Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
de woning).
de gemeente). In deze periode heeft hij de woning verhuurd. [2]
Wij hebben besloten uw aanvraag af te wijzen.
dagafschriften van al uw betaal- en spaarrekeningen.
Wij hebben besloten uw aanvraag af te wijzen, omdat u niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht voor wat betreft uw woonsituatie. Op grond van bestaande jurisprudentie kan vastgesteld worden dat de woning […] onbewoonbaar is nu de woning geheel is afgesloten van gas, water en licht.”
de deken) een klacht ingediend over het optreden van verweerder als advocaat.
de opvolgend advocaat).
Quion), de financier van de woning van eiser, eiser medegedeeld dat de hypothecaire leenovereenkomst is beëindigd en is de veiling van de woning aan eiser aangezegd voor het geval hij niet binnen 14 dagen een bedrag van € 179.285,87 betaalt (zijnde de openstaande lening, de achterstallige en te verschijnen rente en de extra gemaakte kosten).
3.Procesverloop
In eerste aanleg
de rechtbank). Hij heeft gevorderd dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:
Beroepsfouten?’ (r.o. 4.4 tot en met 4.13) ingegaan op het betoog van eiser dat verweerder als advocaat verschillende beroepsfouten heeft gemaakt in de wijze waarop hij hem heeft bijgestaan in de bezwaarprocedures bij de gemeente. De rechtbank heeft de verwijten afzonderlijk beoordeeld (r.o. 4.6 tot en met 4.12). De rechtbank concludeerde dat verweerder als advocaat niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht, en dat dit betekent dat hij beroepsfouten heeft gemaakt (r.o. 4.13). [4]
Causaal verband?’ het volgende overwogen:
Slotopmerkingen’het volgende overwogen:
het hof). In hoger beroep heeft hij zijn eis verminderd. Eiser heeft gevorderd dat het hof het vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende:
het arrest). De procesinleiding bevat op blz. 6 een voorbehoud tot aanvulling of wijziging van het cassatiemiddel nadat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 augustus 2023 zal zijn ontvangen. Van dat voorbehoud is geen gebruik gemaakt. Tegen verweerder is verstek verleend. Eiser heeft zijn standpunt schriftelijk doen toelichten.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.2een aantal stellingen op die eiser met betrekking tot zijn financiële situatie heeft aangevoerd. Het subonderdeel noemt de volgende stellingen:
subonderdeel 1.3dat met betrekking tot de overige schulden [7] daaruit het volgende kan worden afgeleid:
subonderdeel 1.4kan uit hetgeen in subonderdeel 1.3 is vermeld worden afgeleid dat er op het moment dat “de bank” (ik begrijp: Quion) in september 2014 tot veiling van de woning van eiser is overgegaan, [8] met betrekking tot de andere schulden geen rechtsmaatregelen waren getroffen (dan wel dat dit al ver vóór de veiling was gebeurd) en in elk geval nog geen executiemaatregelen. Volgens
subonderdeel 1.5is voorts van belang dat eiser met betrekking tot de overige schulden heeft gesteld dat hij de met deze schuldeisers gesloten afbetalingsregelingen ten gevolge van de beroepsfouten van verweerder niet langer kon nakomen. [9]
subonderdeel 1.6kan uit het voorgaande worden afgeleid dat zich vóór 27 juni 2013 met betrekking tot de overige schulden niet een situatie voordeed dat moest worden gevreesd voor veiling van de woning van eiser. Het subonderdeel stelt dat het hof ten onrechte hieraan, en daarmee aan de stellingen van eiser ter zake, voorbij is gegaan en heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat eiser financieel het hoofd boven water hield voordat hij verweerder als zijn advocaat inschakelde op 31 juli 2013.
ookzou zijn geëxecuteerd indien Quion niet in november 2014 tot veiling zou zijn overgegaan. Het hof heeft deze kans ingeschat als groot (“slechts een kwestie van afzienbare tijd”). Dit oordeel is zodanig verweven met een aan het hof voorbehouden waardering van de stellingen van partijen en de daarbij overgelegde stukken dat het in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Zoals gezegd is het niet onbegrijpelijk.
op initiatiefvan hypotheekouder Quion op 26 november 2014 is geveild, nadat zij eiser eerder bij brief van 10 september 2014 de veiling had aangezegd indien hij niet tijdig de achterstand op de hypothecaire lening zou betalen. Naar ik aanneem, zal Quion zich op dat moment ervan bewust zijn geweest dat veiling van de woning kon resulteren in een opbrengst die mogelijk (veel) lager zou zijn dan de restantschuld. Als de overige schuldeisers (ver) vóór de (aanzegging tot) veiling van de woning op de woning van eiser beslag zouden hebben gelegd, dan zie ik niet in waarom Quion als hypotheekhouder op dat moment niet de executie had willen overnemen. Zo Quion dit, naar het subonderdeel stelt, daadwerkelijk niet had willen doen, om welke reden dan ook, dan waren de beslagleggers bevoegd om de executie na de gestelde wettelijke termijn voort te zetten. Ook in dat geval zou de woning zijn geveild. Het subonderdeel faalt derhalve.
subonderdeel 2.2uit het feit dat het in die periode niet tot aanzegging van een veiling van de woning is gekomen, worden afgeleid dat dit ook in de periode na 27 juni 2013 [niet?] het geval zou zijn geweest. [19] Het subonderdeel stelt dat het hof zonder nadere motivering ook daarom ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen causaal verband is tussen de door verweerder gemaakte beroepsfouten en de uit de veiling van de woning voortvloeiende schade.
Subonderdeel 3.2stelt dat eiser heeft aangevoerd dat, indien verweerder “in juli 2013 reeds” de door de gemeente gewenste stukken had verstrekt, eiser op basis daarvan op korte termijn weer een bijstandsuitkering zou hebben verkregen. [22] Volgens subonderdeel is het hof bij zijn oordeel ten onrechte aan deze stelling voorbijgegaan.
Subonderdeel 3.3stelt dat de eerste beslissing op bezwaar dateert van 5 november 2013, ruim vóór de veiling van de woning in september 2014. Ook vóór die datum, zo stelt het subonderdeel, heeft verweerder verzuimd om de benodigde stukken bij de gemeente in te dienen, met een voor eiser negatieve beslissing op bezwaar tot gevolg. Indien verweerder de benodigde toelichting en stukken wel had aangeleverd dan is volgens het subonderdeel aannemelijk dat een bijstandsuitkering “vóór november 2013” al was toegekend. Door hierop niet in te gaan is het arrest volgens het subonderdeel onvoldoende gemotiveerd.
Subonderdeel 3.4bevat de klacht dat de bestreden overweging zich niet laat verenigen met het eerdere uitgangspunt in r.o. 5.8 dat eiser met ingang van 27 juni 2013 weer een bijstandsuitkering zou hebben ontvangen. De subonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
op 6 augustus 2013heeft verzocht om informatie te verstrekken. Ook indien al zou moeten aangenomen dat verweerder kort daarna zelfstandig actie had moeten nemen [23] en de verstrekte informatie voor de gemeente aanleiding zou hebben gegeven om aan eiser weer een bijstandsuitkering te verstrekken, dan zou dit pas in de periode daarna zijn gebeurd en zou eiser niet al op 27 juni 2013 een bijstandsuitkering hebben ontvangen. [24] De overweging in r.o. 5.8 dat wordt uitgegaan van de veronderstelling dat eiser met ingang van 27 juni 2013 een bijstandsuitkering zou hebben ontvangen, impliceert niet dat hij die uitkering al op en vanaf 27 juni 2013 zou hebben ontvangen. De subonderdelen stuiten op het voorgaande af.
Subonderdeel 4.1stelt dat het hof is uitgegaan “van een doorbreking van het causale verband tussen de schade en de beroepsfouten van [verweerder] en wel doordat [eiser] reeds andere schulden had en deze schulden er (mede) toe zouden hebben geleid dat [eiser] zijn woning niet heeft kunnen behouden.” Daarbij, zo vervolgt het subonderdeel, heeft het hof “de bewijslast van het causale verband nog steeds op [eiser] gelegd, gezien ook het verwijt aan [eiser] dat hij zijn stelling onvoldoende heeft gestaafd.”
Subonderdeel 4.2stelt dat “bij een doorbreking van het causale verband” de bewijslast van “de hierop gebaseerde feiten en omstandigheden” echter niet op eiser rust, maar op verweerder, zodat het hof hier ten onrechte “een stel- en bewijslast” bij eiser heeft gelegd. Ook in zoverre is het hof volgens het subonderdeel bij het beoordelen van het causale verband van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan dan wel is het arrest onvoldoende gemotiveerd.
nietbestreden. Ik zal hieronder uiteenzetten waarom de klacht hoe dan ook faalt.