ECLI:NL:PHR:2025:1195

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
25/00561
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 2 OpiumwetArt. 26 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek in strafzaak medeplegen Opiumwet en wapenwet

De aanvrager is door de rechtbank Noord-Nederland bij vonnis van 1 augustus 2017 veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van meerdere feiten in strijd met de Opiumwet en de Wet wapens en munitie, waaronder oprichting en leiding van een criminele organisatie en gewoontewitwassen.

De verdediging heeft een verzoek tot herziening ingediend op basis van nieuwe feiten die afkomstig zijn uit het hoger beroep van voormalige medeverdachten, terwijl de aanvrager zelf niet in hoger beroep is gegaan. Deze nieuwe feiten zouden volgens de verdediging leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens schending van artikel 6 EVRM Pro.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeert dat het herzieningsverzoek ongegrond is. Hij verwijst naar zijn uitgebreide motivering in een soortgelijke zaak van een medeverdachte (ECLI:NL:PHR:2025:1194), waarin hij uitlegt waarom het verzoek moet worden afgewezen. De conclusie is dat de rechtbank bij kennis van de nieuwe feiten niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM had beslist.

Daarmee strekt de conclusie tot afwijzing van het herzieningsverzoek. Het oorspronkelijke vonnis blijft daarmee in stand, inclusief de opgelegde straf en beslissingen over in beslag genomen goederen.

Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt afgewezen en het oorspronkelijke vonnis blijft ongewijzigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00561 H
Zitting11 november 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[aanvrager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de aanvrager

Inleiding

1.
De rechtbank Noord-Nederland heeft de aanvrager bij vonnis van 1 augustus 2017 wegens
­
onder 1. “medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden, door: een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen en/of daar bij behulpzaam te zijn en zich en/of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd”;
­
onder 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”;
­
onder 3. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”;
­
onder 4. “als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet; en als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”;
­
onder 5. “gewoontewitwassen”;
­
onder 6. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, en artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en de feiten begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en/of een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd; en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen genomen over een aantal in beslag genomen goederen. [1]
2.
De advocaten N. van Schaik en H. Brentjes (hierna: de verdediging) hebben namens de aanvrager een verzoek ingediend tot herziening van de veroordeling die bij dit vonnis is uitgesproken. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00562 en 25/00577, waarin de verdediging eveneens een herzieningsverzoek heeft ingediend. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.

De bespreking en beoordeling van het herzieningsverzoek

3.
In de zaak van de voormalige medeverdachte van de aanvrager met zaaknummer 25/00562 heeft de verdediging mutatis mutandis een identiek herzieningsverzoek ingediend. In de conclusie die ik vandaag in die zaak neem, leg ik uit waarom de Hoge Raad dat herzieningsverzoek naar mijn mening zou moeten afwijzen. Voor de redenen waarom het herzieningsverzoek (ook) in deze zaak ongegrond is, verwijs ik daarom naar mijn opmerkingen onder de randnummers 4 tot en met 37 in mijn conclusie in die zaak (gepubliceerd onder ECLI:NL:PHR:2025:1194).

Slotsom

4.
Deze conclusie strekt tot afwijzing van de aanvraag tot herziening.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het vonnis is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RBNNE:2017:2946.