ECLI:NL:PHR:2024:924

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 september 2024
Publicatiedatum
9 september 2024
Zaaknummer
24/00097
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 435 lid 1 SvArt. 434 lid 1 SvArt. 437 lid 2 SvArt. 36b lid 1 en 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen cassatiemiddelen na geldige aanzegging

De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 tot een geldboete en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad onderzocht of de aanzegging van het cassatieberoep rechtsgeldig was betekend volgens art. 435 lid 1 Sv Pro.

Uit de processtukken blijkt dat de aanzegging op het BRP-adres van de verdachte niet kon worden uitgereikt, waarna deze op 17 april 2024 rechtsgeldig is uitgereikt aan een medewerker van het parket van de procureur-generaal. Tevens is een afschrift naar het BRP-adres van de verdachte verzonden. De termijn van zestig dagen voor het indienen van cassatiemiddelen is op 18 april 2024 aangevangen en verstreken zonder dat een schriftuur is ingediend.

De advocaat van de verdachte diende klachten in over de betekening en verzocht om hernieuwde aanzegging of termijnverlenging, maar deze verzoeken werden afgewezen. De Hoge Raad concludeert dat de aanzegging rechtsgeldig is geschied en dat de verdachte niet-ontvankelijk is wegens het niet voldoen aan de ontvankelijkheidseis van art. 437 lid 2 Sv Pro.

Uitkomst: De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen na rechtsgeldige aanzegging.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00097
Zitting10 september 2024
ROLCONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 10 oktober 2023 door het gerechtshof Amsterdam wegens overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot een geldboete van €350,-. Daarnaast is aan hem een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Tot op heden is namens de verdachte geen schriftuur houdende cassatiemiddelen ingediend.
1.3
Uit de stukken van het geding blijkt het volgende over de procesgang bij de Hoge Raad tot nu toe:
(i) Op 8 januari 2024 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof.
(ii) Op 5 maart 2024 heeft de griffie van de Hoge Raad, ingevolge het bepaalde in art. 434 lid 1 Sv Pro, de stukken van het geding ontvangen.
(iii) Op 22 maart 2024 is de Basisregistratie personen (BRP) geraadpleegd. De verdachte stond op die datum als ingezetene ingeschreven op een adres in Nederland.
(iv) Op 3 en 6 april 2024 is gepoogd de aanzegging bedoeld in art. 435 lid 1 Sv Pro aan de verdachte uit te reiken op zijn BRP-adres. Uit de akte van uitreiking van 8 april 2024 blijkt dat geen uitreiking heeft plaatsgevonden omdat de verdachte niet (meer) op het vermelde adres woont.
(v) Op 17 april 2024 is de Basisregistratie personen geraadpleegd. De verdachte stond op die datum als ingezetene ingeschreven op het adres waar de aanbieding van de aanzegging (zie hiervoor onder (iv)) heeft plaatsgevonden.
(vi) Voorts is op 17 april 2024 de aanzegging zoals bedoeld in art. 435 lid 1 Sv Pro betekend aan een medewerker van het parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad en is een afschrift verzonden naar het BRP-adres van de verdachte. De aanzegging bevat onder meer de mededeling dat op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep binnen zestig dagen door een advocaat een schriftuur moet worden ingediend bij de Hoge Raad en dat de termijn van zestig dagen is aangevangen op de dag na de datum van uitreiking, te weten 17 april 2024.
(vii) Op 17 juni 2024 is de onder (vi) genoemde termijn van zestig dagen verstreken zonder dat namens de verdachte een schriftuur inhoudende middelen van cassatie is ingediend.
(viii) Op 9 juli 2024 heeft D.W.E. Sternfeld zich gesteld als advocaat van de verdachte en heeft deze verzocht de stukken met betrekking tot de betekening van de aanzegging ex art. 435 lid 1 Sv Pro te doen toekomen.
(ix) Op 11 juli 2024 is aan de advocaat door de griffier medegedeeld dat de aanzegging in de zaak op 17 april 2024 rechtsgeldig is betekend en dat de in de aanzegging vermelde termijn voor het indienen van een schriftuur is verstreken. Daarnaast zijn stukken met betrekking tot de betekening van de aanzegging in het webportaal van de Hoge Raad geplaatst. Onder die stukken bevindt zich op dat moment niet de akte van uitreiking d.d. 17 april 2024.
(x) Op 19 juli 2024 heeft de advocaat in het webportaal van de Hoge Raad een document ingediend met de titel “schriftuur houdende klachten over de betekening van de aanzegging in cassatie” waarin een tweetal verzoeken is op genomen. Primair wordt verzocht de zaak van de rol te voeren teneinde deze opnieuw te doen aanzeggen. Subsidiair wordt verzocht een nadere termijn te verlenen voor het indienen van een schriftuur houdende cassatiemiddelen.
(xi) Op 23 juli 2024 is aan de advocaat door de griffier medegedeeld dat is gebleken dat de akte van uitreiking (ik, AG TS, neem aan van de aanzegging van 17 april 2024) op 11 juli 2024 niet in het digitaal dossier is geplaatst en dat dit alsnog is gebeurd. Het bericht bevat voorts de volgende mededeling:
“Gelet op het vorenstaande, is door de rolraadsheer beslist dat in deze zaak een nadere termijn wordt verleend teneinde u in de gelegenheid te stellen om – met betrekking tot het bovenstaande – de eerder door u ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel een of meer middelen in te trekken.
De nieuwe termijn loopt tot en met: dinsdag 30 juli 2024.”
(xii) Eveneens op 23 juli 2024 is aan de advocaat door de griffier namens de rolraadsheer bericht over de beslissing op het subsidiaire verzoek dat op 19 juli 2024 is gedaan om een nadere termijn te verlenen voor het indienen van een schriftuur en medegedeeld dat het hiertoe aangevoerde onvoldoende grond vormt voor verlenging van de termijn.
(xiii) Op 30 juli 2024 is de nadere termijn (zoals genoemd onder (xi)) verstreken. Er zijn namens de verdachte geen wijzigingen of aanvullingen op de “schriftuur” d.d. 19 juli 2024 ingediend en deze is evenmin ingetrokken.
(xiv) Op 22 augustus 2024 heeft de advocaat, naar aanleiding van een telefoongesprek met een gerechtssecretaris van de Hoge Raad op 21 augustus, het volgende medegedeeld:
“Ik deel u mede dat de op 19 juli 2024 indiende schriftuur niet een schriftuur ‘houdende middelen van cassatie’ is. De schriftuur bevat primair het verzoek de aanzegging opnieuw te doen betekenen en subsidiair het verzoek de termijn voor het indienen van een cassatieschriftuur te verlengen. Op het subsidiaire verzoek heb ik op 23 juli 2024 een (afwijzende) reactie ontvangen, op het primaire verzoek niet. Verder zal ik de ingediende schriftuur niet intrekken.”
(xv) Op 27 augustus 2024 is aan de advocaat medegedeeld dat de procureur-generaal voornemens is om een conclusie te nemen op 10 september 2024.

2.Aanleiding voor de rolconclusie

2.1
De op 9 juli door D.W.E. Sternfeld, advocaat in Amsterdam, ingediende “schriftuur, houdende klachten over de betekening van de aanzegging in cassatie” bevat de klachten dat de aanzegging in cassatie niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften is betekend en dat niet kan worden gesteld dat de verdachte eerder dan 2 juni 2024 – toen de termijn 46 dagen liep – van de termijn op de hoogte is geweest. Verzocht wordt daarom primair de aanzegging opnieuw te doen betekenen en subsidiair de termijn voor het indienen van een cassatieschriftuur ex art. 437 lid 2 Sv Pro te verlengen met veertien dagen vanaf de datum waarop de beslissing tot verlenging wordt genomen.
2.2
Op het subsidiaire verzoek tot verlenging van de termijn met veertien dagen is door de rolraadsheer reeds – afwijzend – beslist (zie hiervoor onder (xii)). In deze rolconclusie is daarom enkel het verzoek de aanzegging opnieuw te doen betekenen, en de hieraan ten grondslag liggende klacht dat de betekening niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften is geschied, aan de orde. Deze klacht houdt in dat zich bij de stukken van het geding geen akte van uitreiking in de zin van art. 36h lid 1 Sv bevindt en dat daarom niet kan worden vastgesteld of de uitreiking aan het parket van de procureur-generaal heeft plaatsgevonden en zo ja wanneer deze heeft plaatsgevonden, en of een afschrift aan het BRP-adres van de verdachte is toezonden, en zo ja wanneer dit afschrift is toegezonden.

3.De rechtsgeldigheid van de betekening van de aanzegging

3.1
Voor een beoordeling van de rechtsgeldigheid van de betekening van de aanzegging zijn de volgende wetsbepalingen van belang:
Art. 435 lid 1 Sv Pro:
“1. Na ontvangst van de stukken van het geding door de griffier van de Hoge Raad wordt door de procureur- generaal aan de verdachte dan wel, indien door het openbaar ministerie beroep in cassatie is ingesteld, aan het openbaar ministerie en aan de verdachte aangezegd dat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen onder mededeling dat de zaak door de Hoge Raad in behandeling zal worden genomen na verloop van de in het tweede onderscheidenlijk eerste lid van artikel 437 bedoelde Pro termijn. In de aanzegging wordt gewezen op artikel 437.”
Art. 36b lid 1 en 2 Sv:
“1. De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen, als voorzien in dit wetboek en het Wetboek van Strafrecht, geschiedt door:
a. betekening;
b. toezending;
c. mondelinge mededeling.
2. Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door middel van uitreiking of elektronische overdracht, op de bij de wet voorziene wijze. Indien betekening door elektronische overdracht niet of niet binnen een redelijke termijn mogelijk is, geschiedt betekening door uitreiking.”
Art. 36e lid 1 aanhef en onder b en lid 2 aanhef en onder b Sv:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
(…)
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1° aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
(…)
b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.”
Art. 36h lid 1 Sv
“1. Van iedere uitreiking als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld:
a. de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat;
b. het nummer van de gerechtelijke mededeling;
c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;
d. de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt;
e. de plaats van uitreiking;
f. de dag en het uur van uitreiking.”
3.2
Uit de stukken van het geding volgt dat op 3 en 6 april 2024 is gepoogd de aanzegging op het BRP-adres van de verdachte uit te reiken en dat uitreiking van de aanzegging niet heeft kunnen geschieden. Uit de akte van uitreiking d.d. 17 april 2024 blijkt voorts dat op 17 april 2024 de aanzegging is uitgereikt aan een medewerker van het parket van de procureur-generaal. Uit deze akte blijkt ook dat, tevens op 17 april 2024, een afschrift van de aanzegging is toegezonden aan het adres waarop de verdachte op de dag van de eerste aanbieding, 3 april 2024, en vijf dagen daarna stond ingeschreven.
3.3
Gelet op het voorgaande is de aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv Pro overeenkomstig de wettelijke voorschriften betekend. Het in de “schriftuur houdende klachten met betrekking tot de betekening van de aanzegging” opgenomen (primaire) verzoek om de zaak van de rol te voeren teneinde opnieuw te worden betekend, dient dan ook te worden afgewezen.
3.4
Dit brengt met zich dat de in art. 437 lid 2 Sv Pro genoemde termijn is aangevangen op de dag na de betekening van 17 april 2024 en inmiddels is verstreken. Namens de verdachte is binnen de hiervoor geldende termijn geen schriftuur houdende cassatiemiddelen ingediend. Derhalve is niet voldaan aan de in art. 437 lid 2 Sv Pro opgenomen ontvankelijkheidseis.

4.Conclusie

4.1
Deze rolconclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG