ECLI:NL:PHR:2024:932

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
10 september 2024
Zaaknummer
22/02408
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420quater SrArt. 413 lid 1 SvArt. 265 lid 3 SvArt. 279 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens niet-naleving dagvaardingstermijn in hoger beroep schuldwitwassen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag dat een eerdere veroordeling van de politierechter wegens schuldwitwassen bevestigde. De verdachte was veroordeeld tot een geldboete en subsidiair hechtenis. Het cassatieberoep richt zich op het niet in acht nemen van de wettelijke dagvaardingstermijn van ten minste tien dagen tussen betekening en terechtzitting in hoger beroep.

Uit de processtukken blijkt dat de dagvaarding op 19 mei 2022 aan een betrokkene op het adres van de verdachte is uitgereikt, terwijl de zitting reeds op 25 mei 2022 plaatsvond, waardoor de termijn van tien dagen niet werd gerespecteerd. De verdachte was niet verschenen en had geen toestemming gegeven voor verkorting van de termijn. De raadsman was wel aanwezig maar niet uitdrukkelijk gemachtigd tot verdediging, waardoor het hof verstek verleende.

Volgens de toepasselijke wetsartikelen had het hof het onderzoek moeten schorsen vanwege de te korte dagvaardingstermijn. De conclusie van de AG beveelt daarom vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof voor een nieuwe berechting. Er zijn geen andere gronden voor vernietiging aangetroffen.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof voor hernieuwde berechting wegens niet-naleving van de dagvaardingstermijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02408
Zitting17 september 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De enkelvoudige kamer van het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 25 mei 2022 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2021 bevestigd. In dit vonnis was de verdachte wegens schuldwitwassen veroordeeld tot een geldboete van 400 euro, subsidiair 8 dagen hechtenis. Daarnaast had de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen, een en ander zoals nader in de aantekening mondeling vonnis omschreven.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. T. Arkesteijn, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat betrekking heeft op het niet in acht nemen van de in art. 413 lid 1 Sv Pro voorgeschreven dagvaardingstermijn.

2.Het middel

2.1
Het middel klaagt dat de in art. 413 lid 1 Sv Pro voorgeschreven termijn tussen de dag waarop de dagvaarding is betekend en de dag van de terechtzitting niet in acht is genomen, zodat het hof het onderzoek ter terechtzitting had moeten schorsen.
2.2
Uit de stukken van het geding kan worden afgeleid dat de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep op 19 mei 2022 op het BRP-adres van de verdachte ( [a-straat 1] te [geboorteplaats] ) is uitgereikt aan [betrokkene 1] , die heeft beloofd de brief onmiddellijk aan de geadresseerde te geven. De zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 25 mei 2022. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de verdachte niet op de zitting is verschenen. De raadsman van de verdachte, mr. R. van den Boogert, is wel verschenen en heeft ter terechtzitting medegedeeld dat hij niet door de verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren. Het hof heeft vervolgens verstek verleend tegen de niet-verschenen verdachte.
2.3
Art. 413 lid 1 Sv Pro schrijft voor dat tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en de dag van de terechtzitting een termijn van tenminste tien dagen moet zijn verlopen. [1] Wanneer deze dagvaardingstermijn niet in acht is genomen, de verdachte niet is verschenen en de verdachte evenmin toestemming heeft gegeven tot verkorting van deze termijn, moet de rechter het onderzoek schorsen. Dit blijkt uit art. 265 lid 3 Sv Pro, welke bepaling in art. 413 lid 1 Sv Pro van overeenkomstige toepassing is verklaard.
2.4
Tussen de dag van de rechtsgeldige uitreiking van de dagvaarding aan [betrokkene 1] op 19 mei 2022 en de dag van de terechtzitting op 25 mei 2022 zijn geen tien dagen verstreken, zoals voorgeschreven in art. 413 lid 1 Sv Pro. De verdachte is niet op de terechtzitting verschenen en uit de stukken van het geding blijkt niet dat de verdachte heeft ingestemd met een verkorting van de dagvaardingstermijn. Het hof had het onderzoek ter terechtzitting dus moeten schorsen. Dit zou slechts anders zijn geweest indien de raadsman op de voet van art. 279 Sv Pro door de verdachte tot de verdediging zou zijn gemachtigd. In dat geval hoeft de rechter het onderzoek niet te schorsen tenzij de gemachtigde raadsman uitstel verzoekt op de grond dat de verdachte ter terechtzitting aanwezig wenst te zijn en/of op de grond dat uitstel is geboden in het belang van (de voorbereiding) van de verdediging. Een verzoek tot uitstel vanwege de uitoefening van het aanwezigheidsrecht kan niet worden afgewezen. Een verzoek tot uitstel in het belang van (de voorbereiding) van de verdediging kan slechts worden afgewezen als de rechtbank van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad als het onderzoek wordt voortgezet. [2] Maar zoals gezegd, deze situatie doet zich in onderhavige zaak niet voor.

3.Slotsom

3.1
Het middel is terecht voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Deze termijn geldt ook voor zaken die door de enkelvoudige kamer van het hof behandeld worden. Zie: HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6737.
2.Zie HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0154.