ECLI:NL:PHR:2025:1184

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
23/03879
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep tegen veroordeling voor openlijk geweld met tegenstrijdige getuigenverklaringen

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1976, na vrijspraak door de rechtbank, door het gerechtshof Den Haag op 2 oktober 2023 veroordeeld voor openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, wat resulteerde in een voorwaardelijke taakstraf van tachtig uur en een proeftijd van twee jaren. De zaak betreft een incident op 25 juli 2020, waarbij de verdachte en zijn zonen betrokken waren bij een vechtpartij met een aangever. De verdediging heeft in cassatie aangevoerd dat het hof niet adequaat heeft gereageerd op hun standpunt over de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. Het hof heeft echter geoordeeld dat er voldoende bewijs was voor de veroordeling, ondanks de tegenstrijdigheden in de verklaringen van de getuigen. De Procureur-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, waarbij ook is opgemerkt dat de redelijke termijn voor de uitspraak is overschreden, maar dat dit geen verdere rechtsgevolgen met zich meebrengt. De zaak illustreert de complexiteit van bewijswaardering in strafzaken, vooral wanneer getuigenverklaringen tegenstrijdig zijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03879
Zitting11 november 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is, na vrijspraak door de rechtbank, bij arrest van 2 oktober 2023 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22–003497-20) wegens "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft", veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van tachtig uur, subsidiair veertig dagen hechtenis met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft daarnaast een vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en in dat verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/03882. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het eerste middel komt op tegen het gebruik door het hof van de verklaringen de [aangever] de [getuige 1] en de [getuige 2] . Geklaagd wordt dat de verdediging onderbouwd heeft aangevoerd dat hun verklaringen tegenstrijdig en onbetrouwbaar zijn en dat het hof ten onrechte heeft nagelaten om hier op in te gaan.
2.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij, op 25 juli 2020 te [plaats] , openlijk, te weten op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, [aangever] , door die [aangever] :
vast te houden en
- meermalen tegen het hoofd en het lichaam te slaan en/of te schoppen.”
2.3
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2023 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover van belang in:
“3. Volgens de verdediging komt het vonnis van de politierechter er kort gezegd op neer dat op basis van het dossier (dat vele tegenstrijdigheden en onduidelijkheden bevat) onvoldoende is komen vast te staan wat precies gebeurd is, wie wat gedaan heeft (aangever, verdachte en medeverdachte) en dat daardoor op basis van dit dossier niet met voldoende zekerheid vastgesteld kan worden dat cliënt enige bijdrage leverde aan geweld met een ander tegen aangever.
4. De verdediging leest het vonnis en dossier zo dat als gevolg van die vele tegenstrijdigheden veel meer dan gewoon lijkt in dossiers en onduidelijkheden evenmin uitgesloten kan worden dat cliënt anderen uit elkaar probeerde te halen (en dus geen opzet had op enige bijdrage aan gezamenlijk geweld tegen aangever) zoals cliënt verklaarde en zijn oudste zoon bevestigde, dan wel dat sprake was van verdediging tegen een aanval door aangever (de oudste zoon had immers vergelijkbaar letsel). Om tot een veroordeling van een strafbaar feit te komen zal op basis van het dossier tenminste met voldoende zekerheid moeten komen vast te staan wat er gebeurde.
En dat is in deze zaak niet het geval.
Immers 2 personen verklaren dat cliënt aangever in een nekklem hield dan wel vasthield waarbij de (beide) zoons zouden hebben geslagen (getuigen [getuige 3] en [getuige 1] ) en volgens 1 van hen ook geschopt ( [getuige 3] ).
Maar de aangever verklaart juist het omgekeerde (en dus volledig tegenstrijdig daaraan) dat één van de zoons (niet cliënt) aangever in een nekklem hield en cliënt degene was die zou hebben geslagen en geschopt met de andere zoon (niet beide zoons).
(…)
Belang (niet) kunnen vaststellen van precies locatie incident (betrouwbaarheid verklaringen)
7. De verdediging meent dat in deze zaak met 4 getuigen en vele tegenstrijdigheden en onduidelijkheden van belang is dat niet eens vastgesteld kan worden of het incident in de tuin plaatsvond zoals aangever verklaarde dan wel op de parkeerplaats. De verdediging vermoedt namelijk dat deze 4 getuigen niet allen zicht kunnen hebben gehad op de locatie van het incident, dan wel slechts beperkt zicht vanaf waar zij zich bevonden en dat het antwoord op de vraag of zij zicht hadden op de situatie afhangt van waar het incident plaatsvond, in de tuin of op de parkeerplaats. Als de getuigen geen of onvoldoende zicht hadden, zegt dat uiteraard wat over de betrouwbaarheid van hun verklaringen die uiteindelijk bepalend kunnen zijn voor conclusies over wat wel dan wel niet gebeurd is.
8. Aangever benoemt expliciet dat het incident plaatsvond in de tuin (p. 50) waar hij volgens hem ingetrokken werd en direct naar de grond werd gebracht, geschopt en geslagen, cliënt en zijn jongste zoon noemen de parkeerplaats (p. 93 en 95 respectievelijk 103 en 105). Ik verwijs naar pagina 94 van het dossier betreffende ene overzichtsfoto van bovenaf en de rinst van Google Earth gehecht aan deze pleitnota.
Twee van de getuigen, [getuige 4] en [getuige 3] , wonen op [a-straat 1] en verklaarden de situatie te hebben waargenomen vanaf de zolder respectievelijk van boven. Zij hebben vanaf daar zicht op een deel van de tuin, mogelijk niet het verste deel van de tuin dat grenst aan de parkeerplaats waar een hek/schutting voor staat, dit omdat zich over de breedte van dat hek/schutting een overkapping bevindt waardoor zij waarschijnlijk geen zicht hebben op de parkeerplaats direct achter het hek/schutting van de tuin, in elk geval geen zicht op de volledige parkeerplaats.
De andere 2 getuigen, [getuige 1] en [getuige 2] , wonen aan [b-straat 1] en lijken vanuit hun slaapkamerraam zicht te hebben op de parkeerplaats maar kunnen in elk geval niet door het hek/schutting de tuin inkijken en hebben waarschijnlijk geen zicht op wat direct achter het hek/de schutting gebeurt.
Aversie buurtbewoners (betrouwbaarheid getuigeverklaringen)
9. Tenslotte merkt de verdediging op dat niet uitgesloten kan worden dat de
getuigenverklaringen worden ingekleurd door de aversie van de buurtbewoners tegen het
gezin van cliënt, wat uiteraard van invloed kan zijn op de betrouwbaarheid van hun
verklaringen die uiteindelijk bepalend kunnen zijn voor conclusies over wat wel dan wel niet
gebeurd. Zo valt op dat [getuige 4] ( [a-straat 1] ) verklaarde dat ze de afgelopen
jaren heel veel overlast hadden van de buren van [nummer] (p. 75), dat [getuige 1]
verklaarde dat de mensen die aan het vechten waren met regelmaat ruzie hebben met
buurtbewoners en dat hij over zijn buren verklaarde dat die ook Syrische mensen zijn en wél
vriendelijk zijn (p. 81) en dat [zoon cliënt] verklaarde dat de buren wel eens klagen
over geluidsoverlast (p. 98).
10. Tot zover het standpunt van de verdediging op hoofdlijnen met conclusie bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank, vrijspraak. Hierna sta ik stil bij de verschillende verklaringen waarbij inhoudelijk duidelijk wordt dat sprake is van vele tegenstrijdigheden en onduidelijkheden.
(…)
De verklaring van [getuige 1] past verder niet bij het vastgestelde letsel dat bestaat uit
schaafwonden en een bult achter het oor, niet uit verwondingen in het gezicht wat je zou
verwachten als iemand in het gezicht wordt gestompt zoals [getuige 1] verklaarde
[getuige 2] , [b-straat 1] ,(…)
25. De Vrouw van [getuige 1] , [getuige 2] , verklaarde eveneens vanuit het slaapkamerraam gekeken te hebben waar zij met haar man de bedden stond op te maken. Zij verklaarde dat het incident zich afspeelde
op de parkeerplaats voor de achterzijde van de tuinen daarnet als haar man, dus niet in de tuin van [nummer] zoals aangever verklaarde.
Volgens [getuige 2] hield de vader aangever in een nekklem, deelde de oudste zoon klappen uit en maakte schopbewegingen, assisteerde de jongste zoon door aangever vast te houden en probeerde de vrouw des huizes iedereen uit elkaar te halen, ging het snel en lieten ze hem uiteindelijk los.
26. Ook deze verklaring is tegenstrijdig met de verklaring van aangever die verklaarde dat 1 van de zonen hem vasthad (niet, de vader/cliënt) en cliënt/de vader hem klappen en schoppen gaf (niet de oudste zoon). Daarnaast is deze verklaring ook strijdig met de andere verklaringen.”
2.4
Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende nadere bewijsoverweging opgenomen:
“De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, gelet op de discrepanties tussen de getuigenverklaringen, waardoor niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte samen met een ander enige bijdrage leverde aan het geweld tegen aangever.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
De parkeerplaats achter de woning aan [a-straat 1] merkt het hof aan als openbare ruimte gelet op de ter zitting overgelegde foto’s van Google Streetview. Indien en voor zover geweldshandelingen hebben plaatsgevonden in de tuin behorende bij de woning aan [a-straat 1] voldoen deze in dit geval niet aan het criterium dat deze handelingen openlijk moeten hebben plaatsgevonden. Blijkens de overgelegde foto’s is zicht vanaf de parkeerplaats in de tuin belemmerd door een schuur en schutting.
Op grond van de gebezigde en door het hof betrouwbaar aangemerkte bewijsmiddelen acht het hof bewezen dat verdachte samen met een ander geweld heeft gebruikt tegen het slachtoffer. Dit vindt bevestiging in het letsel, zoals gerelateerd en gedocumenteerd op blz. 51 tot en met 59 en blz. 74 van het proces-verbaal van politie.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.”
2.5
De in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen houden onder meer in:

1. Een
proces-verbaal van aangifted.d. 25 juli 2020 van de politie, eenheid Der. Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als de op 25 juli 2020 afgelegde verklaring van [aangever] :
(…)
Ik werd vastgehouden. Ik kreeg klappen en schoppen van de vader en zoon.
Korte opmerking verbalisant
Ik zag dat de aangever bloed, schaafplekken op zijn beide handen, linker elleboog en rechtervoet had. Tevens klaagde de aangever over druk en hoofdpijn. Ik zag dat de aangever een dikke bult achter zijn rechteroor had zitten.
2. Een
proces-verbaal van verhoor getuiged.d. 26 juli 2020 van de politie, eenheid Den Haag (….). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als de op 26 juli 2020 afgelegde verklaring van [getuige 1]:
Op 25 juli 2020 hoorde ik een hoop lawaai en geschreeuw. Ik zag dat op de parkeerplaats mensen ruzie met elkaar hadden. Ik zag dat mijn achterbuurman samen met zijn vrouw en kennelijk twee zonen een jongen tegen de grond hadden gewerkt. Ik zag dat mijn achterbuurman de jongen vasthield, terwijl zijn zonen de jongen aan het stompen waren. De zonen stompten de jongen waar ze hem maar konden raken ook in zijn gezicht.
3.
Een proces-verbaal van verhoor getuiged.d. 26 juli 2020 van de politie, eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…)
als de op 26 juli 2020 afgelegde verklaring van [getuige 2] :
Op 25 juli 2020 bevond ik mij in mijn slaapkamer. Vanuit mijn slaapkamerraam heb ik zicht op de parkeerplaats. Met daarachter woningen. Plotseling hoorde ik gegil en geschreeuw. Ik zag dat er een vechtpartij gaande was tussen meerdere personen. Ik zag dat er een persoon op de grond lag en in een nekklem werd gehouden. De man die de jongen in een nekklem hield herken ik als de bewoner van [a-straat 1] te [plaats] . Ik zag vervolgens dat de hele familie er op dook. Ik zag dat een jongen met een oranje broekje verschillende klappen uitdeelde. Ik zag ook dat hij schopbewegingen maakte tegen de jongen op de grond. De vader van [nummer] had de jongen nog in de nekklem. De jongen in het oranje broekje sloeg de jongen meerdere keren.
4. Een proces-verbaal van aanhouding d. d. 25 juli 2020 van de politie, eenheid Den Haag (…) Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 25 juli 2020 bevond ik mij aan [a-straat] te [plaats] naar aanleiding van een melding van een mishandeling. De melder zou woonachtig zijn aan de [a-straat 1] . De bewoner van [a-straat 1] wees naar de mensen waar het om ging. Ik verbalisant vroeg aan de mannen van [a-straat 1] om een geldig legitimatiebewijs te tonen. Hierop zag ik dat het ging om
- [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,
- [zoon cliënt] geboren op [geboortedatum] 2000 ze [geboorteplaats] .
Ik hoorde een collega tegen mij zeggen dat de, vader en de zoon aangehouden konden worden ter zake mishandeling. Ik heb vervolgens de heren aangehouden als verdachte ter zake van mishandeling.
5.Een
proces-verbaal van bevindingend.d. 26 juli 2020 van de politie, eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op zondag 26 juli 2020 heb ik telefonisch contact opgenomen met [aangever] . Ik hoorde [aangever] het volgende verklaren:
"Ik heb diverse schaafwonden en- een bloeduitstorting achter mijn oor opgelopen. Ik heb een zwaar gevoel in mijn hoofd en last van mijn heup wegens de schoppen en stompen die ik heb gekregen.””
2.6
Bij de bespreking van het middel moet worden vooropgesteld dat de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Ook de vraag of bepaalde verklaringen gelet op hun betrouwbaarheid voor het bewijs kunnen worden gebruikt, is een kwestie van waardering van het bewijs die zich in belangrijke mate afspeelt in het domein van de feitenrechter. In cassatie kan een en ander slechts op begrijpelijkheid worden onderzocht. [1] Daarbij is van belang dat de feitenrechter alleen verplicht is te reageren op een verweer inzake de betrouwbaarheid als het aangevoerde kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv. [2] Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is slechts sprake als het een standpunt is dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. [3] De verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan ook besloten liggen in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen.
2.7
Om te beginnen merk ik op dat door de verdediging in hoger beroep niet is aangevoerd dat de verklaring van de aangever en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] moeten worden uitgesloten van het bewijs. De raadsvrouw van de verdachte heeft wel betoogd dat er discrepanties tussen de verschillende verklaringen in het dossier zitten en dat om die reden niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld wat er is gebeurd.
2.8
Het hof heeft het hiervoor geciteerde onderdeel van de pleitnota kennelijk niet aangemerkt als een afzonderlijk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de verklaringen van de aangever en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte is aangevoerd over de discrepanties tussen de verschillende verklaringen in het dossier, heeft het hof kennelijk opgevat als onderbouwing van een algemener bewijsverweer.
2.9
Mede in aanmerking genomen dat de uitleg van de door de verdediging gevoerde verweren is voorbehouden aan de feitenrechter, acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het betoog van de raadsvrouw met name ziet op de weging en waardering van de verschillende verklaringen en op de rechterlijke overtuiging die nodig is om tot een bewezenverklaring te komen, en niet zozeer op de specifieke vraag of de verklaringen van de aangever en de getuigen betrouwbaar zijn en de daaropvolgende vraag of deze verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De ondubbelzinnige conclusie dat de verklaringen van de aangever en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] onbetrouwbaar zijn en van het bewijs moeten worden uitgesloten wordt daaraan niet verbonden.
2.1
Het standpunt van de raadsvrouw dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat op basis van dit dossier niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte enige bijdrage aan het geweld heeft geleverd, vindt zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Tot een nadere motivering was het hof, gelet op art. 359 lid 2 Sv, in dit opzicht niet gehouden.
2.11
Het middel faalt.

3.Afronding

3.1
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad geen uitspraak zal doen binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde voorwaardelijke taakstraf van tachtig uur kan worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. [4]
3.2
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, rov. 3.8.1, HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1072, rov. 2.3 en HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, rov. 3.3.
2.HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413, rov. 2.3.
3.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, rov. 3.7.1.
4.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492.