ECLI:NL:PHR:2025:1061
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken advocaat en onjuiste indiening
Verzoekster heeft op 17 maart 2025 een cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het hof Amsterdam van 17 december 2024. Het verzoekschrift was echter niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en werd niet via het portaal van de Hoge Raad ingediend, zoals voorgeschreven in art. 426a lid 1 en art. 397 Rv Pro.
De griffie heeft verzoekster hierop gewezen en haar de mogelijkheid geboden om binnen twee weken de gebreken te herstellen door alsnog een advocaat in te schakelen en het beroep correct in te dienen. Verzoekster heeft deze mogelijkheid niet benut en heeft aangegeven het beroep zonder advocaat te willen voortzetten.
Op grond van deze feiten concludeert de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad dat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar cassatieberoep, omdat niet is voldaan aan de formele vereisten van ondertekening en indiening. Dit leidt tot het einde van de procedure in cassatie.
Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep wegens ontbreken van advocaat en onjuiste indiening.