Conclusie
1.Allianz Global Corporate and Specialty SE (hierna: Allianz)
Ducor)
Allianz c.s., in vrouwelijk enkelvoud)
Nalco)
1.Feiten
tussenarrestof
TA) in verbinding met het procesdossier. Met het oog op de grenzen van het debat in cassatie zijn sommige feiten verkort weergegeven en andere weggelaten.
koelwatersysteem). Daarmee zijn drie polypropyleenproductiesystemen verbonden. Het koelwatersysteem bestaat uit een koelwatertoren, koelwaterpompen, warmtewisselaars en pijpleidingen die het koelwater transporteren tussen de warmtewisselaars en de koeltoren. Tot dit koelwatersysteem behoren 71 warmtewisselaars, die ervoor moeten zorgen dat de warmte die tijdens het productieproces vrij komt, wordt afgevoerd. Het water in het koelwatersysteem dient voortdurend te worden gemonitord en behandeld om ervoor te zorgen dat het water de leidingen en warmtewisselaars niet aantast.
3D Trasar) in gebruik genomen dat de waterchemie van het koelwatersysteem analyseert op kalkafzetting (
scaling), corrosie en microbiologie.
biodetergentaan het water toegevoegd.
De geleidbaarheid is nog sterk doorgedaald.De spui via het 3DTrasar relais is 0! Dus er verdwijnt nog veel koelwater. Wanneer beide spui’s dicht zijn, koeltoren en flare, moet er op een andere plaats water verdwijnen. (...) Het lijkt erop dat er ‘iets’ gebrurd is op 14 jan 00.00 uur. Rond 11.00 uur is er een sterke verhoging geweest van de geleidbaarheid. De verhoging van de concentratie Nalco 3DT289 is daar niet voor verantwoordelijk. De chloorbleekloog doseerpomp staat erg hard te draaien vanaf 14-1. Op 15-1 in de middag wordt er gespuid omdat de geleidbaarheid juist boven het setpoint van 2000 uS/cm uitkomt. Daarna gaat deze weer dicht. Hopelijk helpen deze grafieken bij de zoektocht naar de oorzaak.”
De capaciteit van de spui moet verder vergroot worden, oftewel meer spuien. Als het setpoint gehaald is sluit de spui vanzelf.Er is meer Nalco 3DT2899 gedoseerd om de afzettingen onder controle te houden.”
Service Plan) zijn de verplichtingen van Ducor en Nalco over en weer opgenomen. Deze luiden - voor zover hier van belang - als volgt:
Verplichtingen van Nalco naar Ducor Petrochemicals BV Botlek:
biodetergentdie aan het water wordt toegevoegd, verhoogd.
shutdownvan de fabriek op 24 mei 2012 fysiek verwijderd kan worden.
Schielab) opdracht gegeven om een aantal warmtewisselaars in de fabriek, waaronder W-2400, te inspecteren. Schielab heeft haar bevindingen uitgewerkt in twee rapporten van 12 juni 2012 en 18 juni 2012. Met betrekking tot W-2400 is Schielab tot de volgende conclusie gekomen:
Applus) heeft in opdracht van Ducor de dikte van de leidingen van warmtewisselaars W-2307E en W-2309E gemeten. In twee op 12 mei 2012 opgestelde rapporten komt Applus met betrekking tot beide warmtewisselaars tot de slotsom dat de algehele wanddikte over de gehele lengte van de pijpen is afgenomen en dat over de gehele lengte van de pijpen inwendige defecten aanwezig zijn.
shutdownop 24 mei 2012 te gebruiken voor herstelwerkzaamheden aan (uiteindelijk) alle koolstofstalen warmtewisselaars. Op 1 juli 2012 is de eerste productielijn in de fabriek van Ducor weer opgestart.
biodetergentN77393 en de helderheid van het koelsysteem benoemd.
[betrokkene 4]) van KWA Bedrijfsadviseurs B.V. te Amersfoort het rapport ‘Schadeonderzoek warmtewisselaars koelwatersysteem bij Ducor Petrochemicals B.V. te Botlek Rotterdam’ uitgebracht (hierna:
KWArespectievelijk het
KWA-rapport). Het KWA-rapport, dat mede een reactie bevat op het onder 1.26 hiervoor bedoelde rapport van Nalco, luidt onder meer als volgt: [4]
6.2. Conclusies rapportage Nalco
(…)
[betrokkene 5]), ‘Senior Expert Product Liability and Recall’ bij Cunningham Lindsey Nederland B.V. te Eindhoven (hierna:
CL), aan Ducor meegedeeld dat CL door de aansprakelijkheidsverzekeraar van Nalco is aangesteld om de omstandigheden rondom de claim van Ducor te onderzoeken en de schade van Ducor vast te stellen.
4 Schade door MIC[
microbiological influenced corrosion, A-G]
[expertisebureau]) een rapport opgesteld met betrekking tot de door corrosie ontstane schade aan componenten van het koelwatersysteem van Ducor. In dit rapport van 8 juni 2016 is - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:
Nalco-rapport). Daarin komt Nalco - voor zover hier van belang - tot de volgende samenvatting en conclusie:
foulingen corrosie moeilijk, zo niet onmogelijk maken. Dit geldt voor alle waterbehandelingsprogramma's, ongeacht de pH waarde. Een adequate waterstroom om de inhibitoren en biocides in aanraking te kunnen laten komen met de metalen onderdelen in alle delen van het systeem is essentieel voor een succesvolle behandeling. (...)
2.Procesverloop
In eerste aanleg
dagvaarding) heeft Allianz c.s. bij de rechtbank Den Haag (hierna: de
rechtbank) een procedure tegen Nalco aanhangig gemaakt. Zij heeft daarin - samengevat - een verklaring voor recht gevorderd (dat Nalco ten opzichte van haar aansprakelijk is uit hoofde van wanprestatie), alsmede schadevergoeding.
CvA).
vonnis). De rechtbank is tot het oordeel gekomen - samengevat - dat niet is gebleken dat Nalco fouten heeft gemaakt in het kader van de waterbehandeling van het koelwatersysteem van Ducor, noch dat Nalco toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de offerte en het Service Plan. Zij heeft de vorderingen van Allianz c.s. afgewezen.
MvG).
MvA).
Zie rov. 3.4-3.5 TA.
Zie rov. 3.6-3.7 TA.
Zie rov. 3.8-3.11 TA.
Zie rov. 3.12 TA.
tekortkomingen i-iiien de
tekortkoming iv).
scaling(kalkafzetting) te voorkomen de zuurgraad in het koelwater verhoogd, waardoor de corrosiedruk op het staal toenam en de dosering van corrosie-inhibitoren te laag werd gehouden. De Ph-waarde werd op een onjuiste plaats gemeten (in het ‘koelwater return’ in plaats van direct na de koelwaterpompen) met verkeerde (automatische) dosering zuur tot gevolg.
biodetergentaan het koelwatersysteem toegevoegd (ook wel “event 1” respectievelijk “event 2” genoemd). De hierdoor losgemaakte microbiologie is vervolgens niet gedood als gevolg van een te lage dosering chloorbleekloog. Deze (laatste) handelingen hebben twee, voor Nalco voorzienbare, (averechtse) effecten gehad:
Zie rov. 3.14 TA.
Zie rov. 3.15-3.16 TA.
Zie rov. 3.17 TA.
Zie rov. 3.18-3.23 TA.
Corrosieschade
gerechtsdeskundigen).
conceptdeskundigenbericht). Partijen hebben elk commentaar toegezonden aan de gerechtsdeskundigen.
deskundigenbericht). Het commentaar van partijen is daaraan gehecht, alsook een reactie van de gerechtsdeskundigen daarop (in aanvulling op hun aanpassingen van het conceptdeskundigenbericht).
MnD Allianz c.s.). Nalco heeft dat op 10 mei 2022 gedaan.
eindarrestof
EA). Het heeft daarin onder andere als volgt - samengevat - overwogen en geoordeeld.
biodetergentin oktober/november 2010 en de in januari 2011 snel toegenomen corrosie. De meest waarschijnlijke oorzaak van de microbiologische vervuiling is een eind december 2010/begin januari 2011 opgetreden kleine procesgaslekkage in het koelwater. Propeengas is bij de gebruikelijke koelwatertemperaturen zeer goed oplosbaar in water en zorgt meteen voor snelle microbiologische groei. De oorzaak van de gaslekkage is niet gelegen in de behandeling door Nalco, maar in een gebrek in een buis(verbinding).
plant) hebben gevergd.
biodetergent. De tweede verhoogde dosering
biodetergentwas een redelijke poging om het koelwatersysteem te reinigen, gebaseerd op de toen voorhanden informatie. Die tweede verhoogde dosering was niet de oorzaak van de corrosie, maar kan indirect hebben bijgedragen aan de schade door microbiologisch materiaal door het koelwatersysteem te verspreiden.
biodetergentkunnen verhogen en heeft dit om onduidelijke redenen niet gedaan. Niet waarschijnlijk is echter dat dit in de gegeven omstandigheden veel nut zou hebben gehad. In de ervaring van de gerechtsdeskundigen is de enig succesvolle remedie in dit soort gevallen het onderbreken van productie om het lek te vinden en te verhelpen.
Zie rov. 2.3-2.5 EA.
Zie rov. 2.6 EA.
Zie rov. 2.7 EA.
biodetergentin oktober 2010. Verder hebben de gerechtsdeskundigen over de tussen september en november 2010 waargenomen schuimvorming opgemerkt dat deze niet ongebruikelijk is en vele oorzaken kan hebben, en dat in de weken na de verhoogde dosis
biodetergentin oktober/november 2010 volgens hen geen (sluitende) aanwijzingen voor biomassa bestonden. Indien de extra dosis
biodetergentin oktober/november 2010 door Nalco was toegediend, omdat de schuimvorming destijds bij de betrokkenen deed vermoeden dat mogelijk biomassa aanwezig was, staat daarmee de daadwerkelijke aanwezigheid daarvan nog niet vast. Dat Nalco destijds zelf (ook) dacht aan de mogelijkheid van een olielekkage maakt evenmin dat het oordeel van de gerechtsdeskundigen dat, alle gegevens overziend, de meest waarschijnlijke oorzaak van de corrosieschade de aanwezigheid van een gaslekkage is onjuist moet zijn of overtuigingskracht mist. De gerechtsdeskundigen hebben, mede op basis van hun deskundigheid en ervaring, geoordeeld dat (veel) waarschijnlijker is dat deze door een (kleine) procesgaslekkage is veroorzaakt. Voor zover Allianz c.s. nog heeft geklaagd dat de gerechtsdeskundigen met de door hen genoemde schadeoorzaak buiten het partijdebat zijn getreden, ziet zij eraan voorbij dat Nalco vanaf het begin op de mogelijkheid van een proceslekkage als schadeoorzaak heeft gewezen, dat aan de gerechtsdeskundigen (ook) de vraag was voorgelegd of de schade door een proceslekkage kon zijn veroorzaakt (vraag 3), en dat partijen zowel op het conceptdeskundigenbericht als achteraf in hun memories op de bevindingen van de gerechtsdeskundigen hebben kunnen reageren.
PEWArespectievelijk het
PEWA-memorandum) (productie 70 van Allianz c.s.), volgt het hof haar daarin evenmin. De aan het PEWA-memorandum ontleende algemene stelling dat propeengas direct met het in het water aanwezige chloor zou wegreageren, zodat een gaslekkage scheikundig gezien niet de waargenomen microbiologische groei kan hebben veroorzaakt, is niet voldoende (op de onderhavige installatie en volumes toegesneden) geconcretiseerd en onderbouwd. Het had, mede gelet op het late stadium van de procedure waarin deze algemene tegenwerping is gedaan, op de weg van Allianz c.s. gelegen om nader te onderbouwen dat wetenschappelijk gezien niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat een (voortdurende) procesgaslekkage scheikundig gezien in de concrete omstandigheden van dit geval niet de schadeoorzaak kan zijn geweest.
Zie rov. 2.12-2.13 EA.
shutdownbuiten de zesjaarlijkse controle in beginsel niet mogelijk is, dat het systeem slechts lokaal kan worden geïnspecteerd en dat een inspectie van het totale systeem zeer langdurig en uitermate kostbaar is onder meer wegens een aanzienlijk omzetverlies, had het op de weg van Allianz c.s. gelegen om nader toe te lichten en te onderbouwen dat Ducor na indringender waarschuwing door Nalco inderdaad de volgens de gerechtsdeskundigen vereiste ingrijpende maatregelen zou hebben genomen en de fabriek zou hebben stilgelegd om het gaslek te vinden, dan wel dat zij dan - in afwijking van de conclusies in het deskundigenbericht - op minder ingrijpende wijze een gaslekkage zou hebben kunnen opsporen, dat ook zou hebben gedaan en dat de schade daarmee zou zijn voorkomen.
Zie rov. 2.16 EA. [8]
Zie rov. 2.17 EA. [9]
PI) heeft Allianz c.s. tijdig cassatieberoep ingesteld van het eindarrest. Nalco heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Allianz c.s. heeft gerepliceerd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
biodetergentwas toegepast in reactie op waargenomen vervuiling (PI, nr. 3.7), [15] welk oordeel (ook) in cassatie tot uitgangspunt strekt (PI, nr. 3.8);
biodetergentaan het koelwater heeft toegevoegd (PI, nr. 3.8); [16]
biodetergentin eerste instantie toe te dienen (PI, nr. 3.10); [17]
belief perseverance; zij hebben zich, ondanks het vele tegenbewijs, niet willen laten afbrengen van die eerder gevormde mening (PI, nr. 3.19, vierde gedachtestreepje).
onder i. Aan deze stellingen besteedt het hof kenbaar en afdoende gemotiveerd aandacht in het eindarrest. Het hof vat deze stellingen samen in rov. 2.3, derde alinea EA. Het hof bestrijkt de stelling
onder ain het bijzonder met rov. 2.9 EA. Dit spreekt voor zich. Het hof bestrijkt de stelling
onder bin het bijzonder met rov. 2.8 EA. Bij dit laatste verdient opmerking dat het hof blijkens rov. 2.2 en 2.7-2.8 EA redeneert vanuit “een eind december 2010/begin januari 2011 opgetreden
kleineprocesgaslekkage in het koelwater”, [23] als volgens de gerechtsdeskundigen in de gegeven omstandigheden meest waarschijnlijke oorzaak van de opgetreden corrosieschade. Daarbij betrekt het hof dat de gerechtsdeskundigen dit oordeel hebben gegeven vanuit hun deskundigheid en ervaring met vergelijkbare installaties, waarbij zij bedacht dat het hof in rov. 2.2 EA ook verwijst naar “de aard van de onderhavige installatie, waarin gas onder hoge druk circuleert rond de warmtewisselaars” en naar “een bekend verschijnsel”, etc. Het valt tegen deze achtergrond bezien alleszins te billijken dat het hof volstaat met in het bijzonder rov. 2.8 EA voor het verwerpen van die stelling onder b, welke stelling - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - als vertrekpunt neemt dat sprake was van “een groot lek dat weer kleiner wordt”. [24] Dit vertrekpunt is dus anders dan het hof blijkens rov. 2.2 en 2.7-2.8 EA overweegt met betrekking tot een “kleine procesgaslekkage”. ’s Hofs respons valt te meer te billijken nu Allianz c.s. met die stelling onder b niet gericht is ingegaan op dat (door het hof dus gevolgde) oordeel van de gerechtsdeskundigen, die daarbij ook oog hadden voor die aard van de onderhavige installatie en de bekendheid van het verschijnsel van zo’n kleine procesgaslekkage. [25]
onder ii. Met de stelling
onder aboekt Allianz c.s. geen succes, reeds omdat - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - Nalco in eerste aanleg
nietheeft aangevoerd en de rechtbank in het vonnis
nietheeft vastgesteld dat de eerste (over)dosering van
biodetergentwas toegepast in reactie op waargenomen “vervuiling” door biologische groei in het koelwatersysteem. [26] , [27] Met de stelling
onder bboekt Allianz c.s. evenmin succes, omdat het daarbij enkel gaat om rov. 2.6 van het tussenarrest [28] en ’s hofs bestreden oordeel, waaronder rov. 2.8 EA, daarmee alleszins te rijmen is. Dit spreekt voor zich. De stelling
onder conderkent het hof in rov. 2.3 EA, specifiek waar het overweegt dat Allianz c.s. onder meer heeft aangevoerd dat “[t]ussen partijen ten processe vast[staat] dat de eerste verhoging van de dosering biodetergent een reactie was op geconstateerde schuimvorming en het vermoeden van microbiologische activiteit.” Deze uitleg door het hof is niet onbegrijpelijk. [29] Het hof bestrijkt de (aldus verstane) stelling onder c afdoende gemotiveerd met rov. 2.8 EA. Daaruit volgt onder meer dat ook als de eerste verhoging van de dosering
biodetergenteen reactie was op geconstateerde schuimvorming en het vermoeden van microbiologische activiteit, overeind blijft:
onder d. [31] Die onderkent het hof in rov. 2.3 EA, specifiek waar het overweegt dat Allianz c.s. onder meer heeft aangevoerd dat “[u]it een inspectierapport van Nalco van 2006 blijkt dat er toen al aanwijzingen waren voor biologische groei.” Deze uitleg door het hof is niet onbegrijpelijk. [32] Het hof bestrijkt de stelling onder d afdoende gemotiveerd met rov. 2.8 EA. Daarin zet het onder meer uiteen, en met kracht van argumenten, waarom overeind blijft het oordeel van de gerechtsdeskundigen dat “[t]ussen de vier jaar eerder gesignaleerde aanwezigheid van biomassa in 2006, waarop Ducor c.s. zich met name (…) baseert, en de toestand van het koelsysteem in 2010 (…) geen (sluitend) verband [bestaat].”
onder iii. Die gaat niet gepaard met verwijzing naar een vindplaats in het procesdossier. [33] Overigens valt ook niet in te zien waarom het hof zou hebben moeten ingaan op zo’n algemene stelling, die bezwaarlijk te kwalificeren valt als “een voldoende gemotiveerde betwisting (…) van de juistheid van de zienswijze van de deskundige” als bedoeld onder 3.8 hiervoor. Daarop behoefde het hof hoe dan ook niet nog weer nader te responderen dan het al doet met rov. 2.7 e.v. EA.
onder iv. Ook die valt bezwaarlijk te kwalificeren als “een voldoende gemotiveerde betwisting (…) van de juistheid van de zienswijze van de deskundige” als bedoeld onder 3.8 hiervoor. Want behelst niet meer dan de door Allianz c.s. bereikte slotsom. Daarop behoefde het hof hoe dan ook niet nog weer nader te responderen dan het al doet met rov. 2.7 e.v. EA.
onder v. Ook die valt bezwaarlijk te kwalificeren als “een voldoende gemotiveerde betwisting (…) van de juistheid van de zienswijze van de deskundige” als bedoeld onder 3.8 hiervoor. Want om welke stellingen van Nalco en door KWA opgetekende informatie uit de mond van Nalco gaat het dan? Dit blijft in de stelling onder v volkomen onduidelijk. Sla ik ook acht op andere vindplaatsen in het procesdossier die het subonderdeel hier erbij haalt, [34] dan baat dit Allianz c.s. evenmin. Voor zover niet al bestreken door 3.8.2 hiervoor inzake stelling ii (onder a [35] en d), [36] loopt dit erop stuk dat het ter zake verder slechts gaat om een stellingname van Allianz c.s. over een rapport van Nalco van juli 2012, welke stellingname het hof kenbaar en afdoende gemotiveerd verwerpt in rov. 2.8 EA:
onder vi. Ook die valt bezwaarlijk te kwalificeren als “een voldoende gemotiveerde betwisting (…) van de juistheid van de zienswijze van de deskundige” als bedoeld onder 3.8 hiervoor. Want behelst niet meer dan een blote stelling van Allianz c.s. Daarop behoefde het hof hoe dan ook niet nog weer nader te responderen dan het al doet met rov. 2.7 e.v. EA.
onder vii. Blijkens rov. 2.8 EA onderkent het hof die stelling, waarin Allianz c.s. zich overigens subtieler heeft uitgelaten dan het subonderdeel nu doet voorkomen. [37] Blijkens rov. 2.8 EA verwerpt het hof die stelling, kenbaar en afdoende gemotiveerd. Daarbij betrekt het hof, volgend op de vaststelling dat Allianz c.s. inzake het openzetten van de spui niet redeneert vanuit een (aanvullende) tekortkoming van Nalco, ten eerste dat het ook volgens Allianz c.s. zelf niet gaat om een beslissend punt waarop de gerechtsdeskundigen te eenvoudig overstag zouden zijn gegaan. ‘s Hofs vervolgoverweging dat de kritiek van Allianz c.s. inzake dat overstag gaan van onvoldoende gewicht is om te kunnen afdoen aan de daar door het hof bedoelde conclusie van de gerechtsdeskundigen [38] moet uiteraard worden bezien in het licht van hetgeen het hof ook overigens overweegt in rov. 2.8 EA, waaraan die kritiek zonder meer niet in de weg staat.
biodetergent(als weergegeven in PI, nrs. 3.7-3.15), zodat de redenering van de gerechtsdeskundigen dat de schadeoorzaak (uitsluitend) een (kleine) olielekkage moet zijn geweest ondeugdelijk is. Het hof zegt hierover alleen iets in rov. 2.8, regels 27-37 EA. Allianz c.s. werkt deze klacht uit in PI, nrs. 3.26-3.29. [45] Dit is
klacht a.
klacht b.
biodetergent. Dit is een essentiële stelling van Allianz c.s., aangezien het vast komen te staan daarvan maakt dat het deskundigenbericht terzijde had moeten worden geschoven dan wel dat aan Allianz c.s. meer gelegenheid had moeten worden geboden om hun stellingen en bewijsmiddelen hierop aan te passen. Dit is
klacht c.
klacht a.
olielekkage” [46] moet zijn geweest. Maar dat zal een verschrijving zijn in de procesinleiding. Zoals blijkt uit het (concept)deskundigenbericht, door het hof onderkend in het eindarrest (rov. 2.2, 2.7-2.9 en 2.14-2.15 EA), is volgens de gerechtsdeskundigen immers een (kleine) proces
gaslekkage in december 2010/januari 2011 in de gegeven omstandigheden de meest waarschijnlijke oorzaak geweest van de opgetreden corrosieschade. Dit zal hier ook zijn bedoeld door Allianz c.s., al staat dat dus niet zo in de klacht.
partijen (en de rechtbank) het eens zijn en dat ook in hoger beroep vaststaat, zodat de Deskundigen daarvan niet kunnen afwijken”, [47] zij daarop heeft gewezen “met het oog op het voorgaande”. [48] En dat Allianz c.s. direct daarop liet volgen: “Het schuimen van het water
en het vermoeden van microbiologiewaren - ook volgens Nalco zelf - de belangrijkste reden om de grote dosis biodetergent in eerste instantie toe te dienen.” [49] Als uiteengezet onder 3.8.2 hiervoor onderkent het hof deze stellingname van Allianz c.s. in rov. 2.3 EA, [50] welke uitleg niet onbegrijpelijk is. En bestrijkt het hof die (aldus verstane) stellingname afdoende gemotiveerd met rov. 2.8 EA. Kortom: het hof kon, gelet op wat Allianz c.s. zelf heeft betoogd, begrijpelijkerwijs tot uitgangspunt nemen dat tussen partijen slechts vaststond dat de eerste verhoging van de dosering
biodetergenteen reactie was op - kort gezegd - het vermoeden van microbiologische activiteit. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof niet tot uitgangspunt neemt dat, zoals Allianz c.s. het nu in de klacht formuleert, tussen partijen reeds vaststond dat er microbiologische vervuiling in het koelwatersysteem aanwezig was voorafgaand aan de eerste (over)dosering
biodetergent, wat echt iets anders is.
3.26.
3.27.
nietdat (ook) de onderhavige, in MnD Allianz c.s., nrs. 4.11 en 4.15 bedoelde bezwaren door de gerechtsdeskundigen gemotiveerd zijn weerlegd “zodat een en ander niet zou afdoen” aan de overtuigingskracht van het deskundigenbericht. Het hof hanteert hier twee zelfstandig dragende gronden. Niet alleen hebben de gerechtsdeskundigen die bezwaren (als vervat in de reactie van Allianz c.s. op het conceptdeskundigenbericht) gemotiveerd weerlegd. [51] Het hof oordeelt tevens zelf, vanaf “en”, dat die bezwaren (als vervat in MnD Allianz c.s.) aan de overtuigingskracht van het deskundigenbericht niet (voldoende) afdoen, zoals ook blijkt uit het vervolg op genoemde overweging. In zoverre ontbeert het subonderdeel dus feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindarrest. Dit laatste geldt tevens voor het slot, waar het subonderdeel nog poneert dat het hof “in strijd met het recht” niet zelf ingaat op de desbetreffende “essentiële stellingen” van Allianz c.s. [52] Voor zover daarin al iets te lezen valt over het partijdebat in het procesdossier inzake microbiologische vervuiling in het koelwatersysteem voorafgaand aan de eerste (over)dosering
biodetergent, geldt dat het hof dit betrekt bij diens uitleg van die stellingname in rov. 2.3 EA, [53] welke stellingname het hof dus bestrijkt in rov. 2.8 EA. Zie ook onder 3.8.2 hiervoor (stelling onder c). Bij deze stand van zaken behoeft dit nr. 3.27 geen verdere bespreking.
3.28.
3.29.
gaslekkage, maar enkel heeft gesproken over
olielekkage. Het subonderdeel verwijst naar vindplaatsen in het procesdossier (in eerste aanleg en hoger beroep) waar, aldus Allianz c.s., partijen het erover eens zijn dat een gaslekkage niet voor de hand ligt/Nalco (enkel) spreekt over een
olielekkage.
wat betreft (i) en de kwestie van gas-/olielekkage. De stellingen van Nalco die zij vóór het (concept)deskundigenbericht heeft ingenomen, laten zich zo begrijpen, en zijn door de gerechtsdeskundigen [60] en het hof inderdaad ook zo begrepen, dat daarin wel degelijk besloten ligt dat de oorzaak van de plotselinge verhevigde corrosie (ook) gelegen kan zijn in een proces
gaslekkage. [61] Ik licht dit toe onder 3.20.3-3.20.14 hierna. Bij die stand van zaken doet het onder (i) bedoelde scenario zich derhalve niet voor. Met die in nr. 3.29 bedoelde zin brengt het hof dan tot uitdrukking - en dit is iets anders dan het subonderdeel veronderstelt - dat Nalco blijkens haar eigen stellingen weliswaar destijds zelf ook dacht aan de mogelijkheid van een olielekkage, naast de mogelijkheid van een gaslekkage, maar dit evenmin maakt dat de onderhavige bevinding van de gerechtsdeskundigen [62] onjuist moet zijn of overtuigingskracht mist.
olielekkage, [65] maar daarvan zijn de gerechtsdeskundigen en het hof klaarblijkelijk niet uitgegaan. Illustratief is dat de gerechtsdeskundigen op diverse plaatsen in het deskundigenbericht vaststellen, mede onder verwijzing naar productie 3 van Nalco, dat Nalco al op 17 januari 2011 richting Ducor liet weten “that there might be a process gas leak” (dat [betrokkene 2] (Nalco) “immediately suspected a proces gas leak on 17 January 2011”). [66] , [67] En dat het hof aan het slot van rov. 2.8 EA overweegt dat “[v]oor zover Ducor c.s. nog heeft geklaagd dat de door de deskundigen met de door hen genoemde schadeoorzaak buiten het partijdebat zijn getreden, (…) zij eraan voorbij [ziet] dat Nalco vanaf het begin op de mogelijkheid van een proceslekkage als schadeoorzaak heeft gewezen (…)”. [68] In rov. 2.2 EA en iets eerder in rov. 2.8 EA gebruikt het hof ook al de term “procesgaslekkage”, waar het gaat om die volgens de gerechtsdeskundigen meest waarschijnlijke schadeoorzaak (welk oordeel het hof dus volgt). Het procesdossier laat daartoe ook de ruimte. Om dit toe te lichten moet ik nog enige omzwervingen in het procesdossier maken: zie onder 3.20.4-3.20.14 hierna.
De mogelijke oorzaken van de hogere corrosiesnelheid zijn volgens Nalco:
Een proceslek in het koelsysteem waardoor waterstof en/of procesgas uit een koeler in het koelwater kwam(en).
een proceslekkageis opgetreden. Ook koppelt dit de sprong in corrosiesnelheid in februari 2012 direct aan
een proceslekkage. Ducor ontdekt dan ook niet verrassend een daadwerkelijke lekkage in de periode maart-april 2012.
het binnenlekken van agressieve procesvloeistoffen, of procesvloeistoffen/gassen die de werking van het behandelingsprogramma teniet doen). Door slechts te wijzen op slechte corrosie-inhibitie van het gebruikte koelwater wordt een te simplistisch en eenzijdig beeld van de situatie geschetst.
een proceslekkage van een organische stof [72] die microbiologische groei heeft aangejaagd en de bestrijding van microbiologische activiteit middels chloordosering heeft bemoeilijkt) niet aan het licht is gekomen, niet uit analyses van Nalco en niet uit de fabrieksparameters die zouden moeten worden opgevolgd door Ducor.
of door invloeden vanuit de proceszijde, waardoor vervolgens de effectiviteit van de waterbehandeling teniet is gedaan.
een inbreuk van een processtof naar het koelwater. Immers, zowel de corrosiesnelheid als de ORP werden sterk beïnvloed.
De proceslekkageblijft onopgemerkt door Ducor afgaande op hun eigen monitoring, en komt pas aan het licht als er naar enkele maanden warmteoverdrachtproblemen ontstaan. Ook Nalco meet wederom geen directe verontreiniging, maar wel de indirecte gevolgen (ORP, Corrosiesnelheid, chloorverbruik).”
dat er een organische stroom in het koelwater terechtkomt. [74] En mogelijk moet de oorzaak gezocht worden bij de compressor die vorige week in bedrijf is genomen. De normale dosering van chloorbleekloog wordt gebruikt om een organische component af te breken waardoor er te weinig overblijft het normale setpoint te halen. Deze component heeft ook een invloed op de geleidbaarheid ; in de grafiek van geleidbaarheid is te zien dat slechts beperkt de 3DTRASAR spui is geopend. Op 15 en 16 jan. Dus waar de extra spui vandaan komt weet ik niet. Kun je laten uitzoeken
of de compressor gas naar het koelwater toe lekt? Dit zou ook het toegenomen schuim verklaren. Zijn er gas detectiesystemen op de koeltoren ?”
15 februari 2012. Bovendien duidden de verschillende technische data van de door de 3D TRASAR bijgehouden parameters nu overduidelijk op een lek. (…). De proceslekkage die er daadwerkelijk bleekt te zijn, is evenwel niet onderkend door Ducor tot April 2012.”
gaslekkage. [75]
nietuitsluitend om een (beweerdelijke) olielekkage. [76]
R.o. 4.11: De rechtbank oordeelt in deze rechtsoverweging dat, voor zover de verhoging van de corrosiesnelheid het gevolg is geweest van een vervuiling van buitenaf of een lekkage in het koelwatersysteem, zoals Nalco heeft aangevoerd, het op de weg van Ducor had gelegen om de onderliggende oorzaak weg te nemen door de lekkage te verhelpen. (…)
fouling’) moet daarnaast wel degelijk door Nalco (en haar 3DTrasar-systeem) worden gedetecteerd en ondervangen (vergelijk §11.23).”
gaslek als alternatieve oorzaak van (snelle microbiologische groei en vervolgens) corrosie(schade) was wel degelijk onderwerp van het partijdebat. Dat door Nalco alléén een mogelijke olielekkage is geopperd, klopt niet. Dat de gerechtsdeskundigen zelf, buiten het partijdebat om, een procesgaslekkage als oorzaak hebben aangedragen - zoals Allianz c.s. in de kern betoogt - is onverenigbaar met de processtukken. Het deskundigenbericht sluit (ook) op dit punt juist prima aan bij het voorliggende partijdebat, evenals trouwens bij ’s hofs vraagstelling als bedoeld in rov. 2.1 EA. [81] Wat het hof dus begrijpelijkerwijs constateert, blijkens rov. 2.8 EA.
wat betreft (ii)(zie onder 3.20.1 hiervoor). Anders dan het veronderstelt (zie ook PI, nr. 3.25), zegt het hof met de in dit nr. 3.29 bedoelde zin in rov. 2.8 EA niets over die stellingname van Allianz c.s. (als begrepen door het hof blijkens rov. 2.3 EA) dat “[t]ussen partijen ten processe vast[staat] dat de eerste verhoging van de dosering biodetergent”, in oktober/november 2010, “een reactie was op geconstateerde schuimvorming en het vermoeden van microbiologische activiteit.” Zie onder 3.20.2 hiervoor voor wat het hof wel bedoelt met die zin. Bovendien bestrijkt het hof die (aldus verstane) stellingname afdoende gemotiveerd elders in rov. 2.8 EA, ook daaraan ziet het subonderdeel voorbij. Zie onder 3.8.2 hiervoor (stelling onder c).
klacht b.
klacht c.
subonderdeel I.B.1(zie PI, nrs. 3.32-3.35) wordt als volgt geklaagd. Met zijn “oordeel” in rov. 2.7-2.17 EA heeft het hof in ieder geval miskend dat de verrassingsbevinding van de gerechtsdeskundigen in deze late fase van de procedure betekende dat Allianz c.s. in de gelegenheid had moeten worden gesteld om de vorderingen en/of de feitelijke grondslag van de al ingestelde vordering aan te passen en nader bewijs te leveren, in plaats van te oordelen dat Allianz c.s. onvoldoende heeft gesteld en het bewijsaanbod te passeren (PI, nr. 3.32). Deze gelegenheid had moeten worden geboden nadat het hof in een tussenarrest zou hebben geoordeeld over de vraag of het deskundigenbericht in de huidige vorm überhaupt gebruikt kon worden in deze procedure, zodat niet kan worden aanvaard dat Allianz c.s. hierop reeds bij MnD Allianz c.s. in méér detail had moeten ingaan dan zij heeft gedaan. [82] Het is een ontoelaatbare verrassingsbeslissing dat Allianz c.s. geen gelegenheid is gegeven haar stellingen en bewijs(aanbiedingen) op een tussenoordeel van het hof af te stemmen (PI, nr. 3.33). Het voorgaande klemt temeer/althans indien de gerechtsdeskundigen de grenzen van de vraagstelling en/of het partijdebat te buiten zijn gegaan, zoals in deze zaak het geval is (zoals betoogd in onderdeel I.A) (PI, nr. 3.34). [83]
subonderdeel I.B.2(zie PI, nrs. 3.36-3.40) wordt het volgende aangevoerd.
klacht a.
binnende grenzen van de rechtsstrijd; zie onderdeel I.A - een zekere mate van zelfstandigheid heeft om zijn taak naar beste weten te verrichten, en het in het algemeen aan de feitenrechter is om te bepalen of deze, bijvoorbeeld naar aanleiding van bezwaren van partijen, behoefte heeft aan voorlichting van de deskundige, had het hof in de hierboven geschetste omstandigheden van het geval en de bezwaren van Allianz c.s. niet, althans niet zonder nadere (hier ontbrekende) motivering, deze verzoeken mogen passeren om vervolgens Allianz c.s. volledig in het ongelijk te stellen. Dit geldt temeer/althans als het hof, zoals in het eindarrest, ook geen gelegenheid biedt tot nadere stellingname en bewijslevering (zie subonderdeel I.B.1). Het hof heeft hierop gerespondeerd met rov. 2.16 EA, maar deze overweging is onbegrijpelijk in het licht van de hierboven uiteengezette verwijzingen naar het procesdossier, waaruit genoegzaam blijkt dat partijen het erover eens waren dat er wél vervuiling in het koelwatersysteem aanwezig was vóór de eerste overdosering
biodetergent, alsmede dat er geen aanleiding was om aan een gaslekkage te denken. [87] Onder de gegeven omstandigheden is onbegrijpelijk dat het hof zich zonder meer “voldoende voorgelicht” acht en getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting dat het bewijsaanbod van Allianz c.s. is gepasseerd. Zie PI, nrs. 3.38-3.39. Dit is
klacht b.
klacht c.
klacht a.
zelfte stellen en zo nodig te bewijzen feiten.
Daarnaast zouden er bij een dergelijke gelegenheid ook andere deskundigen(van Nalco, van KWA en van de bedrijven die de conclusies van KWA onderschreven hebben)
moeten worden gehoord. Deze deskundigenkennen Nalco vanuit hun ervaringen bij andere koelwaterinstallaties en uit werkgroepen over koelwaterbehandeling, en zij weten hoe Nalco zich tegenover haar (potentiële) klanten profileert als bij uitstek deskundige waterbehandelaar. Daarnaast zijn zij er allemaal volledig van overtuigd dat Nalco in deze kwestie fu[n]damentele fouten heeft gemaakt, en zij vinden dat Nalco daar niet mee weg zou moeten kunnen komen door hun eigen rol of deskundigheid te bagettaliseren of de feiten te verdraaien. Zij willen dan ook erg graag bij het hof hun verhaal doen, en
hun professionele verontwaardigingover deze situatie over het voetlicht brengen.
7.20 Allianz en Ducor zullen met het oog hierop ook een (nader) bewijsaanbod opnemen.
7.21 Zonder enige bewijslast op zich te nemen die rechtens niet op hen rust, bieden Allianz en Ducor hierbij uitdrukkelijk nogmaals (tegen)bewijs aan, te leveren door alle middelen rechtens, betreffende alle feiten en omstandigheden die zij in deze memorie aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd.
7.22 Meer in het bijzonder bieden Allianz & Ducor aan de navolgende personen te doen horen, die
uit eigen betrokkenheid en wetenschapkunnen verklaren:
haar professionele meningover de toedracht van de onderhavige corrosieproblemen, het door haar uitgevoerde onderzoek, de met Nalco gevoerde gesprekken en de van Nalco ontvangen informatie;
zijn eigen professionele meningkan geven over de toedracht van de onderhavige corrosieproblemen en de rol van Nalco daarin;
zijn eigen professionele meningkan geven over de toedracht van de onderhavige corrosieproblemen en de rol van Nalco daarin;
zijn eigen professionele meningkan geven over de toedracht van de onderhavige corrosieproblemen en de rol van Nalco daarin;
loss adjusterbij [expertisebureau] B.V., en voorheen bij Crawford & Company B.V.), die
zijn professionele meningkan geven over de toedracht van de corrosieproblemen en de met Nalco gevoerde gesprekken.”
gerechtsdeskundigen, niet (ook) over (ii) dit bewijsaanbod voor zover dit betrekking heeft op MnD Allianz c.s., nr. 7.22 (waarop de klacht dus doelt). Het hof rept daarin van “de deskundige(n)”, en van “een nadere toelichting of aanvulling” in verbinding met “het deskundigenbericht”, waarmee het door het eindarrest steeds doelt op de gerechtsdeskundigen en hun deskundigenbericht. [98] Bovendien heeft het Hoge Raad-arrest waarop het hof zich hier onverkort beroept (zie rov. 2.16, vierde zin EA), [99] betrekking op een door de rechter benoemde deskundige, zoals in dit geval dus de gerechtsdeskundigen. Ad (ii) bestrijkt en verwerpt het hof met rov. 2.16,
laatste twee zinnenEA, Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht.
kantoestaan deskundigen die niet door de rechter zijn benoemd te doen horen, te honoreren. [100] Te minder, zou ik menen, indien de rechter - zoals hier - zich al heeft laten voorlichten door deskundigen die door die rechter zijn benoemd. Te minder nog, indien - zoals hier - aangedragen niet-benoemde deskundigen al aan het woord zijn gekomen. [101] Dit wordt nog niet anders door hetgeen de klacht aanvoert, nog daargelaten dat die dus feitelijke grondslag mist.
klacht b.
gerechtsdeskundigen, onder verwijzing naar MnD Allianz c.s., nrs. 2.5, 2.7 en 7.19. De klacht heeft in die zin dus feitelijke grondslag in het eindarrest, maar strandt niettemin.
biodetergent, alsmede dat er geen aanleiding was om aan een gaslekkage te denken”, faalt zij in het voetspoor van 3.8.2 en 3.15-3.22.1 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting. Het voorgaande wordt evenmin anders door de opmerking van Allianz c.s., waarop de klacht nog wijst, dat het horen van de gerechtsdeskundigen tevens een gelegenheid zou hebben geboden om andere deskundigen (van Nalco, KWA en overige deskundigen die KWA’s conclusies onderschreven hebben) te horen. Daarbij betrek ik, naast hetgeen ik schreef onder 3.29.6 en 3.30.4 hiervoor, wat het hof nog toevoegt in rov. 2.16, laatste twee zinnen EA. [105] Daaruit volgt immers dat Allianz c.s. niet aan haar stelplicht heeft voldaan, [106] in het licht van wat Nalco naar voren heeft gebracht en wat de gerechtsdeskundigen hebben bevonden. [107] Daaruit blijkt (mede) dat het hof hoe dan ook geen aanleiding ziet voor honorering van het bewijsaanbod van Allianz c.s. voor zover dit betrekking heeft op MnD Allianz c.s., nr. 7.22, geciteerd onder 3.29.3 hiervoor.
klacht c.
ontkrachtenvan de door de gerechtsdeskundigen buiten de door het partijdebat getrokken grenzen aangewezen
alternatieveschadeoorzaak, en vervolgens direct - zonder het geven van gelegenheid tot het leveren van nader bewijs - heeft geoordeeld dat daaraan niet is voldaan. [108] Los van de vraag of Allianz c.s. na de memoriewisseling na deskundigenbericht naar aanleiding van een te wijzen tussenarrest
andere grondslagen/méér bewijshad moeten kunnen aanvoeren (zie subonderdeel I.B.1), geeft ’s hofs oordeel in ieder geval blijk van een onjuiste rechtsopvatting over stelplicht en bewijslast(verdeling) uit hoofde van art. 150 Rv Pro. Zie PI, nrs. 3.41-3.42. Dit is
klacht a.
olielekkage). [110] De gerechtsdeskundigen hebben vervolgens (ten onrechte in het licht van het partijdebat; zie subonderdeel I.A.2) gesteld dat sprake ‘moet zijn geweest’ van een kleine gaslekkage. Allianz c.s. wijst in dit verband “op de verwijzingen naar het procesdossier zoals hierboven opgenomen”, alsook “op het PEWA-memorandum, waarin een bij uitstek deskundige oordeelt dat de voorgestelde hypothese van een gaslekkage onmogelijk is.” [111] In het licht hiervan is het onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat Allianz c.s. de door haar gestelde schadeoorzaak onvoldoende zou hebben onderbouwd. De op Allianz c.s. rustende bewijslast strekt rechtens niet zó ver dat zij buiten enige twijfel moest stellen dat de door de wederpartij en de gerechtsdeskundigen voorgestelde alternatieve schadeoorzaak geen stand kan houden, hoewel zij dat overigens met het PEWA-memorandum wél gedaan heeft. Allianz c.s. moest ten aanzien van
de door haarzelf gestelde schadeoorzaakfeiten stellen en bij betwisting bewijzen: dat heeft zij ook gedaan. Dat is voldoende om te voldoen aan haar bewijslast, en in ieder geval hoe dan ook voor toelating tot nadere bewijslevering (zie subonderdeel I.B.2). Niet kan worden verlangd van de partij die zich ter onderbouwing van haar vordering op schadeoorzaak A beroept, dat bij conclusie na deskundigenbericht spontaan sluitend bewijs wordt geleverd voor het
niet(kunnen) bestaan van een alternatieve schadeoorzaak B zoals pas bijgebracht in het deskundigenbericht, op straffe van het oordeel dat zij de door haar gestelde schadeoorzaak A onvoldoende heeft bewezen. Zie PI, nrs. 3.42-3.44. Dit is
klacht b.
klacht c.
klacht d. [114]
klacht a.
rechtsgevolgen. Dit kan logischerwijs meebrengen dat die partij een door de andere partij aangedragen (en door deskundigen gevolgde) alternatieve schadeoorzaak moet ontkrachten. [116]
klacht b.
buiten enige twijfel heeft gestelddat de door Nalco voorgestelde alternatieve schadeoorzaak geen stand kan houden; Allianz c.s. wat betreft de door haarzelf gestelde schadeoorzaak
feiten heeft gesteld en bewezen; en Allianz c.s.
voldoende heeft aangevoerd om te voldoen aan haar bewijslast. Dat moge het standpunt van Allianz c.s. zijn, maar de beantwoording van de vraag of het hof, anders dan het doet, inderdaad aldus ‘moest’ oordelen, valt buiten de grenzen van de cassatietoetsing. [119] Bewijswaardering is (bij uitstek) overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt (art. 152 lid 2 Rv Pro). Daaromtrent geldt een beperkte motiveringsplicht, zeker waar het gaat om de vraag hoe een deskundigenbericht moet worden uitgelegd en of het kan worden gevolgd. [120] De toetsing in cassatie van de begrijpelijkheid van een zodanig bewijsoordeel is navenant beperkt. [121] Kortom: voor zover in wezen wordt geklaagd dat het hof aldus ‘moest’ oordelen (waaronder dat Allianz c.s. is geslaagd in het bewijs dat, zoals zij het omschrijft, “de gebeurtenissen passend bij de KWA-hypothese de oorzaak zijn geweest van de corrosieschade”), loopt dit dus al zonder meer stuk op de grenzen aan de cassatietoetsing.
buiten enige twijfel moest stellendat de door Nalco en de gerechtsdeskundigen voorgestelde alternatieve schadeoorzaak géén stand kan houden, ontbeert de klacht feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindarrest. Dit oordeelt het hof daarin immers nergens, ook niet impliciet. Daarop stuit ook af het betoog dat van de partij die zich ter onderbouwing van haar vordering op schadeoorzaak A beroept niet kan worden verlangd dat bij conclusie/memorie na deskundigenbericht
spontaan sluitend bewijswordt geleverd voor het niet (kunnen) bestaan van een alternatieve schadeoorzaak B zoals pas bijgebracht in het deskundigenbericht, op straffe van het oordeel dat zij de door haar gestelde schadeoorzaak A onvoldoende heeft bewezen. Dergelijke bewijsvoering van de ondeugdelijkheid van de alternatieve schadeoorzaak (B) verlangt het hof niet in het eindarrest. Hetzelfde lot treft de klacht voor zover daarin wordt verondersteld dat het eindarrest de onder 3.35.4 hiervoor gecursiveerde oordelen wel bevat: zoals gezegd, in het eindarrest oordeelt het hof níet aldus.
klacht c.
klacht d.
nietheeft meegewogen in zijn oordeel”, het daarmee is voorbijgegaan aan essentiële stellingen van Allianz c.s., zodat zijn oordeel rechtens onjuist is en aan een motiveringsgebrek lijdt.
biodetergenthad kunnen verhogen en dit om onduidelijke redenen niet heeft gedaan. Ook komt daar nog bij dat het hof in rov. 2.3 EA nota ervan neemt dat Allianz c.s. in wat de gerechtsdeskundigen hebben vastgesteld in het deskundigenbericht aanknopingspunten ziet voor aansprakelijkheid van Nalco. [133] Daarmee is reeds gegeven dat geen hout snijdt het betoog van Allianz c.s. dat het hof in het eindarrest de bedoelde 16 citaten in het geheel niet heeft meegewogen in zijn oordeel. Dat het hof in het eindarrest (onder de streep) niet naar de zin van Allianz c.s. heeft geoordeeld, is uiteraard iets anders en doet aan het voorgaande niet af.
geheelstilleggen van de fabriek en dat - nu uit eerdere stellingen van Allianz c.s. zou kunnen worden afgeleid dat Ducor daartoe niet bereid was - er geen reden bestaat om aan te nemen dat andere acties van Nalco (ten aanzien van de
biodetergent-dosering en het waarschuwen van Ducor) de schade hadden kunnen voorkomen, zodat het vereiste causaal verband tussen tekortkoming en schade ontbreekt. Deze overwegingen zijn onjuist althans onbegrijpelijk gemotiveerd tegen de achtergrond van het partijdebat en de overwegingen van de gerechtsdeskundigen. Ten aanzien van de
biodetergent-dosering geven de gerechtsdeskundigen zelf namelijk óók aan dat de microbiologische vervuiling (die tot de corrosie heeft geleid) wellicht voorkomen had kunnen worden door de juiste
biodetergent- en chloordoseringen, wat volgens het tussenarrest tot Nalco’s contractuele verplichtingen behoorde. [134] Ten aanzien van het stilleggen van de fabriek geldt dat Allianz c.s. - maar ook Nalco - in de processtukken meermaals heeft aangegeven dat het ook mogelijk was om een specifieke productielijn stil te leggen om onderzoek te doen naar de oorzaken van de vervuiling/oplopende corrosie en/of om problemen op te lossen. [135] Tegen deze achtergrond geeft ’s hofs oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. [136] Zie PI, nrs. 4.11-4.15. Dit is
klacht a.
klacht b.
klacht c.
klacht d.
klacht a.
biodetergent- en chloordoseringen. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof dit laatste niet leest in die passage. [141] Daarbij komt dan nog dat zelfs als dit laatste volgens de gerechtsdeskundigen “wellicht” zo zou zijn (wat dus niet in het deskundigenbericht staat en waarvan het hof dus evenmin uitgaat), dit naar de aard onverlet laat wat het hof oordeelt in rov. 2.10, voor-voorlaatste zin EA [142] en rov. 2.15 EA. [143]
door de fabriek geheel stil te leggenom de bron te vinden en het lek te dichten. [144] Daaraan staan die stellingen niet in de weg. [145]
klacht b.
klacht c.