Conclusie
(hierna: de moeder)
(hierna: de vader)
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
mogelijkonvoldoende gelukt door de korte termijn’ en ‘
Niet uit te sluiten valtdat dit door tijdgebrek is gekomen’, cursivering A-G; zie ook rov. 5.5, eerste alinea, slot, van de bestreden beschikking: ‘(…) de moeder
mogelijkin haar verweermogelijkheden tegen dit verzoek is geschaad’, cursivering A-G). Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat de advocaat van de moeder in appel mogelijk een andere visie had op het te voeren verweer tegen het aanvullend verzoek van de vader, dan de advocaat van de moeder in eerste aanleg. Een aanwijzing hiervoor is te vinden in nr. 42 van het appelschrift (‘Dat wordt in feite bevestigd door het oordeel van de rechter dat [de minderjarige] heel erg behoefte zou hebben aan een dergelijke beslissing: dat is pure interpretatie waartegen goed verweerd had moeten worden. (…) Ook is geen verweer gevoerd tegen het ontbreken van gewijzigde omstandigheden, wat wel voor de hand had gelegen.’).
onderdeel 2wordt betoogd dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 5.5 te beslissen dat de rechtbank geen beginsel van goede procesorde of enig ander fundamenteel beginsel van procesrecht heeft geschonden door het aanvullend verzoek van de vader te behandelen in de lopende procedure waarin de rechtbank al had beslist op het eerdere verzoek van de vader met betrekking tot ouderlijk gezag. Het middel zet dit als volgt uiteen. Bij beschikking van 20 december 2021 heeft de rechtbank een bindende eindbeslissing gegeven, waarin het verzoek van de vader om de ouders met het gezamenlijk gezag over de minderjarige te belasten is toegewezen. De vader kon zijn verzoek betreffende het gezag in die procedure dus niet meer wijzigen. Het aanvullend verzoek van de vader van 14 februari 2023 is buiten de appeltermijn ingediend. De beschikking van 20 december 2021 is in kracht van gewijsde gegaan. Het hof zou dan ook hebben miskend dat de rechtbank de vader niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn aanvullend verzoek.
Vervolgens is aan de orde de vraag of de rechtbank dit verzoek van de vader in de lopende bodemprocedure kon behandelen, nu zij daarin al had beslist op een eerder verzoek van de vader met betrekking tot gezag. Het hof is van oordeel dat de rechtbank met deze gang van zaken geen beginsel van goede procesorde of enig ander fundamenteel beginsel van procesrecht heeft geschonden. Voorts is gesteld noch gebleken dat de moeder door de behandeling in de reeds lopende procedure in enig belang is geschaad, te meer niet nu de rechtbank in het andere geval de voeging van beide procedures had kunnen bevelen (art. 285 lid 2 Rv Pro). Het gaat hier immers om verknochte onderwerpen. Toewijzing van het verzoek om eenhoofdig gezag betekent dat de woonplaats van [de minderjarige] op grond van artikel 1:12 BW Pro van rechtsweg bij de vader zou zijn en voorts dat aan hem ook de beslissing over zijn hoofdverblijfplaats zou toekomen. De ouders zijn bovendien nu al geruime tijd met elkaar in verschillende procedures bij verschillende rechtbanken en hoven verwikkeld en is het niet in het belang van [de minderjarige] als informatie en beslissingen over hem nog meer versplinterd zouden raken, en de onzekerheid over het gezag en zijn hoofdverblijfplaats nog langer voort zou duren.
(…).’