ECLI:NL:PHR:2024:985

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2024
Publicatiedatum
23 september 2024
Zaaknummer
22/03853
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 SrArt. 27 SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak verkrachting en mishandeling

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf voor verkrachting gepleegd tussen 14 september en 30 oktober 2019. Het hof sprak hem vrij van mishandeling en poging tot doodslag op 14 september 2019 vanwege onvoldoende overtuigend bewijs en wisselende verklaringen van de aangeefster.

Het hof baseerde de bewezenverklaring van verkrachting mede op een filmpje gevonden op de telefoon van verdachte, waarop te zien is dat de aangeefster onder dwang seksuele handelingen uitvoert met messen, en op verklaringen van aangeefster en getuigen. Het hof achtte het scenario van vrijwillige seksuele handelingen niet aannemelijk.

De verdachte stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het de verklaring van de aangeefster over het vrijgesproken feit niet betrouwbaar achtte, terwijl het die over het bewezen verklaarde feit wel betrouwbaar vond. De Procureur-Generaal concludeerde dat deze klacht geen feitelijke grondslag heeft en dat het hof terughoudendheid betrachtte bij het gebruik van de wisselende verklaringen over het mishandelingsfeit.

De Hoge Raad ziet geen reden om het cassatieberoep toe te laten en wijst het beroep af. De rechtbank had verdachte vrijgesproken van het verkrachtingsfeit, maar het hof heeft dit anders beoordeeld. Afdoening in cassatie op basis van art. 81 RO Pro is niet aan de orde.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor verkrachting blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/03853

Zitting17 september 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 10 oktober 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem wegens 4 primair. "verkrachting", veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr, is een inbeslaggenomen telefoontoestel verbeurd verklaard en is de onttrekking aan het verkeer bevolen van inbeslaggenomen verdovende middelen (1 gripzakje met bruin blokje v01.01.002, 1 wit gevouwen papiertje met inhoud en de inhoud van het witte gevouwen zakje v01.01.003). Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 2. tenlastegelegde.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. G. Palanciyan, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel bevat de klacht dat het hof enerzijds de verklaring van de aangeefster met betrekking tot feit 2 niet voldoende betrouwbaar heeft geacht en anderzijds de verklaring van de aangeefster inzake feit 4 wel voldoende betrouwbaar heeft geacht, zonder dat het hof dit onderscheid voldoende heeft gemotiveerd, terwijl voornoemd onderscheid op voorhand niet valt te verklaren.
3.1
Het hof heeft in het bestreden arrest de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde, inhoudende dat:
“2. primair
hij op of omstreeks 14 september 2019 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangeefster] opzettelijk van het leven te beroven, met een (vlees)mes steekbewegingen heeft gemaakt in de richting van de hartstreek van die [aangeefster] en/of met kracht de keel van die [aangeefster] heeft dicht geknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. subsidiair
hij op of omstreeks 14 september 2019 te [plaats] , aan [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten snijwonden over haar lichaam (borststreek) heeft toegebracht door die [aangeefster] voornoemd met een (vlees)mes in haar lichaam te steken en/of te snijden en/of te krassen;
2. meer subsidiair
hij op of omstreeks 14 september 2019 te [plaats] , ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangeefster] opzettelijk met een (vlees)mes in haar lichaam (borststreek) heeft gestoken en/of gesneden en/of gekrast, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.
3.2
Het hof heeft in het bestreden arrest ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“4. primair
hij op enig tijdstip in de periode van 14 september 2019 tot en met 30 oktober 2019 te [plaats] door bedreiging met geweld en een andere feitelijkheid [aangeefster] , heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] voornoemd, te weten
- Het door die [aangeefster] bij zichzelf in haar vagina en anus laten brengen, duwen, houden van een heft van een mes en het (vervolgens) heen en weer laten bewegen van die messen,
en welke bedreiging met geweld en andere feitelijkheid bestond uit
- het opzettelijk gebruikmaken van een psychische dwangsituatie welke bestond doordat verdachte door eerdere mishandelingen en bedreigingen een dermate dreigende situatie heeft gecreëerd voor die [aangeefster] , waardoor die [aangeefster] zich niet kon en durfde te verzetten en onttrekken tegen/aan de handelingen van/door verdachte”.
3.3
Het hof heeft inzake de vrijspraak onder 2 en de bewezenverklaring onder 4 onder meer het volgende overwogen:

Vrijspraak ten aanzien van feit 2
(…)
Aangeefster heeft wisselend verklaard over de gebeurtenissen die zich in de nacht van vrijdag op zaterdag 14 september 2019 hebben afgespeeld. In haar eerste verklaring gaf zij aan dat zij door drie mannen was mishandeld. Later verklaarde aangeefster dat zij op 14 september 2019 door verdachte is mishandeld. Het hof is daarom terughoudend om de verklaringen van aangeefster te gebruiken als bewijs voor het onder 2 tenlastegelegde. Naast de verklaring van aangeefster, bevindt zich voor het tenlastegelegde weinig steunbewijs in het dossier. Er is een letselrapportage van een forensisch arts van de GGD, die aangeefster op 14 september 2019 heeft onderzocht, inhoudende dat het beeld van de kraswonden boven en onder aangeefsters linker borst suspect is voor zelfbeschadiging. Mede daarom kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat aangeefsters letsel van 14 september 2019 door verdachte, die het tenlastegelegde heeft ontkend, is toegebracht. Er is derhalve geen sprake van wettig en overtuigend bewijs, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 primair, 2 subsidiair en 2 meer subsidiair tenlastegelegde.

Overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van feit 4

(…)
Het onder 4 tenlastegelegde heeft betrekking op de gebeurtenissen die te zien zijn op het filmpje dat is aangetroffen op de telefoon van verdachte. Dit filmpje is beschreven in het proces-verbaal van bevindingen van 25 november 2019 (…) van het proces-verbaal van het onderzoek-Geul. Op dit filmpje is te zien dat aangeefster het heft van een mes in haar vagina heeft ingebracht en heen en weer beweegt alsof zij zichzelf bevredigt. Ook is in de anus van aangeefster het heft van een ander mes ingebracht. Aangeefster kijkt op deze beelden gepijnigd of bedrukt. Op het filmpje is naast de stem van aangeefster, de stem van verdachte te horen. Verdachte praat op een dwingende toon en draagt aangeefster onder andere op om "harder" te gaan. Daarnaast wordt in het filmpje de naam " [naam] ” genoemd. Verdachte zegt onder andere: "Kijk maar, hè [naam] ". Ook wordt aangeefster opgedragen [naam] aan te spreken. Met een snikkerige stem zegt zij: " [naam] , I love you".
Uit het dossier is niet op te maken door wie de messen in de vagina en anus van aangeefster zijn ingebracht. Op het filmpje is echter gedurende zeven seconden de hand van verdachte te zien. Verdachte beweegt het heft van het mes in de anus van aangeefster op en neer. Deze handeling kan worden geduid als een gedraging die volgt op het eigenlijke binnendringen en kan daarmee worden gekwalificeerd als een handeling die mede bestaat uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster.
Het hof heeft, na het bekijken van de beelden, geconstateerd dat op het filmpje inderdaad te zien is wat in het proces-verbaal van bevindingen is beschreven. De verdediging en de advocaat-generaal zijn tevens in de gelegenheid gesteld het filmpje te bekijken.
Getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat het filmpje door verdachte uit frustratie is gemaakt om door te sturen naar een jongen met wie aangeefster seks gehad zou hebben. Volgens getuige [betrokkene 1] heette deze jongen [naam] . In het proces-verbaal van aangifte heeft aangeefster zelf ook aangegeven seks te hebben gehad met een jongen die [naam] heet. Het hof maakt hieruit op dat het filmpje is gemaakt door verdachte om uit frustratie of als wraakactie te kunnen toesturen aan [naam] .
Aangeefster heeft van het begin af aan verklaard dat dit filmpje en de handelingen daarop mensonterend en vernederend voor haar waren. Aangeefster heeft op 3 januari 2020 over het filmpje verklaard dat zij deze handelingen van verdachte moest doen. Zij wilde de handelingen niet uitvoeren, maar werd door verdachte met een mes bedreigd en zou met een slipper geslagen worden wanneer zij het niet zou doen. Ook in haar aangifte heeft aangeefster verklaard dat het filmpje met de messen heftig was en dat zij niet achter dit filmpje stond en het van verdachte moest maken.
Verdachte heeft toegegeven dat hij aangeefster in de periode 7 augustus 2019 tot en met 30 oktober 2019 meerdere malen heeft mishandeld door haar, onder andere met een slipper, te slaan. De rechtbank heeft dit als feit 3 ook bewezenverklaard.
Het hof acht bewezen dat aangeefster zich gedwongen voelde de door verdachte geïnitieerde handelingen op het filmpje uit te voeren, omdat zij bang was mishandeld te worden door verdachte. Deze angst vloeide voort uit eerdere mishandelingen door verdachte en de mede daarop gebaseerde dreigende situatie die hij tijdens het maken van het filmpje voor aangeefster had laten ontstaan.
Verdachte heeft aangevoerd dat de handelingen op het filmpje deel uitmaakten van de manier waarop hij en aangeefster vaker (sm-)seks hadden. Het hof acht dit scenario niet aannemelijk geworden. Hoewel verdachte en aangeefster vaker seksfilmpjes maakten, waren deze filmpjes van een andere aard dan het filmpje dat ten grondslag ligt aan het onder 4 tenlastegelegde. Dit filmpje is namelijk ook gericht aan een ander - [naam] - en is kennelijk bedoeld om als wraak naar die [naam] te sturen. Het hof merkt verder op dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij tijdens het maken van het filmpje “flipte". Dat bevestigt naar het oordeel van het hof dat het hier geen filmpje was dat onder dezelfde omstandigheden is gemaakt als tussen verdachte en het slachtoffer gebruikelijk zou zijn geweest.”
3.4
Inzake feit 2 heeft het hof de verdachte vrijgesproken, omdat de aangeefster wisselend heeft verklaard “over de gebeurtenissen die zich in de nacht van vrijdag op zaterdag 14 september 2019 hebben afgespeeld” – specifiek over degene/diegenen die haar zou(den) hebben mishandeld – en omdat naast de verklaring van de aangeefster weinig steunbewijs zich in het dossier bevindt. Het “hof is daarom terughoudend om de verklaringen van aangeefster te gebruiken als bewijs voor het onder 2 tenlastegelegde”. Inzake feit 4 (primair) komt het hof, mede op grond van aangeefsters verklaringen (afgelegd op onder meer 11 november 2019, 4 december 2019 en 3 januari 2020) tot een bewezenverklaring en heeft het hof daarnaast onder meer het “filmpje dat is aangetroffen op de telefoon van verdachte” en de beschrijving daarvan in het proces-verbaal van bevindingen van 25 november 2019, de verklaring van getuige [betrokkene 1] en de verklaring van de verdachte tot het bewijs gebezigd.
3.5
In tegenstelling tot hetgeen door de steller van het middel is aangevoerd, heeft het hof de verklaring van de aangeefster (inzake feit 2) niet onvoldoende betrouwbaar geacht, maar heeft het om voornoemde redenen "terughoudendheid" betracht bij het gebruik van die verklaring. Het middel, dat ervanuit gaat dat het hof aangeefsters verklaring met betrekking tot feit 2 niet voldoende betrouwbaar heeft geacht, berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist daardoor feitelijke grondslag.
3.6
Het middel faalt.
4. Ik merk in verband met de afdoening in cassatie op dat de rechtbank de verdachte van het onder 4 tenlastegelegde heeft vrijgesproken. Afdoening van het middel door de Hoge Raad op de voet van art. 81, eerste lid, RO ligt niet in de rede.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG