ECLI:NL:PHR:2024:961

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
16 september 2024
Zaaknummer
23/01050
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 SvArt. 207 SrArt. 445 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen afwijzing beklag meineed officier van justitie

De klaagster diende een beklag in tegen het besluit van het hof Den Haag dat de vervolging van een officier van justitie wegens vermeende meineed niet werd bevolen. De klacht betrof valse verklaringen die de beklaagde als getuige zou hebben afgelegd tijdens een voorlopig getuigenverhoor bij de rechter-commissaris in civiele zaken.

Na een langdurige procedure waarin het hof de beklaagde heeft gehoord en het beklag heeft behandeld, oordeelde het hof dat niet vaststaat dat de beklaagde opzettelijk valse verklaringen heeft afgelegd. De officier van justitie besloot de aangifte niet verder te vervolgen, wat het hof bevestigde.

De klaagster stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking, met het argument dat het hof het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor had geschonden. De advocaat-generaal concludeert echter dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is omdat het Wetboek van Strafvordering geen voorziening biedt voor cassatie tegen beslissingen op beklag zoals bedoeld in artikel 12 Sv Pro.

De conclusie benadrukt dat de Hoge Raad het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet doorbreekt, ook niet bij vermeende schendingen van fundamentele rechtsbeginselen, en verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin dit standpunt is bevestigd. De klaagster wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep.

Uitkomst: De klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep tegen de afwijzing van het beklag wegens meineed.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01050 B
Zitting17 september 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klaagster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de klaagster

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 22 februari 2023 het op grond van art. 12 Sv Pro ingediende klaagschrift dat zich richt tegen de beslissing van de officier van justitie om V.S.T. Leenders (voormalig officier van justitie), hierna: de beklaagde, niet te vervolgen wegens meineed (art. 207 Sr Pro) en dat ertoe strekt dat het hof de vervolging tegen de beklaagde zal bevelen, afgewezen.
1.2
Het cassatieberoep is op 6 maart 2023 ingesteld namens de klaagster. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt geklaagd dat “het oordeel van het hof dat niet blijkt dat beklaagde als getuige bij de rechter-commissaris opzettelijk valse verklaringen heeft afgelegd over de aard van de verdenking en over de eventuele verjaring daarvan, waardoor beklaagde redelijkerwijs niet als verdachte van meineed had moeten, kan of zou kunnen worden aangemerkt, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd.”
1.3
Deze conclusie leidt tot de slotsom dat de klaagster niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.

2.De procesgang

2.1
Chronologisch is de zaak – voor zover daarvan blijkt uit de in cassatie ter beschikking staande stukken – als volgt verlopen.
2.2
Op 6 augustus 2020 is namens de klaagster schriftelijk aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie dat de beklaagde op 29 oktober 2015, tijdens een voorlopig getuigenverhoor bij de rechter-commissaris in civiele zaken in de rechtbank Den Haag, meinedig zou hebben verklaard.
2.3
Bij brief van 9 september 2020 is door het Openbaar Ministerie aan de raadsman van de klaagster bericht dat de aangifte in behandeling is genomen door de officier van justitie.
2.4
Na meerdere pogingen van de raadsman van de klaagster om door de officier van justitie te worden bericht over de vervolgingsbeslissing is namens de klaagster bij brief van 27 mei 2021 het onder randnr. 1.1 bedoelde ingediend dat ter griffie van het hof is ingekomen op 31 mei 2021. Tot het moment van het indienen van het klaagschrift had de officier van justitie nog geen beslissing genomen op de aangifte van de klaagster.
2.5
Op 22 maart 2022 heeft de officier van justitie alsnog een afdoeningsbeslissing genomen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die kunnen leiden tot een redelijke verdenking van meineed, zodat de aangifte van de klaagster niet verder in behandeling zal worden genomen.
2.6
De advocaat-generaal bij het hof heeft in het schriftelijk verslag van 9 juni 2022 het hof geadviseerd het beklag met toepassing van art. 12c Sv zonder nader onderzoek kennelijk ongegrond te verklaren.
2.7
Op 7 september 2022 is het klaagschrift met gesloten deuren in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van de advocaat-generaal bij het hof, de gemachtigde van de klaagster en haar beide raadslieden. De advocaat-generaal bij het hof heeft het hof – overeenkomstig het schriftelijk verslag van 9 juni 2022 – geadviseerd het beklag af te wijzen.
2.8
Het hof heeft bij tussenbeschikking van 27 september 2022 het onderzoek in raadkamer heropend en geschorst en bepaald dat de beklaagde zal worden gehoord.
2.9
Op 24 januari 2023 is het onderzoek met gesloten deuren in raadkamer van het hof hervat en is de beklaagde gehoord. Aansluitend heeft de advocaat-generaal bij het hof wederom het hof geadviseerd het beklag af te wijzen.
2.1
Bij eindbeschikking van 22 februari 2023 heeft het hof het beklag afgewezen. Het hof heeft daartoe overwogen “dat – ondanks alle namens klaagster aangevoerde argumenten – niet blijkt dat beklaagde als getuige bij de rechter-commissaris
opzettelijkvalse verklaringen heeft afgelegd over de aard van de verdenking en over de eventuele verjaring daarvan. Het hof is dan ook met het Openbaar Ministerie van oordeel dat de door klaagster aangedragen feitelijkheden er niet toe kunnen leiden dat beklaagde redelijkerwijs als verdachte van meineed had moeten, kan of zou kunnen worden aangemerkt.” Het hof overweegt verder dat de beslissing van de officier van justitie om in deze zaak geen nader onderzoek te laten verrichten in stand kan blijven.

3.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1
Het cassatieberoep is mijns inziens niet-ontvankelijk en wel om de navolgende redenen.
3.2
Op grond van art. 445 Sv Pro staat tegen beschikkingen cassatieberoep alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald. Het Wetboek van Strafvordering bevat geen bepaling op grond waarvan cassatieberoep openstaat tegen een beschikking op een beklag als bedoeld in art. 12 Sv Pro. Zo’n bepaling is ook niet te vinden in een andere wet. Daarom kan de klaagster (in beginsel) niet in haar beroep in cassatie worden ontvangen. [1]
3.3
De steller van het middel is zich bewust van deze ontvankelijkheidsdrempel en betoogt dat in dit geval een uitzondering moet worden gemaakt op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. In het licht daarvan wordt aangevoerd dat het rechtsmiddelenverbod niet absoluut is en dat uit de rechtspraak van de civiele kamer van de Hoge Raad en de civiele literatuur blijkt dat er ruimte is voor uitzonderingen. Die uitzondering kan zich voordoen als de rechter a. het desbetreffende wetsartikel ten onrechte heeft toegepast, b. het desbetreffende wetsartikel ten onrechte niet heeft toegepast, of c. zo fundamentele rechtsbeginselen heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken. [2]
3.4
Volgens de steller van het middel heeft het hof een fundamenteel rechtsbeginsel, te weten het beginsel van hoor en wederhoor, geschonden. De klaagster meent dat de beklaagde tijdens zijn voorlopig getuigenverhoor van 29 oktober 2015 bij de rechter-commissaris in civiele zaken in strijd met de waarheid heeft verklaard dat de strafzaak tegen de klaagster op het punt stond te verjaren. Het hof heeft in zijn eindbeschikking van 22 februari 2023 overwogen dat niet blijkt dat de beklaagde opzettelijk valse verklaringen heeft afgelegd over de aard van de verdenking en over de eventuele verjaring daarvan. Uit het bij de aangifte van de klaagster gevoegde proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor van de beklaagde bij de rechter-commissaris in civiele zaken van 29 oktober 2015 blijkt echter dat de beklaagde – zonder voorbehoud – heeft verklaard dat “de mogelijkheden tot vervolging op het punt stonden te verjaren”. De klaagster heeft niet kunnen reageren op de stelling dat de beklaagde zou hebben verklaard over een
eventueleverjaring, omdat die stelling enkel door het hof en voor het eerst pas in de bestreden beschikking is ingenomen. Gelet op de schending van het beginsel van hoor en wederhoor zou volgens de steller van de schriftuur een doorbreking van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zijn gerechtvaardigd en zouden de aard, de ernst en het belang van de zaak met zich brengen dat de Hoge Raad oordeelt over het voorgestelde cassatiemiddel.
3.5
Het in de schriftuur gestelde noopt mijns inziens niet tot de bepleite doorbreking van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. In dat verband wijs ik erop dat de strafkamer van de Hoge Raad de lijn van de civiele kamer niet volgt als het gaat om de vraag of het gesloten stelsel van rechtsmiddelen kan worden doorbroken. De strafkamer overweegt daarbij telkens dat het openstellen van rechtsmiddelen een taak is voor de wetgever en dat een doorbreking van het stelsel buiten de rechtsvormende taak van de Hoge Raad valt. [3] Ik zie niet in waarom dat in het onderhavige geval anders zou liggen, [4] ook niet als zou worden uitgegaan van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel. [5]
3.6
Op basis van het voorgaande meen ik dat de klaagster niet kan worden ontvangen in het ingestelde cassatieberoep, zodat het middel geen bespreking behoeft. Mocht de Hoge Raad hierover anders oordelen, dan ben ik uiteraard graag bereid aanvullend te concluderen.

4.Slotsom

4.1
Het middel behoeft geen bespreking.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. HR 18 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZD1099,
2.B.T.M. van der Wiel (red.) e.a.,
3.A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers,
4.Vgl. bijvoorbeeld ook HR 6 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1185,
5.Vgl. HR 6 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1529,