Conclusie
verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Daarnaast heeft het hof een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
[A] B.V.,
[B] B.V.en
[C] B.V.(hierna: de benadeelde partijen) hebben Y. Ameziane, G.R.G. Driessen en D. Herfst, allen advocaat te Rotterdam, een verweerschrift c.q. ‘voorwaardelijke schriftuur’ ingediend en daarbij verzocht die voorwaardelijke schriftuur in behandeling te nemen indien het cassatieberoep van de verdachte slaagt.
[A] B.V.onvoldoende gemotiveerd is. Het hof heeft deze vordering gematigd tot een bedrag van € 2.000.000,- maar heeft niet uitgelegd hoe het tot dit bedrag is gekomen. Evenmin heeft het hof gemotiveerd waarom het door de verdediging gevoerde verweer ten aanzien van de fiscale verrekenbaarheid van verliezen niet is meegenomen.
in de periode van 1 maart 2007 tot en met 23 augustus 2016 te Rotterdam meermalen en telkens opzettelijk geldbedragen (van in totaal EUR 3.580.379,50), toebehorende aan [A] B.V. en/of [C] B.V. en/of [D] B.V., tezamen [Groep] , en welke geldbedragen verdachte telkens uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als salarisadministrateur, onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.” De verdachte heeft de verduistering als zodanig erkend. [1]
Geld dat van de bankrekening is ontvreemd:
Ten aanzien van de benadeelde partij duizelt het me een beetje. Ik kan het niet berekenen. Een vordering moet glashelder zijn, want die mag het strafproces niet onevenredig belasten. We hebben te maken met een kluwen van rechtspersonen en al dan niet te verrekenen, bedragen. Dat er twee advocaten aan te pas moeten komen zegt eigenlijk al genoeg. Het is veel te complex. Er is nog een bedrag betaalbaar gesteld, maar daar blijkt uit de berekeningen niets van. Bovendien: als er zoveel omzet is gederfd moet daar ook een fiscaal voordeel aan kleven, maar dat is niet na te gaan. De vordering is impliciet verhoogd met de executiekosten van € 100.000,00 om twee appartementen te verkopen - dat lijkt mij nogal fors. Het hof is mogelijk langer bezig met de vordering en de fiscale aspecten dan met de strafzaak. Daarom verzoek ik de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren. Zij kennen de weg naar de civiele rechter. Mocht uw hof het anders zien, dan vraag ik de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen. Anders krijgt mijn cliënt na zes weken het verzoek € 3,5 miljoen over te maken. Dat lukt natuurlijk niet, waardoor hij feitelijk nog een jaar langer vast komt te zitten.”
“Vordering van de benadeelde partij [A] B.V.
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.806.607,15. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.
Vordering van de benadeelde partij [C] B.V.
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 229.677,79. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.
alle) vorderingen van de benadeelde partijen, zonder nadere motiveringen welke ontbreken, niet begrijpelijk zijn.
ECLI:NL:HR:2019:793,
NJ2019/379 m.nt. Vellinga, van belang. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij is onder meer het volgende overwogen (hier met weglating van de voetnoten):
Beoordeling en beslissing rechter
[A] B.V.heeft het hof de vordering gematigd en overwogen dat de behandeling van de vordering verder een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
[A] B.V.en geoordeeld dat de behandeling van de vordering voor het meerdere een onevenredige behandeling van het strafproces zou opleveren. Indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, mag de rechter immers gebruikmaken van zijn schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 BW Pro.
[A] B.V.en daarbij de opbrengst van de verkoop van twee panden en de daarmee gemoeide advocaat- en notariskosten in ogenschouw heeft genomen. Hieruit blijkt m.i. dat de rechter in zijn motivering van de schatting zoveel mogelijk heeft aangeknoopt bij de vaststaande feiten die ter terechtzitting naar voren zijn gebracht en hierbij – kennelijk – een ruim voorschot heeft genomen op de verhaalperikelen die zich in deze zaak (reeds) voordoen.