ECLI:NL:PHR:2024:977

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 september 2024
Publicatiedatum
19 september 2024
Zaaknummer
23/04528
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:19 lid 4 BWArt. 2:23c lid 1 BWArt. 143 RvArt. 224 RvArt. 407 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens frustratie van verhaal na turboliquidatie vennootschap

Global Pack kocht een machine van DPPT die nooit werd geleverd. Na dagvaarding van DPPT werd deze vennootschap turboliquidatie ontbonden, waarbij activa en schulden (behalve de schuld aan Global Pack) werden overgedragen aan een zustervennootschap, Dupatech.

Global Pack vorderde vervolgens betaling van Vité c.s., indirect bestuurders/aandeelhouders, wegens onrechtmatige daad door frustratie van verhaal. De rechtbank en het hof wezen de vorderingen grotendeels toe, waarbij het hof oordeelde dat de vordering van Global Pack op DPPT vaststaat door het verstekvonnis en dat Vité c.s. onvoldoende hadden gemotiveerd dat er geen causaal verband was.

In cassatie voerden Vité c.s. aan dat het hof ten onrechte niet de aansprakelijkheid van DPPT en de omvang van de schade had beoordeeld, dat de verzwaarde motiveringsplicht te zwaar was toegepast en dat bewijsaanbiedingen ten onrechte waren gepasseerd. De Hoge Raad verwierp deze klachten, bevestigde het oordeel van het hof en wees op het ontbreken van een verplichting tot heropening van de vereffening van DPPT.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Vité c.s. wordt verworpen en hun aansprakelijkheid voor frustratie van verhaal wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04528
Zitting20 september 2024
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak

1.Vité Beheer B.V. (hierna: Vité),

2. Dupatech B.V. (hierna:
Dupatech),
3. [eiser 3] (hierna:
[eiser 3]),
(hierna gezamenlijk:
Vité c.s., in vrouwelijk enkelvoud),
tegen
Global Pack Packaging Solutions Inc. (hierna:
Global Pack).
Inleiding
In deze zaak is, kort gezegd, Vité c.s. veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan Global Pack uit onrechtmatige daad. Het verwijt komt erop neer dat zij het verhaal van Global Pack voor een vordering op Dutch Printing & Packaging Technology B.V. (hierna:
DPPT) heeft gefrustreerd door, daags nadat DPPT door Global Pack was gedagvaard, al het vermogen van DPPT - met uitzondering van de schuld aan Global Pack - over te dragen aan een zustervennootschap (Dupatech) en DPPT te turboliquideren. Vité c.s. komt in cassatie op tegen deze veroordeling, m.i. zonder succes.

1.Feiten

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 2.3-2.5 van het bestreden arrest [1] (hierna: het
arrest). De kern van de zaak heeft het hof dan, ter inleiding, als volgt weergegeven:
“2.1. Global Pack heeft bij [DPPT, A-G] een machine gekocht. Deze machine is nooit bij Global Pack in Canada aangekomen. Global Pack heeft DPPT gedagvaard om de koopprijs terug te betalen en haar schade te vergoeden. Vlak na die dagvaarding is DPPT door een turboliquidatie opgehouden te bestaan. Voorafgaand aan deze turboliquidatie zijn alle activa en schulden van DPPT, behalve de schuld aan Global Pack, overgenomen door Dupatech. Global Pack spreekt in verband daarmee nu Vité c.s. aan.”
1.1
Tot medio september 2019 was [eiser 3] enig aandeelhouder en bestuurder van Vité. Vité was op dat moment enig aandeelhouder en bestuurder van onder andere DPPT en Holding Dupatech B.V. (hierna:
Holding).
1.2
Holding was destijds samen met Hiems B.V. (hierna:
Hiems), waarvan [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]) de aandeelhouder is, aandeelhouder en bestuurder van Dupatech Injection Moulding B.V. (hierna:
DIM). Vité is of was ook 49% aandeelhouder in de Turkse onderneming Dupatech Makine iMalat Sanayi ve ticaret A.S. (hierna:
DMI SA).
1.3
Op 14 december 2018 heeft Global Pack een machine gekocht van DPPT, handelend onder de naam ‘Dupatech’ (hierna: de
machine). De machine is geproduceerd door DMI SA, maar verduisterd en nooit naar Global Pack verscheept. Global Pack heeft vervolgens op 16 augustus 2019 de koopovereenkomst met DPPT ontbonden en op 30 augustus 2019 ten laste van DPPT conservatoire beslagen proberen te leggen, die echter geen doel hebben getroffen.
1.4
Op 12 september 2019 heeft Global Pack aan DPPT een dagvaarding laten betekenen. In de daarmee aangespannen procedure is op 15 januari 2020 bij verstek uitspraak gedaan [2] (hierna: het
verstekvonnis). Daarbij heeft de rechtbank Rotterdam voor recht verklaard dat de koopovereenkomst is ontbonden, en DPPT veroordeeld om diverse bedragen aan Global Pack te betalen.
1.5
DPPT is op 17 september 2019 in een turboliquidatie ontbonden wegens gebrek aan baten. Voorafgaand aan deze turboliquidatie zijn alle activa en schulden van DPPT, behalve de schuld aan Global Pack, ondergebracht in DIM (oftewel Dupatech, zie onder 1.7 hierna).
1.6
In september/oktober 2019 heeft ook een herstructurering van de Dupatech-groep plaatsgevonden, waarbij Vité 40% van haar aandelen in Holding aan Hiems heeft verkocht. De resterende 60% aandelen in Holding heeft [eiser 3] ondergebracht in een nieuwe besloten vennootschap, Alvi B.V. Vervolgens is Holding enig aandeelhouder en bestuurder geworden van DIM.
1.7
Op 11 oktober 2019 is de statutaire naam van DIM veranderd in Dupatech B.V.

2.Procesverloop

In eerste aanleg

2.1
Global Pack heeft op 13 november 2019 Vité c.s. gedagvaard voor de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem (hierna: de
rechtbank). Zij heeft gevorderd, voor zover in cassatie nog van belang en kort gezegd, dat Vité c.s. hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van diverse bedragen deels corresponderend met hetgeen DPPT op grond van het verstekvonnis aan Global Pack moet betalen.
2.2
Vité c.s. heeft verweer gevoerd.
2.3
Op 2 september 2020 heeft de rechtbank een vonnis in incident gewezen. [3] Dit is in cassatie niet van belang.
2.4
Op 14 mei 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan zijn processen-verbaal opgemaakt. [4]
2.5
Bij vonnis van 15 december 2021 [5] (hierna: het
vonnis) heeft de rechtbank de vorderingen van Global Pack grotendeels toegewezen.
In hoger beroep
2.6
Bij dagvaarding van 15 maart 2022 is Vité c.s. in hoger beroep gekomen van het vonnis bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem (hierna: het
hof).
2.7
Op 23 augustus 2022 heeft Vité c.s. een memorie van grieven genomen.
2.8
Op 1 november 2022 heeft Global Pack een memorie van antwoord genomen.
2.9
Op 7 juni 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt, waarop een reactie is gekomen van Vité c.s.
2.1
Bij het arrest heeft het hof het vonnis bekrachtigd, met veroordeling van Vité c.s. in de kosten.
2.11
Over de vordering van Global Pack op DPPT oordeelt het hof het volgende:

De vordering van Global Pack op DPPT staat vast
3.2.
Vité c.s. komen ertegen op dat de rechtbank heeft geoordeeld dat niet meer beoordeeld hoeft te worden of DPPT tegenover Global Pack aansprakelijk is. Het hof volgt Vité c.s. niet in hun betoog. Met het verstekvonnis is vastgesteld dat Global Pack een vordering heeft op DPPT. Tegen dit verstekvonnis is geen rechtsmiddel ingesteld. DPPT heeft tegen deze vordering ook geen verweer gevoerd. Tussen DPPT en Global Pack staat dus vast dat Global Pack een vordering heeft op DPPT in de omvang van het verstekvonnis. Op de vraag of DPPT aansprakelijk was jegens Global Pack hoeft het hof dus niet meer in te gaan. Ook de omvang van de vordering van Global Pack op DPPT hoeft niet meer beoordeeld te worden.
3.3.
Dat de in het verstekvonnis tussen Global Pack en DPPT vastgestelde feiten geen gezag van gewijsde hebben in het dispuut tussen Global Pack en Vité c.s. maakt dat niet anders. Global Pack heeft Vité c.s. namelijk niet aangesproken omdat de machine niet geleverd is, maar omdat Vité c.s. onrechtmatig hebben gehandeld als (indirect) bestuurders, aandeelhouders en wederpartij van DPPT door, kort gezegd, verhaal voor de vordering op DPPT te frustreren. Het hof komt ook niet aan een (her)beoordeling van de vordering van Global Pack op DPPT toe op de door Vité c.s. gestelde grond dat in de hypothetische situatie dat de beweerdelijke onrechtmatige daad van Vité c.s. niet zou hebben plaatsgevonden, door DPPT alsnog verzet zou zijn ingesteld en door haar verweer zou zijn gevoerd tegen deze vordering van Global Pack. Dit standpunt van Vité c.s. miskent dat het relevante verwijt van Global Pack niet is dat een turboliquidatie heeft plaatsgevonden, maar dat verhaal voor de vordering is gefrustreerd. Het hypothetische scenario waarmee moet worden vergeleken is dat deze beweerdelijke frustratie van verhaal niet zou hebben plaatsgevonden. Dat Global Pack de vereffening had moeten heropenen en DPPT dan alsnog na kennisneming van het verstekvonnis in verzet verweer had kunnen voeren, volgt het hof ook niet. Global Pack was niet gehouden de vereffening van DPPT te heropenen. Vité c.s. zelf hebben dat ook niet gedaan en ook niet onderbouwd waarom zij daartoe gerechtigd zouden zijn. De vordering van Global Pack op DPPT staat daarom vast.”
2.12
In rov. 3.4-3.6 zet het hof het juridisch kader voor bestuurdersaansprakelijkheid uiteen, en geeft het een samenvatting/vooraankondiging van het aansprakelijkheidsoordeel betreffende Vité en [eiser 3] dat het in de daaropvolgende rechtsoverwegingen uiteenzet.
2.13
In rov. 3.7-3.9 zet het hof uiteen op welke gronden het van oordeel is dat Vité en [eiser 3] wisten of hadden moeten weten dat Global Pack een vordering op DPPT zou hebben en dat als gevolg van hun handelen DPPT geen verhaal zou bieden.
2.14
In rov. 3.10-3.17 bespreekt het hof (mede) het causaal verband tussen het handelen van Vité en [eiser 3] en de schade van Global Pack. Het hof overweegt in dat verband onder meer:

Zonder het handelen van Vité Beheer en [eiser 3] zou er voldoende verhaal zijn geweest
3.10.
Vité c.s. betwisten echter ook dat zij aansprakelijk zijn, omdat volgens hen Global Pack ook geen verhaal zou hebben gehad als de turboliquidatie en het overnemen van de activa en passiva van DPPT niet zouden hebben plaatsgevonden. Om die reden hebben Vité Beheer en [eiser 3] verhaal niet gefrustreerd en ontbreekt volgens Vité c.s. het causale verband tussen de onrechtmatige daad en de schade.
3.11.
Het hof stelt voorop dat gezien de zeggenschap van Vité Beheer (als aandeelhouder en bestuurder) over DPPT en Dupatech en de verwevenheid van de bedrijfsvoering van DPPT en Dupatech, waarbij volgens de boekhouder van DPPT sinds april 2018 feitelijk de (financiële) bedrijfsvoering van DPPT door Dupatech werd gedaan (zie memorie van grieven 6.3 en productie 30 eerste aanleg van Vité c.s.), op Vité Beheer en [eiser 3] een verzwaarde motiveringsplicht rust. Van hen mag verwacht worden ter motivering van hun betwisting concrete informatie te verschaffen om Global Pack aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Het hof oordeelt dat Vité Beheer en [eiser 3] onvoldoende aan deze verzwaarde motiveringsplicht hebben voldaan.”
2.15
In rov. 3.12-3.18 zet het hof (mede) uiteen waarom Vité en [eiser 3] niet aan die verzwaarde motiveringsplicht hebben voldaan, en ook Dupatech aansprakelijk is jegens Global Pack.
2.16
In rov. 3.19 passeert het hof het bewijsaanbod van Vité c.s. als volgt:

Bewijsaanbiedingen
3.19.
Het hof gaat voorbij aan de verschillende aanbiedingen tot het leveren van bewijs [van, A-G] Vité c.s., omdat deze, voor zover al voldoende concreet, niet kunnen leiden tot een ander oordeel en omdat het hof aan bewijs niet toekomt nu Vité c.s. onvoldoende heeft voldaan aan haar verzwaarde motiveringsplicht, zoals hierboven uiteengezet.”
2.17
Het hof sluit in rov. 3.20-3.22 af met een slotsom, gevolgd door het dictum in rov. 4.1-4.5.
In cassatie
2.18
Bij procesinleiding van 22 november 2023 heeft Vité c.s. (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest.
2.19
Global Pack heeft geconcludeerd tot verwerping.
2.2
Beide partijen hebben een schriftelijke toelichting gegeven.
2.21
Vité c.s. heeft gerepliceerd, Global Pack heeft gedupliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel van Vité c.s. begint op p. 2 met een inleiding zonder klachten. Het middel bestaat verder uit twee onderdelen (1-2), beide met meerdere subonderdelen.
Onderdeel 1(“Bestaan en omvang vordering”)
3.2
Onderdeel 1 bevat drie subonderdelen. Het richt rechtsklachten tegen rov. 3.2-3.3 van het arrest, geciteerd onder 2.11 hiervoor.
3.2.1
Subonderdeel 1.1komt op tegen het oordeel dat in het licht van het verstekvonnis niet meer hoeft te worden beoordeeld of DPPT jegens Global Pack aansprakelijk is en voor welk bedrag. Dit oordeel miskent dat de aansprakelijkheid van Vité c.s. mede beoordeeld moet worden aan de hand van feiten en omstandigheden die rond de levering van de machine hebben plaatsgevonden. De verwijten die Global Pack maakt aan het adres van Vité c.s. zien immers op handelingen die vóór het wijzen van het verstekvonnis hebben plaatsgevonden, zoals Vité c.s. ook heeft gesteld. Daarom kan de aansprakelijkheid van Vité c.s. ook niet worden losgezien van de vaststelling van de aansprakelijkheid en de omvang van de schade als gevolg van het niet leveren van de machine.
3.2.2
Subonderdeel 1.2klaagt dat het oordeel bovendien erop neerkomt dat op Vité en [eiser 3] [6] als (in)direct bestuurders van DPPT een kwalitatieve aansprakelijkheid zou rusten, omdat zij zonder enige inhoudelijke beoordeling (van zowel de aansprakelijkheid als de omvang van de schade) van de onderliggende vordering waarop zij worden aangesproken jegens Global Pack aansprakelijk zouden zijn. Dit is onjuist, want bestuurders zijn slechts in uitzonderlijke gevallen aansprakelijk voor (rechts)handelingen van de vennootschap waarvan zij bestuurder zijn, zodat bij het verwijt van verhaalsfrustratie in ieder geval de schade en het causale verband tussen de hen verweten handelingen en de gestelde schade door de rechter moet worden vastgesteld. De omvang van de schade die het gevolg is van de verweten handelingen is immers niet simpelweg gelijk te stellen aan de totale vordering die in het verstekvonnis tegen DPPT is toegewezen.
3.2.3
Subonderdeel 1.3is gekant tegen het oordeel dat Global Pack niet was gehouden de vereffening van DPPT te heropenen. Dit oordeel is onjuist, omdat - zoals Vité c.s. heeft gesteld - DPPT na zo’n heropening kennis had genomen van het verstekvonnis en daartegen een rechtsmiddel had kunnen instellen. Pas na ommekomst van de termijn voor het instellen van dit rechtsmiddel, of zodra zou zijn gebleken dat ondanks het instellen van dit rechtsmiddel (een deel van) Global Packs vordering in stand was gebleven, had kunnen worden vastgesteld dat Global Pack een vordering heeft op DPPT. In de te heropenen vereffening zou ook zijn gebleken in hoeverre DPPT tot voldoening van de schuld aan Global Pack in staat zou zijn geweest, en in hoeverre een mogelijk tekort zou kunnen worden toegerekend aan mogelijk verwijtbare onttrekking van verhaalsmogelijkheden. Nu Global Pack de vereffening niet heeft heropend, kon het hof dan ook niet oordelen dat (de omvang van) die vordering met het verstekvonnis vaststaat en dienen in de onderhavige procedure alsnog het causaal verband en de schadeomvang van Global Packs vordering op DPPT te worden vastgesteld. Door dit achterwege te laten, heeft het hof Global Pack zonder enige rechtvaardiging feitelijk drie extra debiteuren voor haar gehele vordering aangereikt.
Behandeling
3.3
De subonderdelen falen, gelet op het volgende.
3.4
Te beginnen met
subonderdeel 1.1.
3.4.1
In rov. 3.2-3.3 van het arrest bespreekt het hof de grief tegen de overweging in het vonnis dat niet meer beoordeeld hoeft te worden of DPPT tegenover Global Pack aansprakelijk is. [7] Het hof verwerpt die grief, omdat - kort gezegd - het verstekvonnis inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan, zodat tussen DPPT en Global Pack vaststaat dat Global Pack een vordering heeft op DPPT in de omvang van het verstekvonnis (rov. 3.2). Dit laatste wordt volgens het hof niet anders door de argumenten van Vité c.s. die het langsloopt en gemotiveerd verwerpt in rov. 3.3.
3.4.2
Het oordeel in rov. 3.2-3.3 is duidelijk de opmaat voor de beoordeling in rov. 3.4-3.18 (die vijf pagina’s beslaan) of, zoals volgens het hof door Global Pack verweten aan Vité c.s., laatstgenoemde als (indirect) bestuurder/aandeelhouder/wederpartij van DPPT toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens Global Pack door betaling van en verhaal voor Global Packs vordering op DPPT te frustreren. Die beoordeling maakt het hof, met inachtneming ook van het partijdebat, aan de hand van op die verhaalsfrustratie toegesneden feiten en omstandigheden.
3.4.3
Het hof kon de vordering van Global Pack op Vité c.s. ook zo begrijpen. Vaststaat dat Global Pack Vité c.s. onder meer heeft verweten het verhaal voor haar vordering op DPPT te hebben gefrustreerd. [8] In cassatie wordt ook niet anders betoogd. Voor zover het al zo zou zijn dat Global Pack daarnaast een te onderscheiden verwijt heeft gemaakt aan Vité c.s. in verband met de levering van de machine is dat niet relevant, want een dergelijk verwijt legt het hof dus helemaal niet aan het oordeel ten grondslag.
3.4.4
In dit licht is derhalve onjuist noch onbegrijpelijk dat het hof geen aanleiding ziet tot het ook betrekken van feiten en omstandigheden die plaatsvonden rond de levering van de machine, vallend buiten de op die verhaalsfrustratie toegesneden feiten en omstandigheden. Daaraan doet niet af dat het onder 3.4.2 hiervoor bedoelde verwijt van verhaalsfrustratie door Vité c.s. ziet op een gedragslijn van Vité c.s. die dateert van vóór het wijzen van het verstekvonnis. Dit laatste maakt immers nog niet dat ter beoordeling van dát specifieke verwijt van Global Pack toch ook betekenis toekomt aan die feiten en omstandigheden rond de levering van de machine, al dateren die dus eveneens van vóór het verstekvonnis. Hetzelfde geldt logischerwijs voor andere feiten en omstandigheden die dateren van vóór het verstekvonnis, maar buiten de op die verhaalsfrustratie toegesneden feiten en omstandigheden vallen. Daarmee ontvalt tevens de bodem aan de slotzin van het subonderdeel.
3.5
Dan
subonderdeel 1.2.
3.5.1
Voor zover dit klaagt dat uit rov. 3.2-3.3 van het arrest volgt (i) dat Vité en [eiser 3] door Global Pack worden aangesproken voor de onderliggende vordering van Global Pack op DPPT, en (ii) dat op Vité en [eiser 3] als (in)direct bestuurders van DPPT een “kwalitatieve aansprakelijkheid” rust, mist het subonderdeel feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Ik licht dit toe onder 3.5.2-3.5.3 hierna.
3.5.2
Het is evident dat het hof in het arrest ervan uitgaat dat Global Pack Vité c.s. aanspreekt niet omdat de machine niet geleverd is, maar omdat Vité c.s. toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld als (indirect) bestuurder/aandeelhouder/wederpartij van DPPT door betaling van en verhaal voor Global Packs vordering op DPPT te frustreren. Zie bijvoorbeeld rov. 3.3, waarin het hof dit al vaststelt. Dat dit niet onbegrijpelijk is, volgt reeds uit 3.4.2-3.4.3 hiervoor. Kortom: ad (i) doet zich in werkelijkheid dus niet voor.
3.5.3
Het is ook evident dat in ’s hofs opzet van het arrest geen sprake ervan is dat Vité c.s. reeds vanwege een bepaalde hoedanigheid die zij had, los van de vraag of haar een relevant persoonlijk verwijt treft, aansprakelijk is jegens Global Pack voor schade van laatstgenoemde door het onbetaald en onverhaalbaar gebleven zijn van die vordering op DPPT (laat staan zelf schuldenaar is van Global Pack voor die vordering). In rov. 3.4-3.18 [9] zet het hof uiteen waarom Vité c.s. in te onderscheiden hoedanigheden zélf toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens Global Pack en dáárom aansprakelijk is jegens haar, oftewel waarom het onder 3.5.2 hiervoor bedoelde verwijt van verhaalsfrustratie door Vité c.s. doel treft. Daarbij betrekt het hof, mede gezien rov. 3.5-3.6, waar het gaat om bestuurdersaansprakelijkheid ook de bekende Hoge Raad-rechtspraak waarop het subonderdeel kennelijk doelt (“Bestuurders zijn immers slechts”, etc.). [10] Dat volgens het hof - op goede gronden - in rov. 3.2-3.3 die vordering van Global Pack op DPPT vaststaat, inclusief de omvang ervan, laat naar de aard het voorgaande onverlet. Kortom: ad (ii) doet zich in werkelijkheid dus evenmin voor.
3.5.4
Het subonderdeel loopt eveneens vast op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest, voor zover het ervan uitgaat dat het hof bij dit verwijt van verhaalsfrustratie door Vité c.s. nalaat de schade en het causale verband tussen de Vité c.s. verweten handelingen en de gestelde schade vast te stellen. Zoals mede volgt uit rov. 3.10-3.18 omvat volgens het hof - gezien het procesdossier en het partijdebat [11] - de schade van Global Pack waarvoor zij Vité c.s. aanspreekt met genoemd verwijt dat DPPT geen verhaal biedt aan Global Pack voor de bedragen die DPPT aan Global Pack moet betalen op grond van het verstekvonnis, maar niet heeft betaald. Daaruit blijkt ook duidelijk dat volgens het hof - gezien het procesdossier en het partijdebat [12] - zonder deze aan Vité c.s. verweten handelwijze, neerkomend op verhaalsfrustratie, Global Pack dit verhaal wel zou hebben gehad.
3.5.5
Hieruit volgt tevens dat, anders dan het subonderdeel kennelijk suggereert in de slotzin ervan (althans ten aanzien van Vité en [eiser 3] ), het hof niet oordeelt dat de omvang van de schade van Global Pack die het gevolg is van de aan Vité c.s. verweten handelwijze op voorhand (“simpelweg”) gelijk te stellen is aan de totale vordering die in het verstekvonnis tegen DPPT is toegewezen. Zo’n van het procesdossier en partijdebat geabstraheerde benadering volgt het hof duidelijk niet. Zou het subonderdeel dit laatste wel onderkennen met die slotzin, dan maakt het niet duidelijk [13] - en zonder meer valt ook niet in te zien - waarom het hof niettemin een misslag begaat met het onder 3.5.4 hiervoor bedoelde oordeel inzake de schade van Global Pack en het causale verband tussen de Vité c.s. verweten handelingen en die gestelde schade.
3.6
Tot slot
subonderdeel 1.3.
3.6.1
Ook dit strandt, zoals volgt uit 3.6.2-3.6.9 hierna.
3.6.2
Vooropgesteld: wat het subonderdeel aanvoert, rechtvaardigt niet de conclusie dat ’s hofs oordeel in rov. 3.3 van het arrest dat Global Pack niet gehouden was de vereffening van DPPT te heropenen (op de voet van art. 2:23c lid 1 BW), [14] blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
3.6.3
Het subonderdeel noemt geen enkele rechtsbron waaruit een dergelijke verplichting zou (kunnen) volgen. Daartoe volstaat niet de in het subonderdeel gememoreerde verwijzing door Vité c.s. in hoger beroep naar een vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, [15] reeds omdat dit vonnis zag op een wezenlijk ander geval. [16]
3.6.4
Aangenomen wordt dat de turboliquidatie van een rechtspersoon (dus toepassing van art. 2:19 lid 4 BW Pro) tijdens een lopende procedure, zoals bij DPPT vóór het wijzen van het verstekvonnis en ná de betekening aan haar van de dagvaarding waarmee Global Pack die procedure had aangespannen, [17] nietmeebrengt dat die rechtspersoon met betrekking tot die procedure niet langer in rechte kan optreden (niet langer procesbevoegdheid heeft). [18] In lijn daarmee maakte de turboliquidatie van DPPT
nietdat zij zonder heropening van haar vereffening geen rechtsmiddel kon aanwenden tegen het verstekvonnis. [19] Aangenomen wordt verder dat ingeval van zo’n turboliquidatie wat betreft daaropvolgende betekening van exploten aansluiting kan worden gezocht bij art. 54 Rv Pro. [20] Daarbij zij nog opgemerkt dat de verzetregeling in art. 143 e.v. Rv, waar het gaat om het aanvangen van de termijn waarbinnen het verzet moet worden gedaan, meer mogelijkheden kent dan alleen betekening van het vonnis in kwestie (art. 143 lid Pro 2-3 Rv). [21] Over zo’n heropening rept die regeling niet.
3.6.5
Uit het procesdossier blijkt trouwens zonneklaar dat Vité en [eiser 3] , in deze zaak mede betrokken als DPPT’s (in)directe bestuurders, zich daadwerkelijk bekend toonden met het verstekvonnis als bedoeld in art. 143 lid 2 Rv Pro. Ik acht het mogelijk dat dit voor doeleinden van die bepaling valt toe te rekenen aan DPPT, wier turboliquidatie dus
nietmeebracht dat zij met betrekking tot die procedure niet langer in rechte kon optreden (niet langer procesbevoegdheid had). Zie onder 3.6.4 hiervoor. Langs die weg heeft voornoemde termijn waarbinnen verzet moet worden gedaan daar dan in ieder geval kunnen aanvangen (en vervolgens onbenut kunnen verstrijken). Zo is door Global Pack in de onderhavige procedure al in de inleidende dagvaarding erop gewezen dat een procedure tegen DPPT aanhangig was, waarin DPPT zich niet had gesteld waardoor een verstekvonnis voor de hand lag. [22] Het verstekvonnis is gewezen na het uitbrengen van die dagvaarding en door Global Pack in eerste aanleg als productie 28 in de onderhavige procedure ingebracht, [23] waarop Vité c.s. in eerste aanleg (én ook nog in hoger beroep) uitgebreid heeft gereageerd. [24] Ik wijs ook op de onderkenning van het verstekvonnis door de advocaat van Vité c.s. en door [eiser 3] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, [25] dit mede naar aanleiding van de vaststelling door de voorzitter: “Er ligt een vonnis tegen DPPT waar geen rechtsmiddel tegen is ingesteld.” [26] , [27]
3.6.6
Waarom in dit geval niettemin voor kennisname van het verstekvonnis door DPPT heropening van haar vereffening wel vereist zou zijn, zoals het subonderdeel suggereert, licht Vité c.s. in cassatie niet (op noemenswaardige wijze) toe en valt zonder meer dus ook niet in te zien. Te minder tegen de achtergrond van ’s hofs vaststelling in rov. 3.2 dat “geen rechtsmiddel [is] ingesteld” tegen het verstekvonnis, wat - gegeven ook de bredere context van rov. 3.2-3.3 - veronderstelt dat DPPT wel in de gelegenheid was dit te doen, maar niet tijdig heeft gedaan. [28] Hetzelfde doet opgeld voor de vervolgstelling in het subonderdeel dat DPPT eerst volgend op haar kennisname van het verstekvonnis ná heropening van haar vereffening een rechtsmiddel tegen het verstekvonnis had kunnen instellen (waarmee Vité c.s. intussen wel nog eens bevestigt dat door DPPT feitelijk nimmer zo’n rechtsmiddel is ingesteld). Ook als het subonderdeel daarmee zou bedoelen dat eerst ná zo’n kennisname voornoemde termijn waarbinnen verzet moet worden gedaan, kan aanvangen. Dit is allemaal leuk bedacht, maar niet rechtens.
3.6.7
Overigens valt ook daarbuiten de aanzuigende werking van art. 2:23c lid 1 BW te relativeren. Illustratief is de volgende uiteenzetting van de Hoge Raad: [29]
“Het oordeel van het bestuur - of de vereffenaar - van een ontbonden rechtspersoon dat geen baten meer aanwezig zijn en dat de rechtspersoon derhalve ingevolge het bepaalde in art. 2:19 lid Pro 4 (…) is opgehouden te bestaan, is vatbaar voor toetsing door de rechter indien een schuldeiser, stellende dat de rechtspersoon nog baten heeft, diens faillissement aanvraagt. Het wettelijk stelsel brengt niet mee dat de rechter het bedoelde oordeel uitsluitend zou kunnen toetsen in het kader van een op de voet van art. 2:23c lid 1 (…) gevoerde procedure tot heropening van de vereffening.”
Die benadering geldt tevens in andere procedures dan die inzake een faillissementsaanvraag, aldus de Hoge Raad in een latere uitspraak. [30] Dit onderstreept nog eens dat het subonderdeel te categorisch is ingestoken.
3.6.8
Met 3.6.2-3.6.7 hiervoor ontvalt ook de bodem aan het vervolg van het subonderdeel, waar Vité c.s. - verder voortbouwend - betoogt dat pas kan worden vastgesteld dat Global Pack een vordering heeft op DPPT ná ommekomst van de termijn voor het door DPPT instellen van een rechtsmiddel tegen het verstekvonnis volgend op heropening van haar vereffening, of nádat zou blijken dat ondanks het instellen van dit rechtsmiddel Global Packs vordering (deels) in stand blijft. Evenmin valt dan in te zien waarom alleen in of via zo’n heropening rechtens kan worden vastgesteld in hoeverre DPPT tot voldoening van de schuld aan Global Pack in staat zou zijn geweest en een tekort zou kunnen worden toegerekend aan mogelijk verwijtbare onttrekking van verhaalsmogelijkheden. Noch dat zonder zo’n heropening het hof niet kon oordelen dat het verstekvonnis vaststaat. Vité c.s. licht dit alles in cassatie trouwens ook niet (op noemenswaardige wijze) toe.
3.6.9
Tot slot: hieruit volgt dat evenmin hout snijden de nadere voortbouwstellingen in het subonderdeel dat in de onderhavige procedure alsnog het causaal verband en de schadeomvang van Global Packs vordering op DPPT dienen te worden vastgesteld, en dat door dit achterwege te laten het hof Global Pack zonder enige rechtvaardiging feitelijk drie extra debiteuren voor haar gehele vordering heeft aangereikt.
3.7
Daarmee is gegeven dat onderdeel 1 faalt.
Onderdeel 2(“Te zware eisen verzwaarde motiveringsplicht en passeren bewijsaanbiedingen”)
3.8
Onderdeel 2 bevat twee subonderdelen. Het richt - naar ik begrijp - rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 3.11, 3.13, 3.14-3.15 en 3.19 van het arrest, deels geciteerd onder 2.14 en 2.16 hiervoor.
3.8.1
Subonderdeel 2.1opent met de opmerking dat rov. 3.19 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het vervolgt dan met de stelling - samengevat - dat het hof met rov. 3.11, laatste zin, en door in rov. 3.13 van Vité c.s. te verlangen dat zij zodanig veel stelde dat het “gegeven” zou zijn dat DPPT niet in staat was in de toekomst met haar andere of soortgelijke activiteiten inkomsten te generen, te hoge eisen heeft gesteld aan de verzwaarde motiveringsplicht van Vité c.s. en haar had moeten toelaten tot het op dat punt gespecificeerd aangeboden bewijs. Daarop laat het subonderdeel volgen dat, anders dan het hof heeft geoordeeld in rov. 3.14, Vité c.s. wel degelijk “een dergelijk overzicht” in het geding heeft gebracht, zodat ’s hofs oordeel in dat opzicht onbegrijpelijk is. Dit overzicht behoefde wellicht nadere duiding/interpretatie, zoals gesteld door Vité c.s. ter mondelinge behandeling in hoger beroep, reden waarom zij tijdens die mondelinge behandeling heeft aangeboden de verdiencapaciteit van DPPT door een accountant of waarderingsdeskundige te laten bepalen. Bij die stand van zaken had het hof Vité c.s. tot het aangeboden bewijs moeten toelaten, nu zij met het in het geding brengen van dit overzicht voldoende aanknopingspunten voor bewijslevering heeft aangereikt conform haar verzwaarde motiveringsplicht. Daaraan doet niet af dat dit onderwerp, zoals het hof heeft geoordeeld, tot de kern van het partijdebat behoorde. Voor zulke onderwerpen ligt de lat om tot bewijslevering te worden toegelaten immers niet (nog) hoger dan voor andere onderwerpen. In zoverre is ’s hofs oordeel evenzeer rechtens onjuist.
3.8.2
Subonderdeel 2.2klaagt dat
by the same tokenhet hof ook in rov. 3.15 te hoge eisen heeft gesteld aan die verzwaarde motiveringsplicht. Vité c.s. heeft gesteld: (i) dat de voorraad was verpand, zodat Global Pack zich daarop niet had kunnen verhalen; en (ii) dat de voorraad geen courante waarde had en grotendeels nog steeds aanwezig is, dat de prijs voor de voorraad daarom meer dan redelijk is. [31] Zij heeft gespecificeerd bewijs op dit punt aangeboden. Daarmee heeft zij voldaan aan de op haar rustende verzwaarde motiveringsplicht en had het hof haar tot het aangeboden bewijs dienen toe te laten.
Behandeling
3.9
De subonderdelen falen, gelet op het volgende.
3.1
Te beginnen met
subonderdeel 2.1.
3.10.1
In rov. 3.13-3.14 van het arrest beziet het hof de vraag, en komt het tot ontkennende beantwoording daarvan, of Vité c.s. voldoende gemotiveerd heeft betwist dat de door Dupatech overgenomen en voortgezette onderneming van DPPT voldoende verdienvermogen had om (op termijn) de vordering van Global Pack te kunnen voldoen. ‘s Hofs oordelen in rov. 3.13-3.14 dienen daarom in onderling(e) verband en samenhang te worden gelezen.
3.10.2
Voor zover het subonderdeel rov. 3.13 bestrijdt, en dit al voldoet aan de eisen van art. 407 lid Pro 2, aanhef en onder d Rv, volgt daaruit niet dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de verzwaarde motiveringsplicht van Vité c.s. en haar had moeten toelaten tot het op dat punt gespecificeerd aangeboden bewijs. Dit bestreden oordeel komt erop neer dat voor die gemotiveerde betwisting ontoereikend is de stelling van Vité c.s. dat in 2018-2019 DPPT een slecht resultaat heeft bereikt door de verduistering van de machine voor Global Pack en problemen met de deelneming in Turkije (dit een en ander kortweg:
x), nu dit slechts gedeeltelijk dekt. Want uit
x, wat het hof wel wil aannemen, vloeit nog niet voort dat DPPT evenmin in staat was om in de toekomst met haar andere of soortgelijke activiteiten inkomsten te generen (kortweg:
y), wat hier ook relevant is. En: uit de voorzetting van DPPT’s onderneming in Dupatech blijkt juist ook dat Dupatechs aandeelhouders het ook zo zagen dat uit
xnog niet
yvoortvloeit. Dit is prima te volgen. Anders dan het subonderdeel suggereert, verlangt het hof hier dus niet dat Vité c.s. over
y“zodanig veel stelde” dat
yzou vaststaan. [32] Inzake rov. 3.13 mist het subonderdeel derhalve feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
3.10.3
Voor zover het subonderdeel rov. 3.14 bestrijdt, loopt het ook vast. Daarin zet het hof uiteen:
- dat gezien de voortzetting van DPPT’s onderneming en de verwevenheid van DPPT en Dupatech voor een beoordeling van het verdienvermogen niet alleen inzicht in de omzet en de winst van DPPT voorafgaand aan de overname noodzakelijk is, maar ook inzicht in de activiteiten, omzet en winstcijfers van Dupatech na de overname;
- dat Vité c.s. heeft nagelaten een duidelijk overzicht in het geding te brengen van de verschillende activiteiten van DPPT en Dupatech en de opbrengsten en winst die met deze verschillende activiteiten zijn behaald na de overname, wat wel van Vité c.s. mocht worden verwacht; [33]
- dat de vlak voor de mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde boekhouding van DPPT dit inzicht niet biedt. [34]
Tegen die achtergrond van rov. 3.13-3.14 concludeert het hof dan dat onvoldoende gemotiveerd is betwist dat de overgenomen onderneming van DPPT voldoende verdienvermogen had om de vordering van Global Pack, al dan niet op termijn, te betalen.
3.10.4
Volgens het subonderdeel is een dergelijk ‘overzicht’ wel degelijk in het geding gebracht met productie 85 van Vité c.s. Deze productie behelst één pagina met een tabel, opgesteld door een accountant, waarin over een aantal jaren (2019-2022) omzetten van DPPT en Dupatech met betrekking tot thermoformers en overige activiteiten alsmede totale omzetten zijn opgenomen. Dat daarmee niet het in rov. 3.14 bedoelde
duidelijkeoverzicht is gegeven, valt alleszins te begrijpen. Immers, in de tabel ontbreken concrete gegevens over de verschillende activiteiten van DPPT en Dupatech (in de tabel staat als activiteiten alleen thermoformers en “overige producten”) en de winsten die met de verschillende activiteiten zijn behaald na overname (in de tabel staan alleen omzetgegevens). Het subonderdeel licht ook niet toe waarom die ontbrekende gegevens wel uit de tabel zouden volgen. [35] Het subonderdeel poneert wel eufemistisch dat productie 85 “wellicht nadere duiding” (“interpretatie”) behoefde, zoals Vité c.s. ter mondelinge behandeling in hoger beroep zou hebben opgemerkt. Maar dit veronderstelt dat de relevante gegevens op zichzelf alle aanwezig zijn in de tabel (zij het lastig te doorgronden), wat naar ’s hofs geenszins onbegrijpelijke oordeel dus niet het geval is en zijdens Vité c.s. ook niet zo is opgebracht tijdens die mondelinge behandeling. [36] De uitkomst wordt niet anders door hetgeen het hof in rov. 3.14 overweegt over de kern van het partijdebat en wat het subonderdeel daartegen aanvoert. Daarmee zegt het hof niet dat de lat om tot bewijs te worden toegelaten (nog) hoger moet worden gelegd, maar onderbouwt het hof deels, [37] en onjuist noch onbegrijpelijk, waarom van Vité c.s. mocht worden verwacht dat zij voornoemde duidelijke overzicht in het geding zou brengen (wat zij dus heeft nagelaten, zie hiervoor). In zoverre mist het subonderdeel derhalve feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
3.10.5
Met de stellingen van Vité c.s als bestreken in rov. 3.13-3.14 heeft zij volgens het hof aldaar dus onvoldoende gemotiveerd betwist dat de door Dupatech overgenomen en voortgezette onderneming van DPPT voldoende verdienvermogen had om (op termijn) de vordering van Global Pack te kunnen voldoen. Dit betekent - zie ook art. 149 lid 1 Rv Pro - dat het hof de ter zake door Global Pack gestelde feiten als onvoldoende gemotiveerd betwist kon aannemen en aan diens oordeel ten grondslag kon leggen, zoals het doet. En dat bewijslevering ter zake als aangeboden door Vité c.s. (zo al voldoende concreet) niet aan de orde komt reeds omdat zij onvoldoende heeft voldaan aan haar verzwaarde motiveringsplicht, zoals het hof in rov. 3.19 tot uitdrukking brengt. [38]
3.10.6
Daarmee ontvalt tevens de bodem aan het subonderdeel voor zover dit nog klaagt over rov. 3.11, laatste zin en 3.19 in verbinding met die bestreden oordelen in rov. 3.13-3.14. Voor zover het subonderdeel los van die bestreden oordelen in rov. 3.13-3.14 ten strijde trekt tegen ’s hofs oordelen in rov. 3.11, laatste zin en 3.19, strandt het subonderdeel reeds erop dat het niet voldoet aan de eisen van art. 407 lid Pro 2, aanhef en onder d Rv. Dat die oordelen onjuist of onbegrijpelijk zouden zijn, valt zonder meer ook niet aan te nemen.
3.11
Tot slot
subonderdeel 2.2.
3.11.1
Voor zover dit voortbouwt op subonderdeel 2.1 (“
By the same token”, etc.), dat faalt, deelt het in het lot daarvan. Zie onder 3.10-3.10.6 hiervoor.
3.11.2
Ook overigens mislukt het subonderdeel.
3.11.3
De daarin aangehaalde stelling van Vité c.s. onder (ii) onderkent en bespreekt het hof in rov. 3.15 van het arrest. Daarover luidt de conclusie dat met die stellingen onvoldoende gemotiveerd is betwist dat door de verkoop van de voorraad tegen een prijs iets hoger dan de liquidatiewaarde, verhaal door Global Pack is gefrustreerd. [39] Want DPPT’s onderneming is dus (zie rov. 3.12) voortgezet door Dupatech. Blijkbaar was voor Dupatech op dat moment de voorraad van waarde. Waarom er reden was op het moment van overname om aan te nemen dat deze voorraad alleen nog tegen liquidatiewaarde verkocht kon worden, heeft Vité c.s. niet duidelijk gemaakt. En zelfs als juist is dat onderdelen van deze voorraad niet meer verkocht konden worden, betekent dit niet dat op het moment van overname ook van de liquidatiewaarde uitgegaan moest worden, aldus nog steeds het hof in rov. 3.15.
3.11.4
De in het subonderdeel aangehaalde stelling van Vité c.s. onder (i) onderkent en bespreekt het hof in rov. 3.16. Daarin stelt het hof voorop dat Vité c.s. voorts heeft gewezen op de schulden van DPPT aan ECP Nederland B.V. en ECP Factoring B.V., waarvoor een pandrecht op de activa van DPPT zou zijn gevestigd, zodat verhaal door Global Pack illusoir zou zijn geweest. Volgens het hof zou dit mogelijk problematisch zijn geweest als DPPT’s onderneming zou zijn geliquideerd. Nu deze onderneming is voortgezet, en niet is gesteld dat deze onderneming niet meer aan haar lopende verplichtingen kon voldoen, is onvoldoende gemotiveerd dat deze schulden in de weg zouden staan aan toekomstig verdienvermogen. [40]
3.11.5
Die stellingen van Vité c.s. waarop het subonderdeel wijst onder (i)-(ii), onderkent en bespreekt het hof dus in rov. 3.15-3.16. Voor zover het subonderdeel het arrest anders leest, is die lezing onjuist en mist het subonderdeel zodoende feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel het arrest wel zo leest, geldt dat Vité c.s. daarin de gronden waarop het hof die stellingen verwerpt niet bestrijdt, laat staan conform de eisen van art. 407 lid Pro 2, aanhef en onder d Rv. Dat die gronden onjuist of onbegrijpelijk zouden zijn, valt zonder meer ook niet aan te nemen. Het behoeft geen betoog dat bij die stand van zaken evenmin iets valt af te dingen op ’s hofs oordeel in rov. 3.19 dat bewijslevering ter zake als aangeboden door Vité c.s. (zo al voldoende concreet) niet aan de orde komt. In zoverre sneeft het subonderdeel eveneens.
3.11.6
Kort en goed: ook met het subonderdeel in de hand valt niet in te zien dat het hof in rov. 3.15 te hoge eisen stelt aan de verzwaarde motiveringsplicht van Vité c.s., of dat het hof Vité c.s. had moeten toelaten tot het aangeboden bewijs omdat zij ter zake aan haar verzwaarde motiveringsplicht heeft voldaan.
3.12
Daarmee is gegeven dat ook onderdeel 2 faalt.
Slotsom
3.13
Het cassatiemiddel van Vité c.s. is derhalve vergeefs voorgesteld.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 22 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7034.
2.Verbeterd bij vonnissen van 12 februari 2020 en 29 april 2020.
3.Dit incident ziet op zekerheidstelling voor de proceskosten op de voet van art. 224 Rv Pro.
4.Van de mondelinge behandeling is een verkort proces-verbaal en een uitgebreid proces-verbaal opgemaakt.
5.Zie Rb. Gelderland 15 december 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:6737.
6.Het subonderdeel verwijst hier naar Vité c.s., maar dit lijkt een verschrijving aangezien (naar ’s hofs oordeel door het arrest heen) Dupatech, anders dan Vité en [eiser 3] , geen (in)direct bestuurder van DPPT was. Voor zover dit geen verschrijving is, loopt het subonderdeel in zoverre - dus wat betreft Dupatech - al vast op een gemis aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
7.Zie de memorie van grieven zijdens Vité c.s., nr. 14.4 respectievelijk rov. 4.3 van het vonnis.
8.Zie o.a. de inleidende dagvaarding zijdens Global Pack, nrs. 34-45 en de memorie van antwoord zijdens Global Pack, nrs. 1.4, 1.7, 6.1, 9.2, en 9.7-9.9.
9.In rov. 3.4-3.17 gaat het over aansprakelijkheid van Vité en [eiser 3] als (in)direct bestuurders van DPPT. In rov. 3.18 gaat het over aansprakelijkheid van Dupatech als wederpartij van DPPT.
10.Zie o.a. HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470,
11.En in navolging van rov. 4.19 van het vonnis, dat het hof dus bekrachtigt: “Zoals hiervoor is overwogen bestaat de schade van Global Pack daaruit dat zij het verstekvonnis niet op DPPT kan verhalen”, etc.
12.En in navolging van rov. 4.19 van het vonnis: “De rechtbank kan Vite c.s. niet volgen in haar betoog (…) dat het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en het ontstaan van de schade ontbreekt”, etc.
13.Al helemaal niet op een wijze die voldoet aan de eisen van art. 407 lid Pro 2, aanhef en onder d Rv.
14.Naar luid van art. 2:23c lid 1 BW kan, indien na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen en zo nodig een vereffenaar benoemen (de beschikking van de rechter doet de rechtspersoon herleven, maar uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening). Dit is ook mogelijk waar de rechtspersoon als gevolg van de ontbinding is opgehouden te bestaan bij gebrek aan baten (art. 2:19 lid 4 BW Pro), waardoor er strikt genomen geen sprake is van een
15.Zie de memorie van grieven zijdens Vité c.s., nr. 8, met verwijzing naar Rb. ’s-Hertogenbosch 21 maart 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BV8844,
16.Namelijk een geval waarin een vennootschap was ontbonden op de voet van art. 2:19 lid 4 BW Pro, er - naast een schuld van de vennootschap - nog baten van de vennootschap bleken te zijn, er was verzocht tot heropening van de vereffening en dit verzoek was toegewezen met aanwijzing van vereffenaars. Tegen die achtergrond oordeelde de rechtbank dat nog niet vaststond dat de vordering van de schuldeiser onbetaald zou blijven, noch dat de vordering (volledig) betaald zou zijn indien wel was vereffend. En: “De vordering (…) wordt afgewezen omdat zowel de gestelde schade als het causaal verband tussen het achterwege laten van de vereffening en de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd.”
17.Het hof stelt dit al vast in rov. 2.4-2.5.
18.Zie o.a. Asser/Kroeze 2021, nr. 405, met verwijzingen.
19.In het bijzonder het doen van verzet als bedoeld in art. 143 e.v. Rv, waardoor de instantie wordt heropend. Met het bestreden oordeel respondeert het hof blijkens rov. 3.3 op de stelling van Vité c.s. dat “Global Pack de vereffening had moeten heropenen en DPPT dan alsnog na kennisneming van het verstekvonnis in verzet verweer had kunnen voeren.” Zie voor deze stelling laatstelijk het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 4-5.
20.Zie noot 18 hiervoor.
21.Zie ook noot 19 hiervoor.
22.Zie de inleidende dagvaarding zijdens Global Pack, nr. 8.
23.Die productie 28 bevat ook de in noot 2 hiervoor bedoelde verbetervonnissen.
24.Zie o.a. de akte uitlaten producties van 29 juli 2020 zijdens Vité c.s., nrs. 4-9 (in nrs. 1-2 wordt aangevoerd dat die productie 28 voorafgaand aan het in het geding brengen daarvan door Global Pack “nog niet bekend” was aan Vité c.s.) en de memorie van grieven zijdens Vité c.s., nrs. 3.1-3.9.
25.Waarbij [eiser 3] , blijkens p. 1 van het proces-verbaal van die mondelinge behandeling, is verschenen in persoon en als “indirect bestuurder/mede-eigenaar van Vité” (en Dupatech).
26.Zie p. 4-5 van het proces-verbaal van die mondelinge behandeling.
27.Zie verder o.a. P.A. Fruytier,
28.Ik wijs ook nog op wat het hof overweegt in rov. 3.7: “Vité Beheer en [eiser 3] wisten of hadden moeten weten dat, nu tegen de vordering van Global Pack op DPPT geen verweer werd gevoerd, de vordering van Global Pack zou worden toegewezen”, etc. In rov. 3.8: “(…) de brief van 3 oktober 2019 van de (vorige) advocaat van Vité Beheer aan de rechtbank (productie 19 bij dagvaarding) [toont] aan dat Vité Beheer op de hoogte was van de vordering, maar dacht met de ontbinding van DPPT deze procedure zinloos gemaakt te hebben”, etc. En in rov. 3.9: “Door toe te laten dat DPPT verstek heeft laten gaan en geen verweer heeft gevoerd hebben Vité Beheer en [eiser 3] zichzelf de mogelijkheid ontnomen de vordering (via DPPT) te betwisten”, etc. In rov. 3.2 stelt het hof al vast dat DPPT “ook geen verweer [heeft] gevoerd” tegen de (met het verstekvonnis vastgestelde) vordering van Global Pack.
29.Zie HR 27 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1631,
30.Zie HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4096,
31.De nummering voeg ik toe, A-G.
32.Zie ook de schriftelijke toelichting zijdens Vité c.s., nr. 3.6: “Naar Vité c.s. meent kan het niet zo zijn dat haar bewijspositie met zich meebrengt dat zij dusdanig veel dient te stellen en met bewijzen te onderbouwen dat de juistheid van haar stellingen al op voorhand een gegeven is. Met dat oordeel heeft het hof de verzwaarde motiveringsplicht - en daarmee de bewijspositie van Vité c.s. - dusdanig verzwaard dat simpelweg niet meer aan bewijslevering kan worden toegekomen. Daarmee heeft het hof naar haar mening een te zwaar criterium gehanteerd.”
33.Nu de gegevens om dit inzichtelijk te maken geheel in de macht van Vité c.s. liggen en de vraag of DPPT’s onderneming die door Dupatech is overgenomen voldoende verdienvermogen had tot de kern van het debat tussen partijen behoort. Indien daarbij onderscheid gemaakt had moeten worden tussen nieuwe activiteiten van Dupatech ten opzichte van DPPT had het op de weg van Vité c.s. gelegen om dat onderscheid te maken en dat te onderbouwen met relevante en controleerbare gegevens, aldus nog steeds het hof in rov. 3.14.
34.Het hof doelt daarmee op de producties 62-86 die Vité c.s. daags voor die mondelinge behandeling in het geding heeft gebracht.
35.Dat het hof niet voorbijziet aan productie 85, blijkt ook uit rov. 3.12. Daarin gaat het hof specifiek in op die productie 85 bij de beoordeling of Vité c.s. voldoende gemotiveerd heeft betwist dat Dupatech de onderneming van DPPT heeft voortgezet. En concludeert het hof, dus mede op basis van die productie, dat Dupatech de onderneming van DPPT heeft voortgezet. Uit die productie volgt volgens het hof: (i) dat DPPT naast de handel in en productie van thermoformers ook andere activiteiten had, en dat het stopzetten van de thermoformeractiviteiten niet betekent dat andere activiteiten niet zijn voortgezet; en (ii) dat Dupatech op haar beurt in 2019 en 2021 thermoformers verkocht, zodat zij die activiteiten dus ook niet heeft stopgezet. Dat dit een en ander niet strijdt met wat het hof overweegt in rov. 3.14 spreekt voor zich.
36.Het subonderdeel verwijst naar “Proces-verbaal, p. 17”. Daar staat ter zake slechts dit:
37.Zie ook noot 33 hiervoor.
38.Zie bijv. H.W.B. thoe Schwartzenberg, bewerkt door J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst & B.T.M. van der Wiel (red.),
39.De voorraad is voor € 126.500,- door Dupatech overgenomen, terwijl een waardering op basis van de onderhandse verkoopwaarde uitkwam op € 226.700,- (productie 91 in hoger beroep van Vité c.s.).
40.Dat DPPT "technisch failliet" zou zijn, zoals Vité c.s. heeft gesteld, volgt misschien uit een negatief eigen vermogen van DPPT. Daarmee is echter nog niet gegeven dat de onderneming niet levensvatbaar zou zijn of in de toekomst geen inkomsten had kunnen genereren om Global Pack af te lossen, aldus nog steeds het hof in rov. 3.16.