meen ik dat de beslissing tot niet-ontvankelijkheid daardoor temeer als niet-begrijpelijk kan worden beschouwd.

Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie

17. Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte cassatie is ingesteld op 20 juni 2022. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro overschreden.
18. Hieraan behoeven op dit moment geen consequenties te worden verbonden, gelet op hetgeen ik hiervoor heb geconcludeerd ten aanzien van het middel en de gevolgen die ik daaraan verbind voor wat betreft de vernietiging van de bestreden uitspraak en de terugwijzing van de zaak.

Slotsom

19. Het middel slaagt.
20. Andere gronden (dan genoemd in randnummer 17) die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 17 april 2012,
2.Zie vorige voetnoot.