ECLI:NL:PHR:2024:924
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen cassatiemiddelen na geldige aanzegging
De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 tot een geldboete en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad onderzocht of de aanzegging van het cassatieberoep rechtsgeldig was betekend volgens art. 435 lid 1 Sv Pro.
Uit de processtukken blijkt dat de aanzegging op het BRP-adres van de verdachte niet kon worden uitgereikt, waarna deze op 17 april 2024 rechtsgeldig is uitgereikt aan een medewerker van het parket van de procureur-generaal. Tevens is een afschrift naar het BRP-adres van de verdachte verzonden. De termijn van zestig dagen voor het indienen van cassatiemiddelen is op 18 april 2024 aangevangen en verstreken zonder dat een schriftuur is ingediend.
De advocaat van de verdachte diende klachten in over de betekening en verzocht om hernieuwde aanzegging of termijnverlenging, maar deze verzoeken werden afgewezen. De Hoge Raad concludeert dat de aanzegging rechtsgeldig is geschied en dat de verdachte niet-ontvankelijk is wegens het niet voldoen aan de ontvankelijkheidseis van art. 437 lid 2 Sv Pro.
Uitkomst: De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen na rechtsgeldige aanzegging.