ECLI:NL:PHR:2025:1167

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
23/03305
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen van voorbereidingshandelingen hennepteelt en de gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn

In deze zaak gaat het om de verdachte, geboren in 1965, die door het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 17 augustus 2023 is veroordeeld voor het medeplegen van het aanbieden, verkopen of voorhanden hebben van stoffen en voorwerpen die bestemd zijn voor de illegale hennepteelt, in strijd met artikel 11a van de Opiumwet. De verdachte kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een taakstraf van honderd uren, die vervangen kan worden door vijftig dagen hechtenis. De zaak is in cassatie gebracht, waarbij de verdediging twee middelen aanvoert. Het eerste middel betreft de verwerping van het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, en het tweede middel betreft de bewijsvoering van de verdachte's kennis van de bestemming van de stoffen en voorwerpen. Het hof heeft de bewijsvoering van de rechtbank overgenomen en vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan het faciliteren van de grootschalige hennepteelt. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige. De zaak heeft samenhang met andere zaken, en de Hoge Raad heeft op 26 november 2024 al uitspraak gedaan in enkele van deze samenhangende zaken.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03305
Zitting4 november 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 17 augustus 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “medeplegen van stoffen en voorwerpen te koop aanbieden, verkopen of voorhanden hebben, en gegevens voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van honderd uren, te vervangen door vijftig dagen hechtenis.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/03301, 23/03303, 23/03304 en 23/03306. In de samenhangende zaken 23/03301 en 23/03304 zal ik vandaag ook concluderen. In de zaken 23/03303 en 23/03306 heeft de Hoge Raad op 26 november 2024 al uitspraak gedaan, omdat in die zaken geen schrifturen zijn ingediend. Het cassatieberoep is in deze beide zaken niet-ontvankelijk verklaard.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. T. Straten, advocaat in Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.4
Het eerste middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, dan wel bewijsuitsluiting. Het tweede middel houdt in dat de bewezenverklaring onvoldoende steun vindt in de bewijsvoering, omdat daaruit niet kan worden afgeleid dat de verdachte wist dan wel ernstige reden had om te vermoeden dat de stoffen, voorwerpen en gegevens bestemd waren tot het plegen van een van de in art. 11 lid 3 en 5 van de Opiumwet (hierna: Opw) strafbaar gestelde feiten.

2.Bewezenverklaring en bewijsoverwegingen

2.1
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 maart 2015 tot en met 26 juni 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, in een bedrijfspand, gelegen aan de [a-straat 1] , stoffen en voorwerpen heeft te koop aangeboden, verkocht of voorhanden gehad, te weten
- potgrond
- isolatiemateriaal
- groei- en bloeimiddelen
- verwarmingen
- kachels
- luchtbevochtigers
- slangklemmen
- watersproeiers
- hygrometers
- insectenbestrijdingsmiddelen
- waterpompen
- koppelingen
- waterslangen
- buizen
- zekeringen
- stroomkabels
- installatiekabels
- ventilatoren
- kweekmediums
- stekkentrays
- pluggen
- bloempotten
- vijverfolie
- watervaten
- hennepzaadjes
- gripzakjes
- handschoenen
- big shoppers
- assimilatielampen
en gegevens voorhanden heeft gehad, te weten klappers, inhoudende onder meer folders, prijslijsten, catalogussen, bestellijsten betreffende (informatie met betrekking tot) hennepzaden en materialen voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepkweek, waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.”
2.2
Het hof heeft op grond van het bepaalde in art. 423 lid 3 Sv de bewijsvoering van de rechtbank (de bewijsmiddelen en de bewijsmotivering), voor zover deze is weergegeven onder ‘4.3 Het oordeel van de rechtbank’ (pagina 3 tot en met 11 van het vonnis) overgenomen en overwogen dat deze bewijsvoering als in het arrest herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. De bewijsvoering van de rechtbank houdt in (zonder overneming van voetnoten):
“4.3 Het oordeel van de rechtbank
Inleiding
Op 26 juni 2017 heeft de politie Limburg onder leiding van de officier van justitie een onderzoek ingesteld in het bedrijfspand van [A] B.V., gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] . Het onderzoek werd ingesteld naar aanleiding van meldingen van omwonenden, ontvangen TCI-informatie en bevindingen van de politie ter plaatse gedaan op 14, 16 en 19 juni 2017. [A] B.V. is blijkens informatie van de Kamer van Koophandel op 29 september 2016 opgericht en drijft een onderneming met de activiteiten: - winkels in bloemen en planten, zaden en tuinbenodigheden; - groothandel in overige machines, apparaten en toebehoren voor industrie en handel; en - groothandel in emballage. Bestuurder en enig aandeelhouder van [A] B.V. is [B] B.V. [B] B.V. is eigendom van en wordt bestuurd door de medeverdachte [medeverdachte] , en de verdachte. De holding is gevestigd op het adres van de verdachte. Beiden zijn zelfstandig bevoegd om op te treden namens de holding. De door de verdachte en de medeverdachte gedreven onderneming – hierna [A] – bestaat al sinds 1 januari 1998. De bedrijfsactiviteiten van [A] vonden voor 29 september 2016 plaats binnen een vennootschap onder firma met de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] als vennoten.
Het bedrijfspand van [A] bestaat uit meerdere ruimten, te weten een winkelgedeelte toegankelijk vanaf de [a-straat] , een kelder, een kantoorgedeelte en twee achterliggende loodsen. De loodsen liggen daarbij geschakeld naast elkaar, waarbij de eerste loods toegankelijk is vanuit de winkel en de tweede loods vanuit de eerste loods. De loodsen zijn aan de achterkant te benaderen via de Heisterberg.
De omstandighedenTijdens het onderzoek op 26 juni 2017 werden in het bedrijfspand op 26 juni 2017 onder meer aangetroffen:
- 55 zakken royal mix potgrond , 51 50-literzakken potgrond, 20 zakken light mix potgrond en 5 zakken potgrond perlite
- 52 zakken isolatiemateriaal;
- een grote hoeveelheid groei- en bloeimiddelen in klein- en grootverpakkingen (waaronder jerrycans, 5 en 10 liter);
- 8 honeywell standkachels en 6 atomic c2000 kachels;
- 8 luchtbevochtigers airsonic professionel healthcare;
- 14 zakken inhoudende slangklemmen en 1 doos met 150 slangklemmen:
- 5 watersproeiers;
- 1 HC 0810 aquaking hydrometer en 21 thermo-hygrometers;
- insectenbestrijdingsmiddelen;
- 11 dompelpompen en 39 vijverpompen;
- koppelingen;
- waterslangen:
- buizen;
- 6 doosjes inhoud 25 zekeringen 35 ampère en grijze sorteerdoos met diverse passchroeven en zekeringen:
- 4 dozen stroomkabel met stekker en 7 rollen stroomdraad wit:
- installatiekabels;
- ventilatoren;
- 45 dozen agrawool en 646 zakken kokossubstraat;
- stekkentrays;
- 157 dozen paperpot pluggen 84 tray per doos en 3 dozen steenwol blok 2700 stuks;
- 1800 zwarte plastic bloempotten in verschillende maten;
- vijverfolie;
- (opvouwbare) watervaten;
- in twee koelkasten in totaal meer dan 60.000 gefeminiseerde en autoflower hennepzaden;
- 4 verschillende formaten zwarte strijkzakken en een grote hoeveelheid vacuumzakken;
- gripzakjes in diverse maten;
- latex handschoenen;
- een grote hoeveelheid zogenaamde bigshoppers.
In klappers boven het bureau achter de balie in het winkelgedeelte bevonden zich onder andere de folder ‘Always in Control’ met informatie over klimaatbeheersing, kunstlicht, ventilatie, luchtzuivering, voedingscomputers en plantenpotten, een folder van 123 Grüntechniek met afbeeldingen en prijzen van kweektenten, slakkenhuizen, assimilatielampen, strijkzakken, gripzakken, sporttassen, digitale weegschaal, plantenpotten en steenwolkweekmedium (Agrawool) en de catalogus van HGP Groothandel waar blijkens de inhoudsopgave kunnen worden betrokken goederen voor klimaatbeheersing (o.a buisventilatoren, slakhuisventilatoren, softboxen, koolstoffilters, ventilatoren, kachels, CO2 apparatuur, luchtbevochtigers), verlichting en elektra, irrigatie, groeimedia, voeding, EC en PH meetapparatuur, folie, bestrijdingsmiddelen, scharen/trimmachines, bouw- en verpakkingsmaterialen en tenten en toebehoren. Op het bureau en in de la van het bureau werden ook klappers met prijslijsten en folders aangetroffen van bedrijven die goederen aanbieden op gebied van luchttechniek (Cli-mate), lichttechniek (Dutch Light Solutions), groeimiddelen, folies en kweeksystemen. Op het bureau lagen een drietal bestellijsten. Op een van de lijsten stond met pen opgeschreven en ingevuld: “2x groeimiddelen, 1x tumble trimmer, 10x clipfan, 200 Ultimate verloop stukken in diverse maten, 1x Empire light 2000 (koolstoffilter) en 50x 25 liter potten”.
Verbalisant [verbalisant 1] , om wiens ondersteuning was verzocht door het onderzoeksteam in verband met zijn ervaring met de aanpak van de illegale versnelde kweek van hennepplanten en het ruimen van hennepkwekerijen, heeft over de bij de verdachte aangetroffen goederen gerelateerd dat deze goederen gebruikt worden bij de illegale hennepteelt en dat hij goederen van de aangetroffen merken (CANNA, Hortifex, Aptus, Plagron, Biogreen, FERRO en HYDRO) geregeld tegenkomt bij de illegale teelt van hennepplanten.
Van verschillende goederen die niet zijn aangetroffen in het bedrijfspand zijn wel in- en verkoopfacturen van na 1 maart 2015 aangetroffen in de administratie van [A] . Het betreft in- en verkoop van onder meer assimilatielampen, koolstoffilters, slakkenhuisafzuigers in geluidsarme boxen, buisventilators, elektrische knipmachines, kweektenten, wegwerpoveralls en watergekoelde airco’s.
Uit het onderzoek kwam naar voren dat de hennepzaden onder meer werden verkocht via [website 1] . De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] hebben dit ter zitting bevestigd. Naar de website is door het onderzoeksteam onderzoek gedaan. Het adres van [A] in [plaats] stond als bezoekadres op de site vermeld. Op de website was onder het kopje ‘Over Ons’ te lezen ‘Welkom bij [website 1] , de online-shop gespecialiseerd in gefeminiseerde zaden in alle aantallen! Al onze zaden zijn vrouwelijk! Wij bieden U verschillende betaalmethodes, ook contante betaling bij levering.’ Elders op de website werd klanten verder de mogelijkheid aangereikt om ook bij bestellingen per post contant te betalen (‘contant in envelop’).
De website bevatte een volledige handleiding over de kweek van cannabis. De beschrijving van de kweekruimte benoemt wat je nodig hebt voor de meest elementaire inrichting namelijk een lamp (met reflector en ballast), een schakelkast, een filter, een ventilator, potten, een thermometer, een hygrometer, reflecterende muren en een kachel, waarna elk element wordt uitgelegd. Op de site werd ook het zogenoemde 12/12 systeem gepromoot. Op de site was te lezen dat met dit systeem 7 maal per jaar kan worden geoogst en men niet meer afhankelijk is van stekken. ‘De tijden dat je kwekerij leeg staat, omdat er geen stekken te krijgen zijn, zijn voorgoed voorbij’. Wietzaadjes hebben verder het voordeel dat ze legaal zijn, goedkoper dan stekken en makkelijk te transporteren (‘1000 zaadjes passen gewoon in je broekzak’). Op de site werd uitgelegd wanneer je moet starten met het voor laten groeien van de plantjes en hoe je dit moet aanpakken. Daarbij was onder meer te lezen ‘Verder heb je een plek nodig om je plantjes voor te groeien. Dat kan een kweektent zijn of een zelf ontworpen kweekkast. In een kweektent van 120x120x200 cm passen met gemak 300 plantjes als je potten van 9x9x10 gebruikt.” [website 1] adverteerde blijkens aangetroffen facturen in de ten laste gelegde periode op [website 2] en [website 3] . In het bedrijf zijn verder facturen aangetroffen van verkopen van grotere aantallen zaden door [A] in de ten laste gelegde periode aan bedrijven en een particulier.
Er heeft ook onderzoek plaatsgevonden naar de verkoopadministratie van [A] . Daarbij bleek dat een aanzienlijk aantal van de verkopen per kas verliepen. De verkopen werden per dag bijgehouden op een dagomzetstaat. De ontvangen contanten zijn afgestort op de ING bankrekening van [A] . Er is door het onderzoeksteam een overzicht gemaakt van alle in de ten laste gelegde periode in de administratie aangetroffen contante stortingen met betrekking tot de omzet. Daaruit bleek dat in 2015 vanaf 28 maart 2015 voor een totaal aan € 451.080,- contant is gestort, waaronder 45 biljetten van € 500,-. In 2016 is voor een totaal aan € 643.540,- contant gestort, waaronder 202 biljetten van € 500,-. In 2017 is tot en met 16 juni 2017 voor een totaal aan € 290.000,- contant gestort, waaronder tot 4 januari 2017 4 biljetten van € 500,-. Vanaf 4 januari 2017 is op 34 van de 36 stortingsbewijzen niet zichtbaar in welke coupures er is gestort.
Uit de verkoopadministratie bleek verder dat in de ten laste gelegde periode de Duitse onderneming [C] GmbH de grootste afnemer is geweest van [A] . [C] GmbH heeft in 2015 vanaf juni 2015 voor € 110.760,39, in 2016 voor € 163.022,13 en in 2017 tot mei 2017 voor € 36.045,34 aan goederen ingekocht bij [A] . Het gaat om in totaal 56 facturen die nagenoeg allemaal contant zijn voldaan. Van twee facturen is onbekend gebleven op welke wijze deze zijn betaald. Het bedrijf heeft koopt blijkens de facturen met name technische apparatuur en middelen ingekocht bij [A] . Verbalisant [verbalisant 2] relateert ten aanzien van de goederen op de facturen - waaronder assimilatielampen, zogenaamde slakkenhuizen, apparaten voor het verwijderen van onder andere bladeren en apparaten voor klimaatbeheersing - dat hem ambtshalve bekend is dat deze goederen gebruikt worden in hennepkwekerijen.
De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] komen op inkoopfacturen van [A] en overige administratieve bescheiden beiden voor als contactpersoon.
De bewijswaardering
De strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet
De verdachte, zijn medeverdachte [medeverdachte] en [A] B.V. worden verdacht van het (gezamenlijk) overtreden van artikel 11a van de Opiumwet, zoals dit artikel sinds 1 maart 2015 luidt. Dat artikel stelt strafbaar hij die ‘stoffen of voorwerpen (...) voorhanden heeft (...), waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten’. Artikel 11, derde lid, van de Opiumwet stelt strafbaar hij die ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod’. Het vijfde lid van dat artikel houdt in dat indien ‘een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel’ een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan ‘een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.’ Die algemene maatregel van bestuur is het Opiumwetbesluit. Op grond van artikel 1, tweede lid, Opiumwetbesluit betreft genoemde grote hoeveelheid, voor zover hier relevant, 500 gram hennep of 200 hennepplanten.
Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat tot de invoering van art. 11a van de Opiumwet leidde is door de wetgever uitgebreid ingegaan op de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 11a van de Opiumwet.
In de Nota naar aanleiding van het Verslag is daarover onder meer het volgende aangegeven:
‘Voor een veroordeling ter zake van overtreding van het nieuwe artikel 11a zal het openbaar ministerie moeten bewijzen dat betrokkene wist dat of ernstige redenen had om te vermoeden dat de door hem verrichte handelingen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van lijst II middelen of van grote hoeveelheden van die middelen. (...) Van strafbare voorbereiding is sprake indien ten aanzien van de dader wetenschap of een ernstig vermoeden kan worden bewezen bij de verrichting van handelingen die strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van de genoemde illegale hennepteelt. Het gaat met andere woorden steeds om de criminele intentie van de dader en de daaruit voortvloeiende handeling. Deze twee bestanddelen van de strafbaarstelling moeten zijn vervuld, wil er sprake zijn van strafbare voorbereidingshandelingen. De werking van deze bestanddelen is vergelijkbaar met communicerende vaten. Indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt zal de criminele intentie grotendeels kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling, terwijl wanneer de handeling meer alledaags is, hogere eisen zullen gelden voor het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht.’
In de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 7 december 2012 met een schriftelijke reactie op de in eerste termijn bij de plenaire behandeling in de Tweede Kamer gestelde vragen schrijft de Minister over de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid verder onder meer nog:
‘Het gaat in dit wetsvoorstel in het geheel niet om een omslag van legale producten in illegale producten. Het gaat erom dat voorwerpen (...) ter beschikking worden gesteld terwijl men ernstige redenen heeft om te vermoeden of weet dat met die voorwerpen of legale producten strafbare handelingen zullen worden begaan. Het gaat dus om het <> en niet om de voorwerpen die ter beschikking worden gesteld. De kern van de strafbare voorbereiding is de verstrekking onder bepaalde omstandigheden. De verstrekking onder die omstandigheden is strafbaar, maar de voorwerpen blijven doorgaans legaal.’
De strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet brengt mee dat strafbare voorbereiding ook kan worden bewezen zonder dat een hennepkwekerij is aangetroffen. De voor een veroordeling op grond van artikel 11a van de Opiumwet vereiste bestemming van de stoffen en voorwerpen voor de beroeps- of bedrijfsmatige en grootschalige hennepteelt is niet beperkt tot louter die gezamenlijkheid van goederen waarmee deze strafbare feiten zonder meer kunnen worden gepleegd.
De wetgever heeft tijdens de parlementaire behandeling ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van beroepsmatige of bedrijfsmatige teelt van hennepplanten verwezen naar hetgeen over dit aspect is aangegeven in de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie. In de Nota naar aanleiding van het Verslag staat aangegeven:
‘Bij beroeps- en bedrijfsmatige teelt wordt gekeken naar de wijze van telen, zoals blijkt uit de Aanwijzing Opiumwet van het OM (Staatscourant 2011, nr. 11 134 van 27 juni 2011), paragraaf 3.2.1 en bijlage 1. Paragraaf 3.2.1 vermeldt, voor zover hier van belang, dat voor de beoordeling van het al dan niet beroeps- of bedrijfsmatige karakter van teelt wordt gekeken naar de omstandigheden waaronder de teelt plaatsvindt. Bij het aantreffen van een hoeveelheid van vijf planten of minder wordt in het algemeen aangenomen dat er geen sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Het aantal planten is echter niet altijd de doorslaggevende factor voor het bepalen van het al dan niet beroeps- of bedrijfsmatige karakter van de teelt. Ook bij vijf planten of minder kan sprake zijn van beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Dit geldt in situaties waarin aan twee of meer indicatoren voor professionele teelt, zoals opgenomen in bijlage 1 van de Aanwijzing is voldaan en indien er sprake is van teelt voor geldelijk gewin.
In de Aanwijzing Opiumwet wordt aangegeven dat aan de hand van doel en mate van professionaliteit moet worden beoordeeld of sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt, waarbij bij een schaalgrootte van 5 planten of minder in beginsel aangenomen kan worden dat geen sprake is beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Doel (geldelijk gewin) en mate van professionaliteit van de teelt van een hoeveelheid kan echter maken dat ook in een dergelijk geval sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet bevat een niet-limitatieve opsomming van indicatoren om de mate van professionaliteit van de hennepkweek te beoordelen.
Hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet?
In het bedrijfspand van [A] B.V. zijn onder meer de volgende producten aangetroffen: verrijkte aarde en potgrond, steenwol en kokos, stekkenpluggen, groei- en bloeimiddelen, producten voor ziektebestrijding waaronder signaleringsvellen, kachels, luchtbevochtigers, hygrometers, waterpompen, waterslangen, ventilatoren en watervaten. De groei- en bloeimiddelen waren in grootverpakkingen (jerrycans) ruim voorhanden. Gebruik van deze stoffen en voorwerpen bij de teelt van hennep zijn indicatoren voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Tot het bedrijfsassortiment behoorden verder stekkentrays, simpele zwarte plastic bloempotten in een aantal maten in grote hoeveelheden, vijverfolie, bevestigingsmaterialen voor slangen, stroom- en installatiekabels, zekeringen, gripzakken, strijkzakken, latex handschoenen en bigshoppers. Dit betreffen goederen waarmee beroeps- of bedrijfsmatige en grootschalige kwekerijen plegen te worden ingericht en de opbrengst van die kwekerijen wel wordt vervoerd. [A] verkocht verder ook geselecteerde hennepzaden. Er is een groot aantal gefeminiseerde en autoflower hennepzaden aangetroffen bij het onderzoek op 26 juni 2017. Uit het dossier blijkt verder dat goederen die weliswaar niet bij [A] in het bedrijfspand zijn aangetroffen, en die in de regel wel worden aangetroffen bij beroeps- of bedrijfsmatige en grootschalige hennepteelt, bij [A] konden worden besteld. Van deze goederen zijn in de winkel folders, prijslijsten, catalogussen en bestellijsten aangetroffen. Koolstoffilters, assimilatielampen, kweektenten, cannacutters, alles kon en werd geleverd door [A] . Ten aanzien van voormelde stoffen en voorwerpen is volstrekt niet aannemelijk dat deze worden gebruikt door kleinschalige, niet professionele thuistelers. Gezien de voorhanden en in de ten laste gelegde periode verhandelde stoffen en voorwerpen kan worden bewezen dat [A] stoffen en voorwerpen die bestemd zijn voor beroeps- of beroepsmatige en grootschalige hennepteelt (hierna: illegale hennepteelt) te koop heeft aangeboden, verkocht en voorhanden heeft gehad.
Dat illegale hennepteelt ook daadwerkelijk de bestemming van de stoffen en voorwerpen was en dat de verdachte en de medeverdachte dit ook wisten kan worden afgeleid uit de totale bedrijfsvoering, zoals daarvan uit het dossier blijkt. Daarbij is van belang dat de onderneming van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] een voormalige growshop betreft, waarvan het beperkte assortiment ook na de wetswijziging door verdachte en de medeverdachte is gehandhaafd, in combinatie met de verkoop van hennepzaden, die zich niet beperkte tot vijf stuks aan particulieren, en de mogelijkheid tot contante betaling bij [A] .
Het assortiment van [A] beperkt zich ook na 1 maart 2015 tot producten die kunnen worden gebruikt voor illegale hennepteelt. Overig assortiment ontbreekt. Ook de in- en verkoop van andere goederen beperkt zich tot producten die kunnen worden gebruikt voor illegale hennepteelt. Op de aan haar gelieerde website profileert [A] zich verder als professionele verkoper van gefeminiseerde zaden in alle aantallen. Dat [A] zich uitsluitend zou richten op de niet professionele teelt door thuistelers is gezien het assortiment en de content van de website volstrekt onaannemelijk. Het dossier bevat ook geen aanwijzingen dat een noemenswaardig deel van de verkopen van [A] aan particulieren voor de hobbyteelt plaatsvond. Dat een aantal aangetroffen stoffen en voorwerpen afzonderlijk ook kunnen worden gebruikt voor kleinschalige hennepteelt of voor andere doeleinden, maakt dit niet anders. Voor zover [A] heeft willen stellen dat zij een groothandel is en dat daarom geen sprake is van verboden verkopen, gaat dit uit van een onjuist begrip van de strafbaarstelling. Dat sprake is geweest van zogenaamde ‘business to business’ handel (althans verkoop aan wederverkopers), maakt niet dat artikel 11a van de Opiumwet geen toepassing zou kunnen vinden, omdat ook bij een dergelijke verkoop sprake kan zijn van de omstandigheid dat de verkoper weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de door hem verrichte handelingen bestemd zijn voor de grootschalige, beroeps- of bedrijfsmatig hennepteelt. Uit het onderzoek is verder gebleken dat klanten bij [A] contant konden betalen. Op de website worden potentiële klanten hier op meerdere plekken op geattendeerd. In de ten laste gelegde periode is vrijwel de gehele omzet contant gerealiseerd, waarbij ook biljetten van € 500,- werden ingenomen. Met het bieden van de mogelijkheid tot contante betaling ook van grote bedragen wordt de illegale hennepteelt bewust gefaciliteerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat het illegale circuit gepaard gaat met grote hoeveelheden contant geld in doorgaans grote coupures.
Bij verkoop van stoffen en voorwerpen die kunnen worden gebruikt voor de illegale hennepteelt onder voormelde omstandigheden is onmiskenbaar dat sprake is van verkoop van stoffen en voorwerpen bestemd voor de illegale hennepteelt en onaannemelijk dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] niet weten dat zij de bedrijfs- of beroepsmatige hennepteelt faciliteren. In ieder geval hebben zij door hun handelswijze bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit het geval was.
Gezien de op 26 juni 2017 bij [A] B.V. aangetroffen stoffen en voorwerpen, de gedane bevindingen in het bedrijfspand en de administratie van [A] is dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] zich in de ten laste gelegde periode met de activiteiten verricht in hun onderneming samen schuldig hebben gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet.”
2.3
Het hof heeft voorts ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:

Bijzondere bewijsoverwegingen (meer subsidiaire verweer)
De verdediging heeft meer subsidiair bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde. Daartoe is – kort weergegeven – het navolgende aangevoerd:
- ten eerste ontbreekt bij de verdachte de criminele intentie. Hij heeft er alles aan gedaan om erachter te komen wat de reikwijdte van artikel 11a van de Opiumwet is;
- ten tweede richtten de verkoopactiviteiten van de verdachte zich op buitenlandse afnemers en groothandels. Verkooptransacties met buitenlandse afnemers leveren geen overtreding van artikel 11a van de Opiumwet op;
- ten derde stelt artikel 11a van de Opiumwet slechts strafbaar het faciliteren van grootschalige, bedrijfsmatige- of beroepsmatige hennepteelt. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake nu – buiten de legale transacties met buitenlandse wederverkopers – uitsluitend aan thuistelers is verkocht. Op de verdachte rust in dat verband geen onderzoeksplicht, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Voor zover het verweer inhoudt dat de verdachte geen criminele intentie had op het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet, vindt het zijn weerlegging in de door het hof overgenomen bewijsvoering van de rechtbank. In aanvulling daarop overweegt het hof dat de criminele intentie niet reeds ontbreekt wanneer voorafgaand onderzoek wordt gedaan naar de reikwijdte van artikel 11a van de Opiumwet. Evenmin brengt het gegeven dat de verdachte de wet niet zou hebben willen overtreden, met zich dat hij – daarom – geen criminele intentie had. Sterker, uit hetgeen de medeverdachte [medeverdachte] heeft teruggekoppeld gekregen in reactie op zijn verzoeken aan de politie en het Openbaar Ministerie, blijkt nu juist dat de reikwijdte van voormeld wetsartikel ten tijde van de inwerkingtreding daarvan nog niet uitgekristalliseerd was. Niettemin heeft de verdachte goederen te koop aangeboden, verkocht of voorhanden gehad die geschikt zijn voor de grootschalige, beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Dat het hier hennepgerelateerde spullen waren wisten de verdachte en de medeverdachten en zulks is ook erkend ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 augustus 2023.
Voorts blijkt uit de op die terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte dat door de medeverdachte [medeverdachte] aan een vertegenwoordiger van [C] GmbH is gevraagd waarvoor de bestelde goederen zouden worden gebruikt. Daarop is volgens de verdachte geantwoord dat deze goederen voor de legale hennepteelt waren bestemd en om door te verkopen aan andere landen. Gelet op de omvang van de bestellingen van deze onderneming (waarmee ruim € 300.000,- in de bewezenverklaarde periode was gemoeid) gaf dit medeverdachte [medeverdachte] – kennelijk – aanleiding om te vragen naar de achterliggende reden van de bestelling. Daaruit – in onderlinge samenhang bezien met de omvang van de bestellingen van [C] GmbH – blijkt naar het oordeel van het hof dat de verdachte minst genomen ernstige reden had te vermoeden dat deze goederen voor de grootschalige, beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt bestemd waren.
Voor zover het verweer inhoudt dat de verkooptransacties met buitenlandse afnemers/wederverkopers categorisch geen overtreding van artikel 11a van de Opiumwet opleveren, berust dit naar het oordeel van het hof op een te restrictieve uitleg van artikel 11a van de Opiumwet. Immers, het feit dat goederen die bestemd zijn voor de grootschalige, beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt worden te koop worden aangeboden of verkocht aan een buitenlandse afnemer/wederverkoper in een land waar hennepteelt legaal zou zijn, brengt nog niet met zich dat de desbetreffende goederen ook voor de legale hennepteelt worden gebruikt. Evenmin kan worden uitgesloten dat goederen worden teruggeleverd of gebruikt in Nederland. Dat is in het onderhavige geval te meer niet uit te sluiten nu uit het dossier blijkt dat [C] GmbH een (zeer) grote afnemer is geweest van [A] , en is gevestigd aan de [b-straat] in [plaats] te Duitsland, blijkens Google Maps op nog geen tien minuten rijden van de grens met Nederland.
Voor zover het verweer inhoudt dat in de onderhavige zaak geen sprake is van het faciliteren van de grootschalige, beroepsmatige of bedrijfsmatige hennepteelt omdat de verkooptransacties –buiten legale transacties met buitenlandse wederverkopers – betrekking hadden op thuistelers, behoeft het geen bespreking (meer) nu het hof hiervoor reeds heeft overwogen dat ook het te koop aanbieden en/of de verkoop aan buitenlandse afnemers/wederverkopers onder de reikwijdte van artikel 11a van de Opiumwet kan vallen. Ten overvloede merkt het hof in dat kader nog op dat ook indien geen onderzoeksplicht op de verdachte rust, daarmee niet is gezegd dat zijn handelen niet strafbaar kan zijn op grond van artikel 11a van de Opiumwet. Immers, ook zonder het bestaan van een onderzoeksplicht kunnen er feiten en omstandigheden zijn op grond waarvan een verdachte weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat de geleverde goederen zullen worden gebruikt voor de grootschalige, beroepsmatige of bedrijfsmatige hennepteelt.
Hetgeen overigens nog is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof verwerpt dan ook het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.”

3.Het eerste en het tweede middel

3.1
Vanwege de overeenkomsten in de schrifturen en de arresten van het hof in deze zaak en in de zaak van [A] B.V. (thans: [D] B.V., parketnummer 23/03301) verwijs is voor een weergave van de middelen en de bespreking daarvan naar mijn conclusie in de samenhangende zaak tegen voornoemde besloten vennootschap, waarvan de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde gedragingen – in cassatie onbetwist – (middellijk) bestuurder was.

4.Slotsom

4.1
De middelen falen.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 24 augustus 2023. De redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is in de cassatiefase nu reeds overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G