ECLI:NL:PHR:2024:910

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 september 2024
Publicatiedatum
5 september 2024
Zaaknummer
23/02421
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontnemingsbedrag wederrechtelijk verkregen voordeel bij mensensmokkel

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 15 juni 2023 vastgesteld dat de betrokkene een wederrechtelijk voordeel van €52.110 heeft verkregen in een zaak van mensensmokkel gepleegd op 17 februari 2016. Het hof gebruikte een kasopstelling als methode om het voordeel te berekenen en wees aftrek van €13.700 toe omdat de betrokkene niet aannemelijk had gemaakt dat dit bedrag daadwerkelijk aan hem was gegeven.

De verdediging voerde aan dat er sprake was van drie geldleningen ter verklaring van het verschil tussen legale ontvangsten en contante uitgaven. Het hof oordeelde echter dat de leenovereenkomsten niet betrouwbaar waren, getuigenverklaringen ongeloofwaardig en dat de betrokkene onvoldoende medewerking had verleend door kasboeken niet te overleggen.

De Hoge Raad concludeert dat het hof geen onjuiste maatstaf heeft toegepast en de motivering begrijpelijk is. Klachten over de uitsluiting van een bedrag van €1.000 aan privé-opnamen en over de redelijke termijn worden niet ontvankelijk verklaard of afgewezen. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof blijft bij het ontnemingsbedrag van €52.110 zonder aftrek van €13.700.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02421 P
Zitting10 september 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de betrokkene

IInleiding

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 15 juni 2023 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 52.110,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de betrokkene heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, vier middelen van cassatie voorgesteld.

IIDe bestreden uitspraak

3. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

1.Het in een proces-verbaal neergelegde rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling ex artikel 36e derde lid, van het Wetboek van Strafrecht d.d. 31 oktober 2017 met bijlagen (uit het dossier "Bobalong" van de Koninklijke Marechaussee, proces-verbaalnummer 1704280740, doorgenummerde dossierpagina’s 1 - 757), rapportnummer 171013.1545.FIN, in de wettelijke vorm op ambtseed opgemaakt door [verbalsant], dossierpagina’s 658 e.v.), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:
[…]
5.2.
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel via de eenvoudige kasopstelling
Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ervoor gekozen om een eenvoudige kasopstelling te vervaardigen. Door middel van deze methode van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt nagegaan of, en zo ja, in hoeverre veroordeelde meer contante uitgaven heeft gedaan dan via legale bron kunnen worden verantwoord.
In deze methode worden de (totale) contante uitgaven afgezet tegen de beschikbare legale contante gelden. Indien de totale contante uitgaven groter zijn dan de beschikbare legale contante gelden (met andere woorden: het uiteindelijke verschil negatief is), is er dus sprake van onbekende contante ontvangsten. Een negatieve kas is immers niet mogelijk: men kan niet meer uitgeven dan men fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft, tenzij sprake is van een andere, onbekende contante ontvangstenbron. Van deze onbekende contante ontvangstenbron kan worden aangenomen dat deze tenminste gelijk is aan het verondersteld wederrechtelijk verkregen voordeel. Op basis van de in het proces-verbaal van bevindingen, nummer 1710270900.FIN genoemde feiten eh/of omstandigheden kan de volgende opstelling worden vervaardigd:
Beginsaldo contant geld € 0,-
+/+ Legale contante ontvangsten inclusie bankopnamen € 6.650,-
-/- Eindsaldo contant geld € 0,-
Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 6.650,-
-/- Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen € 70.810,-
Verschil (wederrechtelijk verkregen voordeel) € 64.160,-”
2.Het proces-verbaal van relaas repliek op pleitnotities d.d. 2 oktober 2018, in de wettelijke vorm op ambtseed opgemaakt door [verbalsant], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:
“(…)
Voor de herberekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is door mij tevens gebruik gemaakt van gegevens uit het eerder opgemaakte rapport berekening Wederrechtelijk Verkregen Voordeel (WVV) kasopstelling ex art. 36e lid 3 Sr, rapportnummer 1710131545.FIN. Hieronder zal ik per post van de kasopstelling verwoorden hoe ik tot de bedragen ben gekomen.
Beginsaldo contant geld:
In het beginsaldo hebben geen wijzigingen plaatsgevonden en is hierdoor hetzelfde gebleven, zijnde € 0,-
(...)
Legale contante ontvangsten (inclusief bankopnamen):
Door mij is eerder omschreven dat van de aangegane leningen bij [betrokkene 1] € 9.900,- giraal is overgeboekt, hetgeen [betrokkene] in staat stelde om opnamen te verrichten vanaf de bankrekening van [bedrijf] B.V. In de ontvangen bankgegevens van de rekening van [bedrijf] B.V. zijn een 12-tal opnamen tot en met 02-02-2017 naar voren gekomen, te weten een totaalbedrag van € 9.050,-. Verder zijn tevens een 4-tal opnamen naar voren gekomen waarbij de omschrijving staat “Privé opname”, te weten een totaalbedrag van € 1.000,-. Omdat het hier om privé opnamen gaat en dus ook kennelijk dit doel hebben, zijn deze niet meegenomen in de kasopstelling.
[…]
Op basis van de in dit proces-verbaal genoemde feiten en/of omstandigheden kan de navolgende opstelling worden vervaardigd:
Beginsaldo contant geld € 0,-
+/+ Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen € 15.700,-
-I- Eindsaldo contant geld € 0,-
Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 15.700,
-I- Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen € 67.810,-
Verschil (wederrechtelijk verkregen voordeel) € 52.110,-”

Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeling en de wettelijke grondslag
De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 15 juni 2023 (parketnummer 20-002069-18) veroordeeld tot straf ter zake van mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, gepleegd op 17 februari 2016.
Het hof stelt vast dat aan de voorwaarden voor toepasselijkheid, van artikel 36e lid 3 (oud) Sr is voldaan en ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat veroordeelde een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen als bedoeld in genoemd artikellid.
[…]
Geen aftrek van een bedrag van € 13.700,00
De rechtbank heeft op het bedrag van € 52.110,- nog een bedrag van €13.700,00 in mindering gebracht.
In het proces-verbaal van 2 oktober 2018 (bewijsmiddel 2) heeft de verbalisant overwogen dat het opmerkelijk is dat er diverse malen in het grootboek “0805 lening [betrokkene 1]" wordt ingeschreven, er op nagenoeg dezelfde dag een opname van de bankrekening van [betrokkene 1] voor nagenoeg hetzelfde bedrag plaatsvindt en dat op nagenoeg dezelfde dag in het grootboek “0820 lening o/g" een boeking plaatsvindt voor nagenoeg hetzelfde bedrag met als omschrijving “afbetaling [betrokkene 2]". Dit gaat om een bedrag van € 13.700,00. De verbalisant relateert dat, ondanks dat er door het niet verstrekken van het kasboek geen gedegen onderzoek kan worden gedaan, de mogelijkheid bestaat dat [betrokkene 1] het opgenomen geld aan [betrokkene], lees [bedrijf] B.V., heeft gegeven, hetgeen volgens de verbalisant inhoudt dat voornoemd bedrag in mindering moet worden gebracht op het berekende WVV van € 52.110,-.
Het hof volgt - anders dan de rechtbank - deze zienswijze van de verbalisant niet en is van oordeel dat het bedrag van € 13.700,00 niet in mindering dient te worden gebracht op het berekende bedrag van € 52.110,-. Het had op de weg gelegen van de veroordeelde om de kasboeken te verstrekken en daarmee aan te tonen of [betrokkene 1] dat geldbedrag daadwerkelijk aan [betrokkene] of [bedrijf] B.V. heeft gegeven. De veroordeelde is, blijkens eerdergenoemd proces-verbaal van 2 oktober 2018, meermalen verzocht de kasboeken te verstrekken, zelfs bij aangetekende brief (zie p.16 van het proces-verbaal van 2 oktober 2018), maar hij heeft dit steeds nagelaten. Nu de veroordeelde dat steeds heeft nagelaten, ziet het hof geen reden om er voetstoots vanuit te gaan dat het bedrag van € 13.700,00 hem ten goede is gekomen, terwijl daarvan ook anderszins niet is gebleken.
Het hof gaat derhalve uit van het bedrag van € 52.110,-.
Verweren van de verdediging
Van de zijde van de verdediging is betoogd dat de veroordeelde wel degelijk contante ontvangsten heeft gehad die het verschil tussen de geconstateerde legale ontvangsten en de werkelijke contante uitgaven kunnen verklaren.
a. De verdediging heeft betoogd dat de veroordeelde een bedrag van € 12.000,- heeft geleend van [betrokkene 3];
b. De verdediging heeft betoogd dat de veroordeelde een bedrag van € 8.500,- heeft geleend van [betrokkene 1];
c. De verdediging heeft betoogd dat de veroordeelde een bedrag van € 20.000,- heeft geleend van [betrokkene 1];
[…]
Ad a.
De verdediging heeft ter onderbouwing van de geldlening van een bedrag van € 12.000,- van [betrokkene 3] een schriftelijke overeenkomst in het geding gebracht en voorts is [betrokkene 3] gehoord door de raadsheer-commissaris op 28 juni 2022.
Het hof overweegt, dat de door de veroordeelde in het geding gebrachte overeenkomst in het Nederlands is opgesteld, terwijl [betrokkene 3] die taal niet machtig is, en dat deze niet is ondertekend, terwijl de overeenkomst qua lay-out en qua inhoud nagenoeg identiek is aan de onder b en c bedoelde leenovereenkomsten met [betrokkene 1] (opvallend detail is dat in alle drie de overeenkomsten de letters van de postcode van [bedrijf] B.V. ontbreken; voorts bevatten de drie overeenkomsten eenzelfde onlogische opsommingsnummering). Zelf heeft de veroordeelde ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 1 juni 2023 verklaard dat de overeenkomst pas naderhand is opgesteld.
De verklaring die [betrokkene 3] bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd, komt het hof ongeloofwaardig voor. Zo zou [betrokkene 3] een dergelijk groot geldbedrag in contanten vanuit Canada naar Afghanistan hebben gebracht voor zijn trouwfeest, maar zou hij het aan de veroordeelde hebben gegeven zodra die daarom vroeg. Gevraagd wanneer hij dan precies is getrouwd, moest [betrokkene 3] eerst nadenken en gaf hij vervolgens niet een datum in 2016 (de datum van de geldleningsovereenkomst was 1 oktober 2016) als antwoord, maar februari 2017.
Het hof acht het verder opmerkelijk, dat [betrokkene 3] zich in 2022 nog tamelijk gedetailleerd lijkt te kunnen herinneren hoe de geldlening destijds is gegaan, terwijl de veroordeelde zelf ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 1 juni 2023 voortdurend volhoudt zich na al die tijd niets meer te kunnen herinneren.
Bij het vorenstaande neemt het hof tenslotte in overweging, dat de veroordeelde het bestaan van de geldlening niet kan staven aan de hand van gegevens van de belastingdienst, terwijI hij daarnaast - zoals reeds eerder overwogen - herhaaldelijk niet heeft voldaan aan het ter beschikking stellen van de kasboeken van 2016 en 2017.
Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het bestaan van de geldlening van een bedrag van € 12.000,- onvoldoende aannemelijk geworden.
Ad b. en c.
De verdediging heeft ter onderbouwing van de geldleningsovereenkomsten van [betrokkene 1] een tweetal schriftelijke overeenkomsten in het geding gebracht en voorts is [betrokkene 1] gehoord door de raadsheer-commissaris op 23 mei 2022. Het hof overweegt, dat de door de veroordeelde in het geding gebrachte overeenkomsten qua lay-out en qua inhoud nagenoeg identiek zijn aan elkaar en aan de onder a bedoelde leenovereenkomst met [betrokkene 3] (gewezen wordt ook hier op het opvallend detail met betrekking tot de postcode en de onlogische opsommingsnummering, zie hiervoor onder a). De verklaring die [betrokkene 1] bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd, is voor wat betreft het betalen van contante geldbedragen aan de veroordeelde niet door bewijsstukken gestaafd. Verder spreekt [betrokkene 1] over een betaling aan [betrokkene 2], maar die bevestigt dat desgevraagd in zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris van 18 oktober 2022 niet. [betrokkene 1] heeft tenslotte verklaard, dat de overeenkomsten pas naderhand zijn opgesteld, zoals de veroordeelde ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 1 juni 2023 zelf ook heeft verklaard.
Het hof acht het tenslotte opmerkelijk, dat [betrokkene 1] zich in 2022 nog tamelijk gedetailleerd lijkt te kunnen herinneren hoe de geldlening destijds is gegaan, terwijl de veroordeelde zelf ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 1 juni 2023 voortdurend volhoudt zich na al die tijd niets meer te kunnen herinneren.
Ook hier geldt, dat de veroordeelde het bestaan van de geldleningen niet kan staven aan de hand van gegevens van de belastingdienst, terwijl hij voorts - zoals reeds eerder overwogen - herhaaldelijk niet heeft voldaan aan het ter beschikking stellen van de kasboeken van 2016 en 2017.
Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het bestaan van de geldleningen van bedragen van € 8.500,- en € 20.000,- onvoldoende aannemelijk geworden.”

IIIDe cassatiemiddelen

Het eerste middel

4. Het eerste middel keert zich met een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof om een bedrag van € 13.700,00 niet in mindering te brengen op het vastgestelde voordeel van € 52.110,00. Het hof zou daarbij van een verkeerde maatstaf zijn uitgegaan, althans dit oordeel – gelet op hetgeen daaromtrent op de terechtzitting is aangevoerd – niet begrijpelijk hebben gemotiveerd.
5. Bij de beoordeling van dit middel komt de vaste rechtspraak van de Hoge Raad in beeld die inhoudt dat de bewijslast ter zake van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld tussen het openbaar ministerie en de betrokkene, [1] en dat bij die schatting gebruik kan worden gemaakt van een kasopstelling. [2] Aan de betrokkene moet uiteraard wel de gelegenheid worden geboden om – zo nodig door bescheiden gestaafd – tegenover de rechter aannemelijk te doen worden dat en waarom de door middel van die methode vastgestelde onverklaarbare (of onverklaarde) ontvangsten niet of niet geheel hun oorsprong vinden in feiten als bedoeld in art. 36e Sr dan wel anderszins niet kunnen gelden als voordeel in de zin van die bepaling. Als het gaat om de methode van kasopstelling betreft het in de regel onverklaarbare (of onverklaarde) uitgaven en de door de betrokkene te beantwoorden vraag waarom deze niet zijn aan te merken als klaarblijkelijk genoten voordeel in de zin van art. 36e Sr. [3]
6. In de bestreden uitspraak heeft het hof ten aanzien van de betrokkene overwogen dat er “geen reden [is] om er voetstoots vanuit te gaan dat het bedrag van € 13.700,00 hem ten goede is gekomen”. Mede gelet op de gehele context waarin deze bewoordingen zijn te plaatsen – ik wijs daarbij ook op de vaststelling van het hof dat “daarvan ook anderszins niet is gebleken” –, meen ik dat het hof daarmee bedoelt tot uitdrukking te brengen dat niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene 1] dit bedrag van € 13.700,00 daadwerkelijk aan de betrokkene heeft gegeven. De bedoelde overweging aldus begrepen, heeft het hof geen onjuiste maatstaf toegepast.
7. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat, naar het hof heeft vastgesteld, de betrokkene, ondanks dat daarom meermalen was verzocht (zelfs bij aangetekende brief), steeds heeft nagelaten de kasboeken te verstrekken. Uit deze vaststelling, bezien in samenhang met ’s hofs overige overwegingen in verband met dit geldbedrag van € 13.700,00, maak ik op dat naar het oordeel van het hof de betrokkene zijn verklaring daarover in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt. Het gebruik van het woord “voetstoots” door het hof heeft kennelijk betrekking op de daaraan voorafgaande overweging over het proces-verbaal van 2 oktober 2018, waarin, aldus het hof, de verbalisant relateert dat de mogelijkheid bestaat dat [betrokkene 1] het opgenomen geld aan de betrokkene of [bedrijf] B.V. heeft gegeven.
8. Anders dan de steller van het middel, meen ik dat het hier bestreden oordeel van het hof niet alleen niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, maar evenmin onbegrijpelijk is gemotiveerd.
9. Het eerste middel faalt.
Het tweede cassatiemiddel
10. De klacht luidt dat de vaststelling van het ontnemingsbedrag ten bedrage van € 52.110,00 onbegrijpelijk is, “nu deze vaststelling mede berust op het weglaten uit de eenvoudige kasopstelling van een bedrag van € 1.000 op de grond dat het ‘om privé opnamen gaat’, hetgeen zonder nadere doch ontbrekende motivering onbegrijpelijk is”.
11. Het hof heeft in navolging van het als bewijsmiddel 2 opgenomen “proces-verbaal van repliek op pleitnotities d.d. 2 oktober 2018” een bedrag van in totaal € 1.000,- aan “Prive opname” niet bij de kasopstelling betrokken. Daarop is het hof in zijn arrest (onder het hoofd “Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel”) niet verder ingegaan. Dat hoefde het hof mijns inziens ook niet omdat blijkens het proces-verbaal van ’s hofs terechtzitting van 1 juni 2023 daarover niets naar voren is gebracht door de betrokkene en/of diens raadsvrouw, ook niet in de toen en aldaar overgelegde pleitnotities.
12. Over dit punt van feitelijke aard kan echter niet voor het eerst in cassatie worden geklaagd.
Het derde cassatiemiddel
13. Het derde middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, behelst de klacht dat de vaststelling van een ontnemingsbedrag van € 52.110,00 door het hof onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over het bestaan van drie leningen die de betrokkene is aangegaan.
14. Het gaat de steller van het middel om twee overwegingen die het hof aan de verwerping van het bedoelde verweer ten grondslag heeft gelegd. De eerste overweging houdt samengevat in dat de betrokkene geen van de gestelde drie geldleningen “kan staven aan de hand van gegevens van de belastingdienst”. De tweede overweging waarop de pijlen zijn gericht heeft betrekking op het (gebrek aan) herinneringsvermogen van deze en gene.
15. De meergenoemde pleitnotities houden, voor zover hier van belang, het volgende in:
“44. Nieuw ten opzichte van de processtukken in eerste aanleg, betreffen de drie bij de rhc afgelegde getuigenverklaringen, door [betrokkene 1] en [betrokkene 3] over de aan client verstrekte geldleningen en de verklaring van [betrokkene 2] over de betalingen i.v.m. de overname van het bedrijf. 45. […]. De verklaringen laten weinig duidelijkheid te wensen over: de getuigen bevestigen wat client vanaf het begin af aan heeft verklaard. Zo verklaarde client al bij de KMAR, in april 2017, en ook ter zitting bij de rb, dat hij het geld voor het starten van de garage van familie heeft geleend en op welke wijze/momenten hij [betrokkene 2] heeft voldaan, hetgeen reeds werd onderbouwd door in eerste aanleg overlegde ovk's.
46. Het primaire standpunt van de verdediging in de ontnemingsprocedure is en blijft, evenals in eerste aanleg, dat client het meer dan voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het geld dat hij heeft gebruikt voor de overname van de garage van [betrokkene 2], niet uit het tllgelegde feit/een strafbaar feit, maar geheel middels een geldlening van zijn familie heeft verkregen. Het is nu immers niet meer alleen client die dit verklaart, hij kan zijn verklaring onderbouwen met schriftelijke bescheiden, zijnde bankafschriften, waaruit een aantal overschrijvingen blijken en waarbij ook de vermelding 'lening' staat genoemd. Verder wordt de verklaring van client ondersteund door de verklaringen van 3 getuigen, zijnde [betrokkene 1], [betrokkene 3] en [betrokkene 2].
47. De bevindingen van het OM m.b.t. de leenovk's (nader onderzoek OM n.a.v. inhoud pleitnotities) doen niet aan de (geloofwaardigheid van de) verklaringen van de getuigen af. Dat de ovk's niet conform de civiele bepalingen van het BW zijn opgesteld, is immers niet hetzelfde als dat de essentie die er in de ovk's staat niet zou kloppen. Die essentie is: er is sprake van geldleningen en die essentie blijft overeind, is geloofwaardig en ook nog eens onderbouwd!”
16. Het hof heeft uitgebreid gemotiveerd waarom het bestaan van de drie leningen onvoldoende aannemelijk is geworden. Het hof heeft feitelijk vastgesteld dat de betrokkene zijn uitleg daarover niet heeft kunnen staven aan de hand van gegevens van de belastingdienst. Ik begrijp de overwegingen van het hof in dat verband aldus, dat de betrokkene, op geen enkele wijze zijn verklaring kracht heeft weten bij te zetten met schriftelijke bewijsstukken die authentiek zijn, zoals gegevens van de belastingdienst. Dat het hof hier alleen expliciet gegevens van de belastingdienst noemt, is naar het mij toeschijnt vooral een manier om duidelijk te maken dat uit officiële documenten of gegevens niet volgt dat de betrokkene dit geld heeft geleend. Bij deze vaststelling heeft het hof het echter niet gelaten. Bij zijn oordeel heeft het hof immers voorts betrokken dat: (i) de door de betrokkene overgelegde papieren ter onderbouwing van het bestaan van de gestelde geldleningen (in mijn woorden) allesbehalve betrouwbaar overkomen; (ii) de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 3] het hof ongeloofwaardig voorkomt; (iii) de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1] wat betreft het betalen van contante geldbedragen aan de betrokkene niet wordt gestaafd met bewijsstukken respectievelijk door een gehoorde getuige niet is bevestigd; (iv) deze verklaring van [betrokkene 1] inhoudt dat de overgelegde overeenkomsten pas naderhand waren opgesteld; (v) de betrokkene ter terechtzitting van het hof voortdurend heeft volgehouden zich niets meer te kunnen herinneren; (vi) de betrokkene herhaaldelijk niet heeft voldaan aan het verzoek om de kasboeken van 2016 en 2017 ter beschikking te stellen van justitie. De overweging van het hof over de herinneringen van [betrokkene 3] respectievelijk van [betrokkene 1] betreft een feitelijk oordeel dat ik overigens niet onbegrijpelijk acht.
17. Ook het derde middel faalt.
Het vierde cassatiemiddel
18. Het vierde middel klaagt dat het hof heeft volstaan met een constatering van de overschrijding van de redelijke termijn omdat, aldus het hof, met die overschrijding reeds in de strafzaak rekening is gehouden.
19. Gelet op de toelichting op het middel ziet de klacht op een oordeel van het hof in het arrest in de hoofdzaak over de schending van de redelijke termijn. Aldus – ik citeer verder uit de toelichting op het middel – “moet worden vastgesteld dat het Hof ofwel op onbegrijpelijke wijze géén strafkorting heeft toegepast, ofwel die strafkorting op onbegrijpelijke wijze heeft gemotiveerd in de strafzaak. Dat betekent dat de overweging van het Hof in de ontnemingszaak, te weten dat de redelijke termijn (reeds) in de strafzaak is gecompenseerd, eveneens onbegrijpelijk is. Het bestreden arrest kan hierdoor, ten aanzien van de strafoplegging, niet in stand blijven.”
20. Ik meen dat het hier niet de plaats is om te klagen over dat oordeel van het gerechtshof in de hoofdzaak en dat het (daarvan afgeleide) vierde middel reeds om die reden tevergeefs is voorgesteld.

IVSlotsom

21. Alle middelen falen en kunnen mijns inziens met een aan art. 81 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1182,
2.Zie daarover, met aanhaling van rechtspraak van de Hoge Raad, Hofstee, in:
3.Vgl. HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1182,