Conclusie
Nummer22/03853
Vrijspraak ten aanzien van feit 2
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf voor verkrachting gepleegd tussen 14 september en 30 oktober 2019. Het hof sprak hem vrij van mishandeling en poging tot doodslag op 14 september 2019 vanwege onvoldoende overtuigend bewijs en wisselende verklaringen van de aangeefster.
Het hof baseerde de bewezenverklaring van verkrachting mede op een filmpje gevonden op de telefoon van verdachte, waarop te zien is dat de aangeefster onder dwang seksuele handelingen uitvoert met messen, en op verklaringen van aangeefster en getuigen. Het hof achtte het scenario van vrijwillige seksuele handelingen niet aannemelijk.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het de verklaring van de aangeefster over het vrijgesproken feit niet betrouwbaar achtte, terwijl het die over het bewezen verklaarde feit wel betrouwbaar vond. De Procureur-Generaal concludeerde dat deze klacht geen feitelijke grondslag heeft en dat het hof terughoudendheid betrachtte bij het gebruik van de wisselende verklaringen over het mishandelingsfeit.
De Hoge Raad ziet geen reden om het cassatieberoep toe te laten en wijst het beroep af. De rechtbank had verdachte vrijgesproken van het verkrachtingsfeit, maar het hof heeft dit anders beoordeeld. Afdoening in cassatie op basis van art. 81 RO Pro is niet aan de orde.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor verkrachting blijft in stand.