ECLI:NL:PHR:2024:92

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 februari 2024
Publicatiedatum
23 januari 2024
Zaaknummer
23/00615
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwierp cassatie tegen moordveroordeling met bewezenverklaring voorbedachte raad

De verdachte werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf wegens moord met voorbedachte raad en overtreding van een vuurwapenverbod. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken van moord wegens onvoldoende bewijs van voorbedachte raad, maar het Hof in hoger beroep verklaarde dit wel bewezen op basis van camerabeelden, getuigenverklaringen en eigen waarneming.

De verdachte stelde cassatie in tegen het oordeel van het Hof, met name over de motivering van de bewezenverklaring van voorbedachte raad. Hij betoogde dat het Hof de eigen waarneming van het Gerecht had gedenatureerd en dat de bewijsmiddelen tegenstrijdig waren. De procureur-generaal concludeerde dat het Hof terecht de eigen waarneming mocht gebruiken en dat de toegevoegde getuigenverklaringen voldoende waren om het oordeel te motiveren.

De Hoge Raad volgde de conclusie van de procureur-generaal en verwierp het cassatiemiddel. De bewezenverklaring van voorbedachte raad was voldoende gemotiveerd, mede gelet op de observatie dat de verdachte rustig het groepje observeerde, zich met een vuurwapen voegde en vervolgens gericht schoot. Er waren geen tegenstrijdigheden die het oordeel ondermijnden. De strafrechtelijke veroordeling bleef daarmee in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde de moordveroordeling met bewezenverklaring van voorbedachte raad.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/00615 C

Zitting6 februari 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 2 februari 2023 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) wegens onder 1 impliciet primair “moord” en onder 2 “overtreding van een bij artikel 3, eerste lid van de Vuurwapenverordening gesteld verbod, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het Hof daarbij beslist over de vordering van de benadeelde partij.
Namens de verdachte heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Valkenswaard, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van voorbedachte raad ontoereikend is gemotiveerd, onder meer omdat het Hof de voor het bewijs gebruikte eigen waarneming van het Gerecht heeft gedenatureerd.
4. Ten laste van de verdachte is onder 1 impliciet primair bewezenverklaard:
“dat hij, op 19 maart 2021 te Curaçao, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meerdere schoten gelost op die [slachtoffer], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] meerdere schotwonden aan/in het lichaam heeft bekomen tengevolge waarvan voomoemde [slachtoffer] is overleden”.
5. De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van moord en veroordeeld wegens doodslag, omdat voorbedachte raad niet kon worden bewezen. Het Hof heeft in hoger beroep voorbedachte raad wel bewezenverklaard en veroordeeld wegens moord.
6. Het Hof heeft daarbij de in eerste aanleg gebruikte bewijsmiddelen bevestigd. Daaronder bevindt zich het volgende bewijsmiddel:

“2. De eigen waarneming van het Gerecht ter terechtzitting van 27 oktober 2021:

“Het Gerecht heeft op de inbeslaggenomen beelden van een camera die bevestigd is aan/bij de woning te [a-straat 1] het volgende waargenomen:
Op 19 maart 2021 omstreeks 20.33 uur (tijdstip camerabeelden; werkelijke tijd 21.48 uur) is te zien dat een donkere auto komt aanrijden en tot stilstand wordt gebracht (gelet op de locatie en positie van de camera) voor de oprit van [a-straat 1]. De bestuurder – door de politie in het proces-verbaal van bevindingen ‘Camerabeelden [a-straat 2]’ herkend als [slachtoffer] – doet het portier open en stapt uit de auto. [slachtoffer] loopt in zuidelijke richting weg en verdwijnt even uit beeld.
Enige tijd later komt een in het wit geklede man – die door de politie is herkend als de verdachte en waarvan de verdachte ter terechtzitting heeft bevestigd dat hij dat is – aanlopen. Hij gaat vlak achter de auto van [slachtoffer] staan.
Kort daarna komt [slachtoffer] weer vanuit zuidelijke richting inbeeld. Hij loopt in de richting van de T-kruising tussen de [a-straat] en de naamloze straat.
Een man in een zwart shirt loopt [slachtoffer] vanuit de naamloze straat tegemoet. Deze man is geïdentificeerd als [betrokkene 1].
[slachtoffer] en [betrokkene 1] blijven vlak voor de T-kruising staan en praten met elkaar, gelet op hun lichaamstaal zijn zij met elkaar in discussie. Vanuit dezelfde richting als [slachtoffer] is gekomen, komt een man met een wit shirt en witte pet aanlopen. Deze man is geïdentificeerd als [betrokkene 2]. [betrokkene 2] gaat bij [slachtoffer] en [betrokkene 1] staan.
De verdachte komt vanaf de auto aanlopen. Te zien is dat hij in zijn rechterhand een op een vuurwapen gelijkend voorwerp vast heeft. De verdachte gaat bij [slachtoffer] en de twee andere mannen staan terwijl hij zijn rechterarm met in zijn rechterhand het op een vuurwapen gelijkende voorwerp gestrekt langs zijn lichaam houdt. Hij staat ongeveer een halve minuut zonder opvallende bewegingen te maken naast [slachtoffer] en lijkt zich niet in de discussie te mengen.
Te zien is dat [betrokkene 2] wilde bewegingen maakt met zijn armen en heen en weer loopt; hij lijkt zich ergens over op te winden. [betrokkene 2] richt zich zowel tot de verdachte als tot [slachtoffer] en loopt op een gegeven richting een andere man die vanuit de naamloze straat is komen aanlopen. Daarna gaat [betrokkene 2] weer bij [slachtoffer], de verdachte en [betrokkene 1] staan. [slachtoffer] maakt nu bewegingen met zijn handen en lijkt zich ook op te winden, [slachtoffer] richt zich met name tot [betrokkene 1]. Op het moment dat [slachtoffer] zich met zijn lichaam verder draait in de richting van [betrokkene 1], strekt de verdachte zijn rechterarm en schiet staande achter [slachtoffer] in de richting van [slachtoffer]. [slachtoffer] valt op de grond. Te zien is dat de verdachte nog enkele schoten richt in de richting van [slachtoffer] terwijl [slachtoffer] op de grond ligt.””
7. Het Hof heeft verder de navolgende vijf bewijsmiddelen toegevoegd aan de in eerste aanleg gebruikte bewijsmiddelen:

I.De
verklaring van de verdachteter terechtzitting in hoger beroep van 12 januari 2023.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Mijn bijnaam is [verdachte].
Ik heb op 19 maart 2021 in de [wijk] te Curaçao een jongen, genaamd [slachtoffer] doodgeschoten. Het is juist dat op de camerabeelden waarop dit is vastgelegd en die ter terechtzitting in eerste aanleg zijn getoond, te zien is dat ik eerst een tijdje achter de auto van het latere slachtoffer heb gestaan en het groepje heb geobserveerd. Vervolgens is te zien dat ik een vuurwapen in mijn rechterhand heb op het moment dat ik naar dat groepje, namelijk [slachtoffer], [betrokkene 2] en [betrokkene 1] loop. Ik had dat vuurwapen in mijn rechterhand en ik hield, toen ik naar hen toeliep, mijn rechterarm gestrekt naast mijn lichaam. Vervolgens is te zien dat ik van zeer nabij kogels op hem heb afgevuurd, eerst op zijn hoofd toen hij naast mij stond, en vervolgens toen hij op straat lag.
II.Een proces-verbaal van 20 september 2021, opgemaakt door mr. M.R.J. van Wel, rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 september 2021 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van
[betrokkene 2]:
Op 19 maart 2021 kwam [verdachte] (bijnaam: [verdachte]) in de avond naar mij toe en had een discussie met mij. Ik was toen met mijn oma en tante. [verdachte] had het over zijn brother en zijn kind. De man die overleden is, is een vriend van mij. Hij (het Hof begrijpt: de verdachte) kwam om tegen mij te zeggen dat mijn brother, mijn vriend, gemeen was tegen zijn kind. Hij bleef discussiëren. Toen kwam mijn oma naar voren. Hij haalde toen zijn wapen tevoorschijn. Toen ging mijn oma voor mij staan en zei: ‘schiet mij, schiet mij’. Toen bleef hij almaar zeggen ‘Kijk dat ik jouw brother hier niet in de buurt zie’. Hij bleef maar discussiëren. Op een gegeven moment liep hij weg.
III.Een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 3] met nummer 202103212000.G van 21 maart 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpagina’s 98-102)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 21 maart 2021 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van
[betrokkene 3]:
De man bijgenaamd [verdachte] was de schutter die in de avonduren van 19 maart 2021 [slachtoffer] in de [wijk] heeft doodgeschoten.
Op de dag van de schietpartij (het Hof begrijpt: 19 maart 2021) kwam [verdachte] omstreeks 20.00 uur in de buurt van mijn woning waar mijn kleinzoon [betrokkene 2] zat. Daar aangekomen haalde [verdachte] een vuurwapen tevoorschijn en zei dat hij [betrokkene 2] dood zou schieten. Dit omdat [betrokkene 2] een familielid ([betrokkene 4] of [betrokkene 4]) van [verdachte] had geslagen. Tijdens het uiten van zijn bedreigingen liet [verdachte] weten dat niemand een familielid van hem moest aanraken. Toen ik zag dat [verdachte] een vuurwapen tevoorschijn haalde en [betrokkene 2] hiermee dreigde te schieten, ging ik tussen hen tweeën staan. Ik zei tegen [verdachte] dat hij mij eerst neer moest schieten om bij [betrokkene 2] te kunnen komen. Hierna liep [verdachte] weg.
IV.Een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 4] met nummer 202103311015.G van 31 maart 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina’s 150-155).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 31 maart 2021 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van
[betrokkene 4]:
Ik word door al mijn vrienden [betrokkene 4] genoemd. [verdachte] was de schutter tijdens de schietpartij van 19 maart 2021 waarbij de man genaamd [slachtoffer] in de [wijk] werd doodgeschoten. [verdachte] en ik zijn hele goede vrienden van elkaar.
Ik weet dat [verdachte] meerder malen tegen [betrokkene 2] had gezegd om niet met [slachtoffer] naar de wijk ([wijk]) toe te komen. Dit omdat [slachtoffer] (vriend van [betrokkene 2]) altijd naar de wijk toe kwam en mij met een boos gezicht bleef aankijken.
V.Een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] met nummer 202103300930.G van 30 maart 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (dossierpagina’s 134-138).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 30 maart 2021 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van
[betrokkene 1]:
[verdachte] was de schutter die in de avonduren van 19 maart 2021 [slachtoffer] in de [wijk] doodschoot. Ik stond met [slachtoffer] (het latere slachtoffer) te praten. [verdachte] stond op dat moment achter of naast het slachtoffer. Op een gegeven moment hoorde ik schoten en zag ik dat het slachtoffer op de grond lag. [verdachte] stond naast hem. Ik zag dat [verdachte] een vuistvuurwapen in zijn hand had. Ik zag dat [verdachte] gericht een schot op [slachtoffer] die op de grond lag, loste.
Voor de schietpartij (het Hof begrijpt: eerder op de dag van 19 maart 2021) was er een discussie tussen de man genaamd [betrokkene 2] en [verdachte]. Deze discussie ging over het slachtoffer, namelijk het gedrag van het slachtoffer tegenover de buren van de wijk.
Die avond kwam het slachtoffer in de wijk. Ik liep naar hem toe om te vragen wat er gaande was. Hij begon met mij te discussiëren, het motief daarvan was dat [betrokkene 2] hem had gezegd dat de buren hem, dus het slachtoffer, een ongewenste gast in de wijk vonden. Zij wilden hem niet in de wijk hebben. Gaande de discussie kwamen [betrokkene 2] en [verdachte] erbij.”
8. Vervolgens heeft het Hof als volgt onderbouwd waarom het tot een bewezenverklaring van voorbedachte raad is gekomen:
“Het Hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast:
- in het kader van een al langer bestaand conflict stond de verdachte daarin tegenover [betrokkene 2] en het latere slachtoffer [slachtoffer], deze laatstgenoemde bij leven een goede vriend van [betrokkene 2];
- op 19 maart 2021 omstreeks 20.00 uur heeft de verdachte op straat in de [wijk] een ontmoeting gehad met o.a. [betrokkene 2] en diens oma, [betrokkene 3];
- tegen de achtergrond van dat conflict is de verdachte toen in discussie geraakt met [betrokkene 2], onder meer over eerder vertoond gedrag van [slachtoffer];
- bij die gelegenheid heeft de verdachte bij herhaling tegen [betrokkene 2] gezegd “kijk dat ik jouw brother (Hof: [slachtoffer]) hier niet in de buurt zie”, heeft hij een vuurwapen tevoorschijn gehaald en heeft hij gedreigd, op dat moment om daarmee op [betrokkene 2] te schieten. Door een interventie van [betrokkene 3] is de verdachte weggelopen;
- diezelfde dag omstreeks 21.48 uur heeft [slachtoffer], nadat hij is komen aanrijden, zijn auto midden op straat in de [wijk] (voor de oprit van [a-straat 1]) tot stilstand gebracht, en is vervolgens uitgestapt;
- kort daarna vormt zich op straat nabij die auto een groepje, dat bestaat uit [slachtoffer], [betrokkene 2] en [betrokkene 1], op grond van lichaamstaal en de verklaring van [betrokkene 1] kennelijk met elkaar in discussie;
- de verdachte staat op dat moment achter die auto van [slachtoffer] en observeert dat groepje;
- vervolgens loopt de verdachte vanachter die auto weg en voegt zich bij dat groepje;
- op dat moment heeft de verdachte een vuurwapen in zijn rechterhand, terwijl hij de rechterarm gestrekt naast het lichaam houdt;
- terwijl de anderen kennelijk voortgaan met hun discussie en ongeveer een halve minuut is verstreken schiet de verdachte, op dat moment staand achter [slachtoffer], van zeer nabij op zijn hoofd, waarop [slachtoffer] valt.
Vervolgens vuurt de verdachte, staand naast de liggende [slachtoffer] nog een aantal kogels op hem af.
Met betrekking tot het bewijs van de strafverzwarende omstandigheid van de voorbedachte raad overweegt het Hof als volgt.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen inzicht kunnen of willen geven in het hoe en waarom van zijn doodschieten van [slachtoffer]. Weliswaar heeft hij enerzijds gewezen op een feitelijke dreiging die van [slachtoffer], jegens hem, staand bij dat groepje zou zijn uitgegaan, maar anderzijds heeft hij gesteld dat hij zich van de gang van zaken weinig tot niets kan herinneren. Voor het aannemen van het door de verdachte gesuggereerde geval, waarin hij zich toen en daar geconfronteerd wist met het feitelijk tonen van of dreigen met een vuurwapen door [slachtoffer] jegens hem bestaat geen grond. Daarom heeft het Hof in overwegende mate acht te slaan op de uiterlijke verschijningsvorm van verdachtes gedragingen, en voorts wat door getuigen is verklaard, ook over wat aan de schietpartij vooraf is gegaan, voor zover dat in een betekenisvol verband kan worden gebracht met de aan de verdachte verweten gedraging.
Op grond van de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden oordeelt het Hof dat het doden van [slachtoffer] het beoogde gevolg is van een tevoren door de verdachte genomen besluit. Immers, door de getuigen [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 1] is verklaard dat de verdachte zijn redenen had om onverholen en dreigend (verbaal en met een vuurwapen) duidelijk te maken dat [slachtoffer] zich niet (in de [wijk]) moest vertonen. Toen na verloop van ongeveer een uur en drie kwartier aan de verdachte bleek dat [slachtoffer] zich toch in die wijk begaf heeft de verdachte ervoor gekozen, nadat hij eerst een groepje onder wie [slachtoffer] en [betrokkene 2] op afstand heeft geobserveerd, zich – met een vuurwapen in de hand – bij dat groepje te voegen. Na ommekomst van ongeveer een halve minuut ziet de verdachte kennelijk zijn kans schoon en schiet hij [slachtoffer], terwijl hij achter hem staat, van zeer nabij neer. Direct daarop aansluitend vuurt de verdachte, staand naast de reeds neergeschoten [slachtoffer], nog meer kogels op diens lichaam af, alsof een doodvonnis wordt voltrokken.
Alles bijeen genomen stelt het Hof vast, dat uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat het schieten door de verdachte het gevolg is van een reeds eerder door de verdachte genomen besluit, waarbij voor de verdachte de gelegenheid heeft bestaan om na te denken over zijn voorgenomen daad, om zich daarvan rekenschap te geven en welbewust de consequenties daarvan te aanvaarden: (de mogelijkheid tot) kalm beraad en overleg heeft voor hem bestaan.
Dat door de verdachte niet met voorbedachte raad zou zijn gehandeld, maar wel als gevolg van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging volgt niet uit wat door het Hof is vastgesteld. Contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad bij de verdachte zijn door hem niet ondubbelzinnig aangedragen, terwijl die zich evenmin op grond van de stukken in het dossier of het verhandelde ter terechtzitting aan het Hof hebben opgedrongen. Dat de verdachte nog enige tijd de discussie heeft aangehoord, voordat hij de trekker heeft overgehaald ziet het Hof niet als een contra-indicatie voor voorbedachte raad. Het enkele feit dat de verdachte niet direct heeft geschoten toen hij zich bij het groepje voegde, kan niet afdoen aan de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden die duiden op het verwezenlijken van een reeds eerder door de verdachte genomen besluit.
Het voorgaande voert het Hof tot de conclusie dat ook de aan de verdachte verweten strafverzwarende omstandigheid van voorbedachte raad voor bewezenverklaring in aanmerking komt.”
9. De schriftuur bevat vier klachten over de bewezenverklaring van voorbedachte raad. Ik bespreek ze na elkaar.
10. Ten eerste wordt geklaagd dat het Hof de voor het bewijs gebruikte eigen waarneming van het Gerecht heeft gedenatureerd. Volgens de steller van het middel is essentieel in deze waarneming dat slechts een halve minuut verloopt tussen het moment waarop in de hand van de verdachte een wapen te zien is en het eerste schot dat daarmee wordt gelost. Zowel het Gerecht als het Hof zagen zich voor de vraag gesteld of de verdachte al vóórdat hij met het wapen te zien is, het opzet had het slachtoffer te doden. Het Gerecht heeft op basis van de beelden geoordeeld dat niets te zien was dat daarop duidt, terwijl het Hof op basis van dezelfde waarneming het tegenovergestelde zou hebben geoordeeld. De steller van het middel benadrukt dat het Hof de beelden kennelijk zelf niet ter terechtzitting heeft gezien.
11. Het Gerecht heeft in zijn vonnis onder meer opgenomen:
“Nadat de verdachte deze discussie van een afstandje enkele seconden heeft gadegeslagen loopt hij – terwijl hij zijn rechterarm gestrekt naar beneden houdt en een vuurwapen vasthoudt in zijn rechterhand - op de drie mannen af. De verdachte blijft vervolgens ongeveer een halve minuut – ogenschijnlijk rustig - op korte afstand van het groepje van drie mannen staan, terwijl het slachtoffer blijft discussiëren met [betrokkene 1]. De verdachte richt op een gegeven moment zijn revolver op het slachtoffer en schiet het slachtoffer van korte afstand neer, als gevolg waarvan het slachtoffer op de grond valt. Terwijl het slachtoffer op de grond ligt, vuurt de verdachte nog een aantal kogels op hem af.
Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat de verdachte al vóór het toelopen op het slachtoffer het voornemen had om het slachtoffer te doden. Anders dan de officier van justitie kent het Gerecht in dit verband geen waarde toe aan de verklaring van getuige [betrokkene 2] inhoudende dat de verdachte ongeveer een uur voor het schietentegen hem heeft gezegd:
“Kijk dat ik jouw brother (lees: het slachtoffer) hier niet in de buurt zie”. Nog daargelaten dat – gelet op de vriendschap tussen [betrokkene 2] en het slachtoffer – behoedzaam met de verklaring van [betrokkene 2] dient te worden omgegaan, is deze opmerking naar het oordeel van het Gerecht te weinig concreet en specifiek om hieruit een voornemen van de verdachte te kunnen afleiden om het slachtoffer te doden.”
12. Het Hof mag een in eerste aanleg gebruikte eigen waarneming van de rechter in hoger beroep opnieuw voor het bewijs gebruiken, zonder zelf de waarneming te hebben gedaan. [1] Het Hof hoeft aan die waarneming van feiten of omstandigheden echter niet dezelfde juridische gevolgtrekking te verbinden. In de nu voorliggende zaak heeft het Hof in hoger beroep vijf extra bewijsmiddelen opgenomen, op grond waarvan het van oordeel is geweest dat aan de door het Gerecht waargenomen feitelijke gang van zaken een ander juridisch oordeel moet worden verbonden. Het oordeel van het Gerecht is immers gebaseerd op de camerabeelden – het Gerecht heeft daarvoor niet de verklaring van de getuige [betrokkene 2] willen gebruiken – terwijl het Hof heeft geoordeeld dat al daarvóór feiten hebben plaatsgevonden waaruit het voornemen van de verdachte kan worden afgeleid. Dat staat het Hof vrij en is, gelet op de door het Hof toegevoegde verklaringen van de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3], toereikend gemotiveerd. De eerste klacht is daarmee ongegrond.
13. Ten tweede wordt geklaagd over het toevoegen door het Hof van het bewijsmiddel met de in eerste aanleg door de verdachte gegeven beschrijving van wat te zien is op de camerabeelden. Volgens de steller van het middel had het gebruik van dit bewijsmiddel moeten worden toegelicht, nu het Hof ook de eigen waarneming van het Gerecht heeft gebruikt. Als de verdachte iets anders heeft gezien dan het Gerecht, zouden de bewijsmiddelen tegenstrijdig zijn. Als de verdachte niets anders heeft gezien dan het Gerecht, zou het bewijsmiddel overbodig zijn en had het Hof moeten toelichten waarom het dit bewijsmiddel heeft gebruikt, aldus de steller van het middel.
14. De klacht mist feitelijke grondslag, nu het Hof de bewijsmiddelen niet heeft aangevuld met een verklaring van de verdachte in eerste aanleg. Ook als de verklaring van de verdachte in hoger beroep wordt bedoeld, is de klacht voor het middel niet van belang. In de verklaring van de verdachte staat immers niets waaruit het Hof de bewezenverklaring van voorbedachte raad heeft afgeleid. De verdachte verklaart in het bewijsmiddel alleen dat op de beelden te zien is dat hij een tijdje achter de auto van het slachtoffer heeft gestaan en het groepje heeft geobserveerd, dat hij vervolgens een vuurwapen in zijn rechterhand had toen naar dat groepje liep, dat hij dat vuurwapen in zijn rechterhand had en dat hij, toen hij naar hen toe liep, zijn rechterarm gestrekt naast zijn lichaam hield en kogels op het slachtoffer heeft afgevuurd. Die verklaring is ook niet in strijd met de voor het bewijs gebruikte eigen waarneming van het Gerecht. Ik zie dus niet in waarom het Hof het gebruik ervan nader zou moeten motiveren.
15. Ten derde wordt geklaagd over tegenstrijdigheid tussen twee door het Hof aangevulde bewijsmiddelen, inhoudende de verklaring van de getuige [betrokkene 2] dat de verdachte hem kort voordat het slachtoffer werd gedood een pistool voorhield en zei: “Kijk dat ik jouw brother hier niet in de buurt zie” (hiervoor onder 7, bewijsmiddel II) en de verklaring van diens oma over dezelfde gebeurtenis waarin zij verklaart dat de verdachte zou hebben gezegd dat hij het slachtoffer zou doodschieten omdat hij een familielid had geslagen (hiervoor onder 7, bewijsmiddel III).
16. Ik zie niet in waarom beide verklaringen tegenstrijdig met elkaar zouden zijn. De daarin opgenomen uitlatingen die aan de verdachte worden toegeschreven, kunnen naast elkaar door de verdachte zijn gedaan. Daarom faalt de klacht.
17. Tot slot lijkt nog te worden geklaagd dat niet valt in te zien hoe het Hof de voorbedachte raad heeft kunnen afleiden uit het trekken van een wapen, het binnen een halve minuut afvuren van dit wapen, en de korte tijd eerder tegenover derden geuite bedreiging “Kijk dat ik jouw brother hier niet in de buurt zie”.
18. Gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven, mist deze klacht feitelijke grondslag. Het oordeel van het Hof is immers gebaseerd op meer dan deze vaststellingen.

Slotsom

19. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
20. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6056, r.o. 2.3.