ECLI:NL:PHR:2024:921

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
6 september 2024
Zaaknummer
23/02779
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 247 SrArt. 342 SvArt. 359 lid 2 SvArt. 6:2:10 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak ontucht met minderjarige stiefdochter

De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar het gerechtshof Amsterdam veroordeelde hem bij arrest van 12 juli 2023 tot 30 maanden gevangenisstraf wegens meermalig ontucht plegen met zijn minderjarige stiefdochter, die hij als behorend tot zijn gezin verzorgde en opvoedde.

Het cassatieberoep richtte zich op twee middelen: de vermeende onbetrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer en de motivering van de strafoplegging. Het hof had de verklaringen van het slachtoffer als betrouwbaar en specifiek beoordeeld en voldoende steunbewijs in andere verklaringen en omstandigheden gevonden. De Hoge Raad oordeelt dat het hof dit gemotiveerd en begrijpelijk heeft gedaan.

Ook de motivering van de strafoplegging door het hof, ondanks vrijspraak van twee tenlastegelegde feiten, wordt door de Hoge Raad als toereikend en niet onbegrijpelijk beoordeeld. De opgelegde straf van 30 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest blijft gehandhaafd.

De Hoge Raad vindt geen gronden voor vernietiging en wijst het beroep af, waarmee het arrest van het hof Amsterdam definitief wordt bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de gevangenisstraf van 30 maanden blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/02779

Zitting17 september 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De verdachte is – nadat hij in eerste aanleg door de rechtbank integraal was vrijgesproken van het hem tenlastegelegde – bij arrest van 12 juli 2023 door het gerechtshof Amsterdam wegens 3. "met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft voorts de vordering benadeelde partij toegewezen zoals in het arrest vermeld en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

2.1
Het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de verklaringen van de aangeefster onbetrouwbaar zijn en dat die verklaringen voldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 3 augustus 2014 tot en met 30 november 2017 te [plaats], met een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2005) die toen de leeftijd van 16 jaren niet had bereikt, buiten echt, meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd, telkens bestaande uit het
- bewegen van zijn penis tegen de vagina van die [slachtoffer] en/of
- maken van heen en weer gaande bewegingen met zijn, verdachtes, penis tussen de (gesloten) benen en voeten van die [slachtoffer] en/of
- bewegen van zijn, verdachtes, penis tussen de vagina en de billen van die [slachtoffer] en/of
- zich laten aftrekken door die [slachtoffer], met haar voeten en/of
- ejaculeren op de billen en in het gezicht en op de voeten van die [slachtoffer] en/of
- aanraken van de vagina van die [slachtoffer] en/of
- geven van kusjes op de tepels en de bovenbenen en de nek van die [slachtoffer].
2.3
Het hof heeft de in het middel genoemde verweren als volgt samengevat en verworpen:

4.3. Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de belastende verklaringen, die enkel en alleen van [slachtoffer] en dus van één bron afkomstig zijn, onvoldoende specifiek en van onvoldoende kwaliteit zijn. Deze verklaringen worden verder onvoldoende ondersteund op de onderdelen die ondersteuning behoeven. Dientengevolge bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdediging heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
4.4.
Oordeel van het hof
Het hof ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs zijn. Indien daarop een bevestigend antwoord wordt gegeven, komt als vervolgvraag aan de orde of de verklaringen van [slachtoffer] voldoende worden ondersteund door de inhoud van andere bewijsmiddelen.
4.4.1.
Betrouwbaarheid en bruikbaarheid van [slachtoffer]’s verklaringen
Met betrekking tot de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van [slachtoffer]’s verklaringen overweegt het hof als volgt. Zoals in de inleiding is weergegeven, heeft [slachtoffer] op drie relevante momenten gedurende het onderzoek gezegd dat zij door de verdachte seksueel is misbruikt. Allereerst heeft zij op 14 augustus 2020 een zogeheten “informatief gesprek zeden” gevoerd met de politie. Nadat haar moeder op 27 augustus 2020 namens [slachtoffer] aangifte had gedaan, is zij op 17 september 2020 uitgebreid gehoord door de politie. Op verzoek van de verdediging is zij op 8 november 2021 nogmaals gehoord, onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris. Het hof overweegt dat [slachtoffer] in deze drie verhoren telkens consistent en voldoende specifiek heeft verklaard over de aard, intensiteit, frequentie en duur van de seksuele handelingen die de verdachte met haar zou hebben uitgevoerd en over de plaatsen waar die hebben plaatsgevonden. Dat zij enigszins algemeen is gebleven met betrekking tot de periode waarin de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, doet daaraan niets af. In haar verhoren heeft [slachtoffer] namelijk telkens op significante punten op min of meer gelijkluidende wijze het volgende verklaard over de tenlastegelegde seksuele handelingen en andere omstandigheden waaraan in de beoordeling betekenis toekomt:
-
ten aanzien van de locatie: het misbruik vond voornamelijk plaats in het bed in de slaapkamer van haar ouders op de [a-straat 1] te [plaats], maar soms ook beneden in de woonkamer, op de tafel of in haar eigen bed; ook is het een keer in de badkamer gebeurd;
-
ten aanzien van het tijdstip:het misbruik vond, toen [slachtoffer] nog op de basisschool zat, ‘tussen de middag’ plaats en ook wel 's middags na school. Toen zij op de middelbare school zat, vond het alleen nog na school plaats, als haar moeder niet thuis was;
-
ten aanzien van de periode en frequentie:[slachtoffer] weet niet meer wanneer het seksueel misbruik is begonnen, maar weet wel dat het is gestopt toen zij in de eerste klas van de middelbare school zat. [slachtoffer] weet niet meer precies hoe vaak het voorkwam, maar het gebeurde ongeveer één keer per week. Bij de politie heeft [slachtoffer] verklaard dat zij vanwege het overblijven weet dat het misbruik in ieder geval in groep 8 van de basisschool al gebeurde. Zo plaatst ze het ook in de tijd ten overstaan van de rechter-commissaris;
-
ten aanzien van de omstandigheden waaronder de seksuele handelingen plaatsvonden: [slachtoffer] werd vaak door de verdachte gevraagd om bij hem te komen, waarna zij op het bed van haar ouders ging liggen en dan de telefoon kreeg van de verdachte. In de slaapkamer lag [slachtoffer] vaak op haar zij, waarbij de verdachte aan het uiteinde van het bed lag of naast of achter haar lag. [slachtoffer] moest dan haar kleren uitdoen. Er werd een deken over haar gelegd. Haar broertje [betrokkene 2] was dan beneden of niet thuis;
-
ten aanzien van de seksuele handelingen:
o de verdachte wreef met zijn piemel over de billen van [slachtoffer];
o de verdachte probeerde zijn piemel in de billen van [slachtoffer] te stoppen, maar de piemel ging er, denkt ze, maar een heel klein stukje in;
o de verdachte wreef met zijn piemel over de voeten en benen van [slachtoffer];
o [slachtoffer] kon voelen dat de piemel van de verdachte hard en nattig was;
o [slachtoffer] moest haar voeten tegen elkaar houden en dan wreef de verdachte daar met zijn piemel tussen, hetzelfde gebeurde met haar onderbenen;
o [slachtoffer] moest daarbij ook wel een panty aandoen die uit het nachtkastje van haar moeder kwam, waarna de verdachte met zijn piemel tussen haar voeten of billen wreef terwijl zij de panty droeg;
o na het wrijven kwam de verdachte klaar en spoot hij zijn sperma op de voeten of billen en soms ook op het gezicht van [slachtoffer], waarbij zij haar ogen moest dichthouden. [slachtoffer] wist toen nog niet dat het sperma heette, maar ze voelde warm nat spul, als een soort druppels. De sperma werd dan schoongemaakt met billendoekjes uit het nachtkastje;
o de verdachte wreef met zijn piemel over, of likte aan het plekje boven de vagina van [slachtoffer], wat de verdachte best vaak heeft gedaan en wat voor [slachtoffer] wel prettig voelde (naar het hof begrijpt wordt met ‘het plekje’ bedoeld: de clitoris van [slachtoffer]);
o de verdachte deed chocopasta of pindakaas op zijn vingers en liet [slachtoffer] daarop sabbelen, waarna hij iets groters, zijn piemel, in haar mond stopte;
o de verdachte gaf kusjes over het lichaam van [slachtoffer], hij kuste haar nek, tepels en de bovenkant van haar benen;
o de verdachte heeft nooit getracht zijn piemel in de vagina van [slachtoffer] te brengen.
De seksuele handelingen waarover [slachtoffer] bij herhaling heeft verklaard zijn zodanig specifiek van aard, dat niet kan worden aangenomen dat een kind van de leeftijd die [slachtoffer] had in de periode dat het misbruik zou hebben plaatsgevonden, daarvan op andere wijze op de hoogte kan zijn geweest. Uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is ook niet gebleken dat [slachtoffer], voordat zij haar verklaringen aflegde (ongeveer drie jaren nadat het misbruik zou zijn geëindigd), andere ervaringen heeft gehad waardoor zij met deze mate van detaillering, over seksuele gedragingen en handelingen zou kunnen verklaren. Geen van de gehoorde personen, [slachtoffer] onder hen begrepen, heeft verklaard dat [slachtoffer] al andere seksuele ervaringen had ten tijde van het opsporingsonderzoek.
Het hof neemt in het bijzonder in aanmerking dat [slachtoffer] heeft verklaard dat de spermaspetters warm aanvoelden, dat zij haar clitoris niet als zodanig wist te benoemen maar tijdens het politieverhoor wel op de juiste manier kon aanwijzen en dat zij aangaf dat zij bepaalde handelingen van de verdachte, daarbij doelend op aanraking van haar clitoris, wel prettig vond voelen. Ook heeft zij expliciet en consistent gesproken over pogingen van de verdachte die niet zijn gelukt (in het bijzonder het brengen van de penis in de anus) en welke handelingen nooit zijn geprobeerd, in het bijzonder vaginale penetratie. Voorts overweegt het hof dat [slachtoffer] blijkens de door betrokkenen afgelegde verklaringen veelal terughoudend is geweest om het seksueel misbruik aan andere personen en de politie te vertellen en dat zij ondanks aansporingen terughoudend is gebleven om erover te spreken bij haar vriend [betrokkene 3] de Jong, haar oma en zelfs haar eigen moeder. Zo gaf [slachtoffer] er onder meer blijk van zich te realiseren dat haar onthullingen een ontwrichtende uitwerking op het gezinsleven zouden gaan hebben. Het een en ander wijst bepaald niet in de richting van een door rancune, een schreeuw om aandacht of door enig ander motief ingegeven behoefte bij [slachtoffer] om een onwaarachtige en voor haar stiefvader uitermate belastende verklaring af te leggen.
4.4.2.
Aanwezigheid van steunbewijs
Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] over het seksueel misbruik voldoende steun vinden in overige bewijsmiddelen, zodat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv wordt voldaan, en overweegt daartoe als volgt.
De verdachte en [betrokkene 1] hebben ieder verklaard dat de verdachte graag wilde dat [betrokkene 1] panty’s aandeed en dat hij tussen of met de in de panty’s gestoken voeten van haar tot een hoogtepunt kwam. Deze panty’s lagen in het nachtkastje van [betrokkene 1] of in de kledingkast. [slachtoffer] heeft telkens, te weten vanaf het eerste contact met de politie tijdens het informatieve gesprek, gezegd dat de verdachte soortgelijke seksuele handelingen met haar verrichtte. Deze overeenkomst is zodanig specifiek en in het oog springend dat deze naar het oordeel van het hof sterk steunbewijs oplevert. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat niet is gebleken van een alternatieve manier waarop [slachtoffer] van het gebruik van een alledaags voorwerp als een panty in een seksuele context op de hoogte kan zijn geraakt. Zo zijn de uiteenlopende verklaringen van de verdachte dat [slachtoffer] hem en zijn vrouw enkele malen heeft betrapt terwijl ze seks hadden, wisselend en vaag, met name waar het gaat om de seksuele handelingen die [slachtoffer] zou hebben waargenomen en wat [slachtoffer] op die momenten heeft kunnen zien. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte op vragen van het hof verklaard dat hij er geen duidelijke herinnering aan heeft dat [slachtoffer] op enig moment heeft gezien dat hij met zijn vrouw seks had, met gebruikmaking van panty’s. Ook worden de verklaringen van de verdachte over het betrappen niet ondersteund door de verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 1], die elk afzonderlijk hebben verklaard dat [slachtoffer] hen nooit heeft betrapt. Aan de suggestie die de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep heeft gedaan, inhoudende dat [slachtoffer] wellicht de ooit met een camera gefilmde seksuele handelingen heeft gezien, gaat het hof voorbij, nu dit louter een speculatie van de raadsvrouw betreft, waarvoor overigens geen enkele steun in de verklaringen van de verdachte of in het dossier te vinden is. Het hof heeft aldus geen aanknopingspunten om aan te nemen dat [slachtoffer] haar verklaringen over de seksuele handelingen met gebruik van panty’s zou hebben gebaseerd op waarnemingen van seksuele gedragingen van haar moeder en de verdachte. Dit leidt tot de slotsom dat [slachtoffer] uitsluitend op basis van haar eigen ervaringen met de verdachte daarover heeft kunnen verklaren en heeft verklaard. Het betoog van de raadsvrouw leidt er daarom niet toe dat de bewijskracht van dit steunbewijs op enigerlei wijze moet worden gerelativeerd.
Voorts ziet het hof in de verklaring van [betrokkene 2], het jongere broertje van [slachtoffer], steunbewijs voor de verklaringen van [slachtoffer]. [betrokkene 2] heeft verklaard dat [slachtoffer] enkele malen door je verdachte werd gevraagd om mee te gaan naar boven, terwijl hij in dat geval beneden moest blijven bij de honden. Ook heeft [betrokkene 2] verklaard dat hij eens heeft gezien dat de verdachte achter [slachtoffer] in bed lag. Deze twee omstandigheden passen bij de verklaringen van [slachtoffer] over de gang van zaken tijdens het misbruik. Ter terechtzitting heeft de verdediging aangevoerd dat dergelijke contextuele feiten en omstandigheden als zodanig geen steunbewijs kunnen opleveren. Dat standpunt is juist, maar dat betekent naar het oordeel van het hof niet dat contextuele aspecten reeds naar hun aard geen onderdeel kunnen zijn van de bewijsvoering als geheel. In aanvulling op het hiervoor besproken significante steunbewijs komt aan deze verklaring van [betrokkene 2] ook enige betekenis toe.
2.4
Het middel valt in drie deelklachten uiteen.
2.5
De
eerste deelklachtricht zich tegen het oordeel van het hof dat “de seksuele handelingen waarover [slachtoffer] bij herhaling heeft verklaard zodanig specifiek van aard [zijn], dat niet kan worden aangenomen dat een kind van de leeftijd die [slachtoffer] had in de periode dat het misbruik zou hebben plaatsgevonden, daarvan op andere wijze op de hoogte kan zijn geweest”. Dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn, omdat de verklaringen van [slachtoffer] pas zijn afgelegd toen zij vijftien jaar was (en dus niet in de periode dat het vermeende misbruik plaatsvond).
2.6
Deze deelklacht faalt, nu het hof dat laatste niet heeft miskend. Zo heeft het hof direct aansluitend op genoemd oordeel overwogen dat “ook niet [is] gebleken dat [slachtoffer], voordat zij haar verklaringen aflegde (ongeveer drie jaren nadat het misbruik zou zijn geëindigd), andere ervaringen heeft gehad waardoor zij met deze mate van detaillering, over seksuele gedragingen en handelingen zou kunnen verklaren”. Daarmee heeft het hof op niet mis te verstane wijze tot uitdrukking gebracht dat [slachtoffer] ook in de periode tussen het misbruik en het afleggen van haar verklaringen geen ervaringen heeft opgedaan die haar, anders dan door de door haar omschreven ervaringen met de verdachte, van die seksuele handelingen op de hoogte zouden kunnen hebben gebracht. Dat [slachtoffer] op het moment van het afleggen van haar verklaringen niet meer dezelfde leeftijd had, doet daarmee niet langer ter zake.
2.7
De
tweede deelklachtricht zich tegen het oordeel van het hof dat in het kader van het vereiste steunbewijs aan de verklaring van [betrokkene 2] ook “enige betekenis” toekomt. Volgens de steller van het middel is “het toekennen van ‘enige betekenis’ (…) onvoldoende om aan te kunnen worden gemerkt als steunbewijs in de zin van art. 342 Sv Pro”. Bovendien zou het hof met dat oordeel het verweer dat de in de verklaring van [betrokkene 2] genoemde feiten en omstandigheden als zodanig geen steunbewijs kunnen opleveren, niet hebben weerlegd.
2.8
Ook deze deelklacht faalt, nu het hof in de verklaring van [betrokkene 2] als zodanig ook niet voldoende steun voor de verklaring(en) van [slachtoffer] heeft gevonden. Het hof heeft immers overwogen dat het aan de verklaringen van [betrokkene 2] enige betekenis toekent “in aanvulling op” de verklaringen van de verdachte en van [betrokkene 1] over het gebruik van panty’s tijdens seksueel contact tussen beiden, terwijl het hof laatstgenoemde verklaringen in diezelfde overweging als “het (…) significante steunbewijs” kwalificeert.
2.9
De
derde deelklachthoudt in dat “het hof ten onrechte niet [heeft] gerespondeerd op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ten aanzien van de ontlastende verklaringen van de moeder en broer van verdachte waaruit volgt dat verdachte ook niet in staat is geweest zich aan het tenlastegelegde schuldig te hebben gemaakt in de periode en tijdstippen die door [slachtoffer] zijn genoemd.”
2.1
Deze deelklacht faalt eveneens. Het door de steller van het middel aangehaalde standpunt hield niet meer in dan “dat de verklaringen van moeder en broer ontlastend
kunnenworden uitgelegd” [1] (cursivering toegevoegd; MvW) en betreft bovendien een (ondergeschikt) [2] onderdeel van het door de verdediging gevoerde verweer dat in de onderhavige zaak onvoldoende steunbewijs voorhanden is. [3] Het hof, dat dit verweer op de onder 2.3 weergegeven wijze toereikend gemotiveerd heeft verworpen, is daarbij niet verplicht op elk detail van de argumentatie in te gaan. [4]
2.11
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Het tweede middel

3.1
Het middel klaagt dat de motivering van de strafoplegging onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof een aan de vordering van het openbaar ministerie gelijke straf heeft opgelegd, terwijl het hof de verdachte van de feiten 1 en 2 heeft vrijgesproken en de strafeis gebaseerd was op een veroordeling van (ook) die feiten.
3.2
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
“1.
hij in of omstreeks de periode van 3 augustus 2014 tot en met 2 augustus 2017, op verschillende tijdstippen, te [plaats], althans in Nederland, met een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2005), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, één of meermalen handelingen heeft gepleegd, die telkens bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte, telkens, meermalen althans eenmaal:
- zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of
- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden en/of
- zijn, verdachtes, vingers in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] gebracht en/of
- zijn, verdachtes, tong in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] gebracht;
2.
hij in of omstreeks de periode van 3 augustus 2017 tot en met 30 november 2017, op verschillende tijdstippen, te [plaats], althans in Nederland, met een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2005), die toen de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, één of meermalen handelingen heeft gepleegd, die telkens bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van, het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte, telkens, meermalen althans eenmaal:
- zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of
- zijn, verdachtes penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden en/of
- zijn, verdachtes, vingers in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] heeft gebracht en/of
- zijn, verdachtes, tong in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] heeft gebracht;
3.
hij in of omstreeks de periode van 3 augustus 2014 tot en met 30 november 2017 te [plaats], althans in Nederland, met een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2005) die toen de leeftijd van 16 jaren niet had bereikt, buiten echt, één of meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd, telkens bestaande uit het één of meermalen
- duwen/bewegen van zijn penis tegen de vagina van die [slachtoffer] en/of
- maken van heen en weer gaande bewegingen met zijn, verdachtes, penis tussen de (gesloten) benen en/of voeten van die [slachtoffer] en/of
- duwen/bewegen van zijn, verdachtes, penis tussen de vagina en/of de billen van die [slachtoffer] en/of
- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] met haar voeten en/of handen en/of
- ejaculeren op de billen en/of in het gezicht en/of op de voeten van die [slachtoffer] en/of
- aanraken van de vagina van die [slachtoffer] en/of
- geven van kusjes op de tepels en/of de (boven)benen en/of de nek, althans op het lichaam van die [slachtoffer].”
3.3
Het hof heeft de verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde vrijgesproken en het onder 3 tenlastegelegde bewezenverklaard op de wijze zoals hierboven onder 2.2 weergegeven.
3.4
Het hof heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

9.2. Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
9.3.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangegeven geen strafmaatverweer te voeren, maar heeft het hof wel verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met de omstandigheid dat de precieze periode van het misbruik niet kan worden vastgesteld.
9.4.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zijn minderjarige stiefdochter [slachtoffer], die door hem werd opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin, seksueel misbruikt. Alhoewel het onduidelijk is wanneer het seksueel misbruik precies begon, heeft het hof wel vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] in ieder geval gedurende meerdere jaren vrijwel wekelijks heeft misbruikt, totdat zij in de eerste klas van de middelbare school zat. De verdachte heeft daarbij geen enkele rekening gehouden met de belangen, gevoelens of het welzijn van [slachtoffer] en zich kennelijk uitsluitend door zijn eigen lustgevoelens laten leiden. Met zijn handelen heeft de verdachte niet alleen een buitengewoon ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer], maar heeft hij ook het vertrouwen dat zij in haar stiefvader had moeten kunnen hebben in zeer ernstige mate geschaad. De verdachte heeft met zijn handelen jegens een aan zijn zorg toevertrouwd jong kind die fase in haar leven, die bij uitstek onbezorgd en veilig zou moeten zijn, veranderd in een donkere periode van angst en eenzaamheid. Illustratief in dit verband is wat [slachtoffer] daar op indringende wijze zelf over heeft gezegd bij het uitoefenen van haar spreekrecht en waarbij ze onder meer benoemde dat zij, als de verdachte in huis naar boven liep, in spanning wachtte op haar kamer totdat zij werd geroepen of ze in angst naar huis liep omdat er een kans was dat de verdachte ‘weer wat van haar wilde’.
Het is algemeen bekend dat een minderjarig slachtoffer van seksueel misbruik daarvan gedurende zeer lange tijd ernstige nadelige psychische gevolgen kan ondervinden, met name als dat wordt gepleegd door iemand in wie zij vertrouwen mocht stellen en die al die jaren bij haar thuis woonde. [slachtoffer] heeft ook haar eerste seksuele ervaringen met de verdachte gehad, waardoor een vrije seksuele ontwikkeling belemmerd wordt. Uit het onderzoek is gebleken dat het handelen van de verdachte een zeer grote impact op haar heeft gehad en dat zij nog steeds de nadelige gevolgen van het misbruik ondervindt. [slachtoffer] heeft therapie voor PTSS moeten volgen. Hoewel die therapie haar heeft geholpen en zij zich wat beter voelt, blijkt uit de woorden van de behandelaar dat dergelijke ervaringen bij elke gebeurtenis weer kunnen herleven, waardoor het in de rede ligt dat [slachtoffer] mogelijk nooit helemaal los zal komen van de negatieve gevolgen van het handelen van de verdachte.
Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelijk aan de door de advocaat-generaal gevorderde duur, recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dat is gepleegd. Dat het hof twee van de door de advocaat-generaal bewezen geachte feiten niet bewezen verklaart, maakt het voorgaande niet anders, nu deze vrijspraken geen afbreuk doen aan de duur, frequentie en intensiteit van het seksueel misbruik waarop de strafeis is gebaseerd.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.”
3.5
Vooropgesteld dient te worden dat de feitenrechter vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Deze afweging is aan de feitenrechter voorbehouden en zijn oordeel daarover behoeft in beginsel geen motivering. [5] Dat laatste is alleen anders als de strafoplegging verbazing wekt en als gevolg daarvan onbegrijpelijk is (of in het zich hier niet voordoende geval dat wordt afgeweken van een door de verdediging of het openbaar ministerie ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ ten aanzien van de strafoplegging (art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv)). [6] Ook in die gevallen stelt de Hoge Raad zich bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de straftoemetingsbeslissing toereikend is echter terughoudend op. [7]
3.6
De opvatting dat de strafoplegging van het hof onder omstandigheden verbazing zou kunnen wekken als de opgelegde straf gelijk is aan de door het openbaar ministerie gevorderde straf, terwijl de bewezenverklaring ziet op (aanzienlijk) minder (zware) feiten, is op zichzelf niet onjuist. [8] In de onderhavige zaak heeft het hof die beslissing echter nader gemotiveerd. Zo heeft het overwogen dat “het hof van oordeel [is] dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelijk aan de door de advocaat-generaal gevorderde duur, recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dat is gepleegd” en dat de omstandigheid “dat het hof twee van de door de advocaat-generaal bewezen geachte feiten niet bewezen verklaart, het voorgaande niet anders [maakt], nu deze vrijspraken geen afbreuk doen aan de duur, frequentie en intensiteit van het seksueel misbruik waarop de strafeis is gebaseerd”. Dat die motivering onbegrijpelijk of ontoereikend zou zijn, vermag ik niet in te zien en wordt door de steller van het middel ook niet onderbouwd. [9] Van een motiveringsgebrek is geen sprake.
3.7
Het middel faalt.

Afronding

4.1
Beide middelen falen, waarbij het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Zie punt 81 van de door de raadsvrouw ter terechtzitting van het hof van 28 juni 2023 voorgedragen pleitnota.
2.Illustratief is de wijze waarop dit onderdeel van het verweer in de door de raadsvrouw ter terechtzitting van 28 juni 2023 overgelegde en aan het dossier gevoegde pleitnotities wordt aangekondigd: “47. Ik zal de meeste aandacht besteden aan de verklaringen van moeder [betrokkene 1]. Voordat ik dat doe zal ik eerst toelichten waarom ik de verklaringen van [betrokkene 3], [betrokkene 2] en oma [betrokkene 4] in elk geval niet geschikt vind om te dienen als steunbewijs. Na het bespreken van de verklaringen van [betrokkene 3], [betrokkene 2], [betrokkene 1] en oma [betrokkene 4] zal ik in het kader van het gebrek aan steunbewijs ook nog samengevat ingaan op de ontlastende verklaringen.”
3.Zie punt 45 t/m punt 83 van de door de raadsvrouw ter terechtzitting van 28 juni 2023 overgelegde en aan het dossier gevoegde pleitnotities.
4.Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, rov. 3.8.4 onder d.
5.Zie A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 360 en de aldaar genoemde verwijzingen.
6.G.J.M. Corstens, M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 972. Vgl. ook HR 6 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2430, en HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5479
7.Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975. Zie ook HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1641, rov. 2.3.
8.Zo kan ook verbazing worden gewekt doordat het hof dezelfde straf oplegt als de rechtbank, terwijl de bewezenverklaring in eerste aanleg zag op een minder zwaar feit (zie HR 8 juni 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC0400 (niet gepubliceerd),
9.Niet meer althans dan dat in de schriftuur in een citaat van de hiervoor weergegeven overweging van het hof de woorden “intensiteit van het seksueel misbruik” door de steller van het middel cursief zijn gemaakt.