ECLI:NL:PHR:2024:896

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
1 september 2024
Zaaknummer
22/02080
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:97 BWArt. 27 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRMArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toewijzing schadevergoeding bij verduistering ondanks onvoldoende motivering schatting

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar wegens verduistering van aanzienlijke geldbedragen uit hoofde van zijn dienstbetrekking als salarisadministrateur. Het hof kende tevens schadevergoedingen toe aan drie benadeelde partijen, waarbij het de vordering van één partij matigde tot € 2.000.000 vanwege de complexiteit en de onevenredige belasting van het strafproces.

De verdachte stelde cassatieberoep in met het middel dat de motivering van het hof omtrent de toewijzing van de schadevergoedingen onvoldoende was, met name de wijze waarop het hof zijn schatting had gemotiveerd. De benadeelde partijen hadden een verweerschrift ingediend, maar dit werd niet behandeld omdat het middel faalde.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het hof voldoende had gemotiveerd door aan te sluiten bij de vaststaande feiten en de schattingsbevoegdheid conform artikel 6:97 BW Pro juist had toegepast. Tevens werd opgemerkt dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidt tot vermindering van de straf. De Hoge Raad vernietigde het arrest slechts voor zover van de strafoplegging en verwierp het cassatieberoep voor het overige.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toewijzing van schadevergoeding, vermindert wel de straf wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02080
Zitting3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 2 juni 2022 door het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, wegens “
verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Daarnaast heeft het hof een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P.M. Rombouts, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het namens de verdachte voorgestelde middel klaagt – kort gezegd – over het oordeel van het hof omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen
4. Namens de benadeelde partijen
[A] B.V.,
[B] B.V.en
[C] B.V.(hierna: de benadeelde partijen) hebben Y. Ameziane, G.R.G. Driessen en D. Herfst, allen advocaat te Rotterdam, een verweerschrift c.q. ‘voorwaardelijke schriftuur’ ingediend en daarbij verzocht die voorwaardelijke schriftuur in behandeling te nemen indien het cassatieberoep van de verdachte slaagt.
De kern van het middel
5. Het middel klaagt dat de beslissing van het hof over de vorderingen van de benadeelde partijen zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.
6. In de toelichting wordt in het bijzonder opgemerkt dat het oordeel van het hof over de vordering van de benadeelde partij
[A] B.V.onvoldoende gemotiveerd is. Het hof heeft deze vordering gematigd tot een bedrag van € 2.000.000,- maar heeft niet uitgelegd hoe het tot dit bedrag is gekomen. Evenmin heeft het hof gemotiveerd waarom het door de verdediging gevoerde verweer ten aanzien van de fiscale verrekenbaarheid van verliezen niet is meegenomen.
De strafzaak en het oordeel van het hof
7. In het bestreden arrest heeft het hof bewezen verklaard dat de verdachte “
in de periode van 1 maart 2007 tot en met 23 augustus 2016 te Rotterdam meermalen en telkens opzettelijk geldbedragen (van in totaal EUR 3.580.379,50), toebehorende aan [A] B.V. en/of [C] B.V. en/of [D] B.V., tezamen [Groep] , en welke geldbedragen verdachte telkens uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als salarisadministrateur, onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.” De verdachte heeft de verduistering als zodanig erkend. [1]
8. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een formulier ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van de benadeelde partijen met bijlagen. Uit dit verzoek tot schadevergoeding van de benadeelde partijen blijkt dat materiële schade tot een bedrag van € 3.508.379,05 is gevorderd en die vordering als volgt is opgebouwd:

Geld dat van de bankrekening is ontvreemd:
- [A] B.V. € 2.806.607,15
- [B] B.V. € 544.094,11
- [C] B.V. € 229.677,79
9. Reeds nu merk ik hierover op dat de benadeelde partijen zodoende vergoeding hebben gevorderd van de geldbedragen die volgens de bewezenverklaring door de verdachte zijn verduisterd. [2] Zoals gezegd is deze verduistering door de verdachte bovendien met zoveel woorden erkend. Tussen de (civiele) partijen in dit geding staat daarmee vast dat de verdachte deze geldbedragen onrechtmatig heeft onttrokken aan de bankrekeningen van de benadeelde partijen.
10. Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte over de vorderingen tot schadevergoeding (niettemin) het volgende aangevoerd:

Ten aanzien van de benadeelde partij duizelt het me een beetje. Ik kan het niet berekenen. Een vordering moet glashelder zijn, want die mag het strafproces niet onevenredig belasten. We hebben te maken met een kluwen van rechtspersonen en al dan niet te verrekenen, bedragen. Dat er twee advocaten aan te pas moeten komen zegt eigenlijk al genoeg. Het is veel te complex. Er is nog een bedrag betaalbaar gesteld, maar daar blijkt uit de berekeningen niets van. Bovendien: als er zoveel omzet is gederfd moet daar ook een fiscaal voordeel aan kleven, maar dat is niet na te gaan. De vordering is impliciet verhoogd met de executiekosten van € 100.000,00 om twee appartementen te verkopen - dat lijkt mij nogal fors. Het hof is mogelijk langer bezig met de vordering en de fiscale aspecten dan met de strafzaak. Daarom verzoek ik de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren. Zij kennen de weg naar de civiele rechter. Mocht uw hof het anders zien, dan vraag ik de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen. Anders krijgt mijn cliënt na zes weken het verzoek € 3,5 miljoen over te maken. Dat lukt natuurlijk niet, waardoor hij feitelijk nog een jaar langer vast komt te zitten.
11. Het hof heeft vervolgens ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen als volgt overwogen en beslist:

“Vordering van de benadeelde partij [A] B.V.

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.806.607,15. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. In hoger beroep heeft de benadeelde partij aangevoerd dat ten behoeve van de verkoop van twee panden van de verdachte met een opbrengst van in totaal € 603.511,09, advocaat- en notariskosten zijn gemaakt ten bedrage van € 101.774,89. In geval de opbrengst van de panden in mindering wordt gebracht op de toe te wijzen vordering, verzoekt de benadeelde partij de hiermee gemoeide kosten van de opbrengst af te trekken.
Het hof zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.000.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering - zeker waar het betreft de kosten die zouden zijn gemaakt voor het verkopen van twee panden - een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Vordering van de benadeelde partij [B] B.V.
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 544.094,11. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [C] B.V.

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 229.677,79. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.”
De klachten
12. Tegen het bovenstaande oordeel van het hof wordt in de schriftuur kort gezegd aangevoerd dat het hof de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen onvoldoende gemotiveerd heeft. Hoe het hof tot de vaststelling van het bedrag van € 2.000.000,- is gekomen is volgens de steller van het middel volkomen onduidelijk. Evenmin heeft het hof gemotiveerd waarom het door de verdediging gevoerde verweer ten aanzien van de fiscale verrekenbaarheid van verliezen niet heeft meegenomen.
13. De steller van het middel concludeert vervolgens dat daarom de beslissingen ten aanzien van (naar ik begrijp:
alle) vorderingen van de benadeelde partijen, zonder nadere motiveringen welke ontbreken, niet begrijpelijk zijn.
Het toepasselijke beoordelingskader
14. Bij de beoordeling van het middel is hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn overzichtsarrest van 28 mei 2019,
ECLI:NL:HR:2019:793,
NJ2019/379 m.nt. Vellinga, van belang. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij is onder meer het volgende overwogen (hier met weglating van de voetnoten):

Beoordeling en beslissing rechter
2.8.1 Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv Pro rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.
2.8.2 In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.
2.8.3 In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv Pro) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.
(…)
2.8.6 Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.
(…)
2.8.7. Met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.4 reeds is overwogen, begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Indien de omvang van de schade zonder nader onderzoek dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat (art. 6:97 BW Pro). De rechter dient in zijn motivering van die schatting zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vaststaande feiten. (…)
De bespreking van het middel
15. Het hof heeft in zijn arrest de vorderingen van de benadeelde partijen (grotendeels) toegewezen. Het hof heeft over de toewijsbaarheid van de vorderingen overwogen dat voldoende is gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het handelen van de verdachte rechtstreeks schade hebben geleden. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij
[A] B.V.heeft het hof de vordering gematigd en overwogen dat de behandeling van de vordering verder een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
16. Op de terechtzitting in hoger beroep is, zoals in randnummer 10 weergegeven, door de verdediging op dit punt nauwelijks verweer gevoerd. Dit verweer is namelijk (zeer) summier van aard en weinig specifiek. Het blijft steken in een algemene betwisting van de vorderingen van de benadeelde partijen, hoewel die vorderingen – in het licht van de bewezenverklaring – niet veel duidelijker hadden kunnen zijn.
17. Dat het hof de vorderingen van de benadeelde partijen heeft toegewezen met de overweging dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade hebben geleden, is m.i. dan ook niet onbegrijpelijk. De rechter is kennelijk uitgegaan van de juistheid van de aan de vorderingen ten grondslag gelegde feiten, hetgeen ik temeer niet onbegrijpelijk acht nu de gevorderde schade correspondeert met de (door de verdachte onbetwiste) bewezenverklaring.
18. Daarnaast heeft het hof kennelijk toepassing gegeven aan zijn schattingsbevoegdheid ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij
[A] B.V.en geoordeeld dat de behandeling van de vordering voor het meerdere een onevenredige behandeling van het strafproces zou opleveren. Indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, mag de rechter immers gebruikmaken van zijn schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 BW Pro.
19. Uit de schriftuur blijkt dat niet zozeer de schatting als zodanig wordt aangevochten, maar de manier waarop het hof zijn schatting gemotiveerd heeft. De vraag is vervolgens waaruit die motivering dient te bestaan. Blijkens het door mij aangehaalde overzichtsarrest van de Hoge Raad dient de rechter in geval van het uitoefenen van zijn schattingsbevoegdheid in zijn motivering zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vaststaande feiten.
20. Uit het arrest is gebleken dat het hof kennis heeft genomen van de feiten en omstandigheden omtrent de vordering van de benadeelde partij
[A] B.V.en daarbij de opbrengst van de verkoop van twee panden en de daarmee gemoeide advocaat- en notariskosten in ogenschouw heeft genomen. Hieruit blijkt m.i. dat de rechter in zijn motivering van de schatting zoveel mogelijk heeft aangeknoopt bij de vaststaande feiten die ter terechtzitting naar voren zijn gebracht en hierbij – kennelijk – een ruim voorschot heeft genomen op de verhaalperikelen die zich in deze zaak (reeds) voordoen.
21. Het middel is derhalve (wat mij betreft) tevergeefs voorgesteld. Daardoor behoeft de voorwaardelijke schriftuur van de benadeelde partijen geen bespreking meer.
Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie
22. Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte cassatie is ingesteld op 8 juni 2022. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaren.
Slotsom
23. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
24. Anders dan hetgeen ik in randnummer 22 heb opgemerkt, heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2022, bij welke gelegenheid de verdachte op vragen van de voorzitter een bekennende verklaring heeft afgelegd. Omtrent het precieze totaal aan verduisterde bedragen toonde de verdachte zich enigszins aarzelend: “
2.Daarnaast is een verzoek tot vergoeding van de proceskosten à € 59.115,26 gedaan.