Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De bewezenverklaring en bewijsvoering
Het oordeel van de rechtbank.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld wegens het afleveren en/of verstrekken van ongeveer 30 kilo cocaïne in twee transacties en het aanwezig hebben van circa 28 kilo cocaïne. De feiten betreffen een pseudokoop van 50 kilo cocaïne in 2017, voortkomend uit een undercovertraject waarbij een Belgische agent zich voordeed als koper.
De rechtbank en het hof oordeelden dat verdachte de leverancier was van de cocaïne die door een medeverdachte werd vervoerd en afgeleverd. Dit oordeel was gebaseerd op observaties van ontmoetingen tussen verdachte en medeverdachte, de vondst van grote hoeveelheden cocaïne, contant geld en administratie in de woning van verdachte, en het ontbreken van een geloofwaardige verklaring van verdachte.
Verdachte stelde dat hij de goederen slechts in bewaring had voor een vriend, maar deze verklaring werd niet aannemelijk geacht. De verdediging voerde onder meer aan dat er geen direct bewijs was dat verdachte de cocaïne aan de medeverdachte had overhandigd, en dat er geen aanvullend forensisch bewijs was. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zich terecht op de bewijsoverwegingen van de rechtbank baseerde en dat de bewezenverklaring voldoende gemotiveerd was.
De cassatiemiddelen faalden, en de conclusie van de procureur-generaal strekte tot verwerping van het beroep. Er werden geen gronden gevonden voor vernietiging van het vonnis. De veroordeling en strafoplegging blijven daarmee in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor levering en bezit van circa 50 kilo cocaïne wordt bevestigd.