Conclusie
Nummer23/02779
Inleiding
Het eerste middel
4.3. Standpunt van de verdediging
ten aanzien van de locatie: het misbruik vond voornamelijk plaats in het bed in de slaapkamer van haar ouders op de [a-straat 1] te [plaats], maar soms ook beneden in de woonkamer, op de tafel of in haar eigen bed; ook is het een keer in de badkamer gebeurd;
ten aanzien van het tijdstip:het misbruik vond, toen [slachtoffer] nog op de basisschool zat, ‘tussen de middag’ plaats en ook wel 's middags na school. Toen zij op de middelbare school zat, vond het alleen nog na school plaats, als haar moeder niet thuis was;
ten aanzien van de periode en frequentie:[slachtoffer] weet niet meer wanneer het seksueel misbruik is begonnen, maar weet wel dat het is gestopt toen zij in de eerste klas van de middelbare school zat. [slachtoffer] weet niet meer precies hoe vaak het voorkwam, maar het gebeurde ongeveer één keer per week. Bij de politie heeft [slachtoffer] verklaard dat zij vanwege het overblijven weet dat het misbruik in ieder geval in groep 8 van de basisschool al gebeurde. Zo plaatst ze het ook in de tijd ten overstaan van de rechter-commissaris;
ten aanzien van de omstandigheden waaronder de seksuele handelingen plaatsvonden: [slachtoffer] werd vaak door de verdachte gevraagd om bij hem te komen, waarna zij op het bed van haar ouders ging liggen en dan de telefoon kreeg van de verdachte. In de slaapkamer lag [slachtoffer] vaak op haar zij, waarbij de verdachte aan het uiteinde van het bed lag of naast of achter haar lag. [slachtoffer] moest dan haar kleren uitdoen. Er werd een deken over haar gelegd. Haar broertje [betrokkene 2] was dan beneden of niet thuis;
ten aanzien van de seksuele handelingen:
eerste deelklachtricht zich tegen het oordeel van het hof dat “de seksuele handelingen waarover [slachtoffer] bij herhaling heeft verklaard zodanig specifiek van aard [zijn], dat niet kan worden aangenomen dat een kind van de leeftijd die [slachtoffer] had in de periode dat het misbruik zou hebben plaatsgevonden, daarvan op andere wijze op de hoogte kan zijn geweest”. Dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn, omdat de verklaringen van [slachtoffer] pas zijn afgelegd toen zij vijftien jaar was (en dus niet in de periode dat het vermeende misbruik plaatsvond).
tweede deelklachtricht zich tegen het oordeel van het hof dat in het kader van het vereiste steunbewijs aan de verklaring van [betrokkene 2] ook “enige betekenis” toekomt. Volgens de steller van het middel is “het toekennen van ‘enige betekenis’ (…) onvoldoende om aan te kunnen worden gemerkt als steunbewijs in de zin van art. 342 Sv Pro”. Bovendien zou het hof met dat oordeel het verweer dat de in de verklaring van [betrokkene 2] genoemde feiten en omstandigheden als zodanig geen steunbewijs kunnen opleveren, niet hebben weerlegd.
derde deelklachthoudt in dat “het hof ten onrechte niet [heeft] gerespondeerd op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ten aanzien van de ontlastende verklaringen van de moeder en broer van verdachte waaruit volgt dat verdachte ook niet in staat is geweest zich aan het tenlastegelegde schuldig te hebben gemaakt in de periode en tijdstippen die door [slachtoffer] zijn genoemd.”
kunnenworden uitgelegd” [1] (cursivering toegevoegd; MvW) en betreft bovendien een (ondergeschikt) [2] onderdeel van het door de verdediging gevoerde verweer dat in de onderhavige zaak onvoldoende steunbewijs voorhanden is. [3] Het hof, dat dit verweer op de onder 2.3 weergegeven wijze toereikend gemotiveerd heeft verworpen, is daarbij niet verplicht op elk detail van de argumentatie in te gaan. [4]
Het tweede middel
9.2. Standpunt van de advocaat-generaal