ECLI:NL:PHR:2025:1220

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
23/02479
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 27 lid 1 SrArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding na veroordeling voor drugs- en wapenhandel

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot 31 maanden gevangenisstraf wegens het bezit van harddrugs, vuurwapens en munitie, en het voorbereiden van strafbare feiten met betrekking tot de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. De verdachte ontkende betrokkenheid en voerde aan dat verklaringen van zijn ex-vrouw onbetrouwbaar waren.

In cassatie klaagde de verdediging dat het hof onvoldoende had gereageerd op de bezwaren tegen de verklaringen van de ex-partner. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet verplicht was om verweren die niet expliciet in hoger beroep waren herhaald te behandelen, en dat de verdachte onvoldoende verweer had gevoerd tegen de betrouwbaarheid van de verklaringen.

De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, wat leidt tot een vermindering van de opgelegde straf. De veroordeling blijft in stand, maar de straf wordt ambtshalve verminderd. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en beveelt ambtshalve vermindering van de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02479
Zitting11 november 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. De verdachte is – na een integrale vrijspraak in eerste aanleg – bij arrest van 27 juni 2023 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-000097-22) wegens 1
.“opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”,
2
.“om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”
,3. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” en 4.
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 maanden, met aftrek van voorarrest conform artikel 27 lid 1 Sr Pro.
2.
Er bestaat samenhang met de zaak 23/02613. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
4.
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring tekortschiet wegens het gebrek aan (voldoende) respons op hetgeen zijdens de verdachte “in eerste aanleg en in hoger beroep” is aangevoerd over de (on)betrouwbaarheid van de door de [getuige] afgelegde verklaringen.
5.
Ten laste van de verdachte heeft het hof – kort samengevat – bewezen verklaard dat hij samen met anderen in een pand in [plaats] harddrugs aanwezig had en vuurwapens en munitie voorhanden had, terwijl hij in dat pand aanwezig was om (versnijdings)handelingen met de aangetroffen harddrugs te verrichten.
6.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2023 houdt onder meer in:
“De verdachte legt op vragen een verklaring af, inhoudende:
Over de feiten:
Ik heb niets te maken met wat er op 3 juli 2019 is aangetroffen in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] . Een paar dagen voor die tijd was ik bedreigd door mijn ex-vrouw en haar nieuwe partner. Hier heb ik vaak genoeg aangifte van gedaan. (...) De verklaring van mijn ex-vrouw klopt niet. Zij wil mijn leven kapotmaken door leugens, ze vindt het geweldig om mij zwart te maken. Ik weet niet hoe ze aan een foto van [betrokkene 1] met € 500,- in contanten komt.
(...)
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging als volgt:
Mijn cliënt is terecht vrijgesproken door de rechtbank. Het bewijs ontbreekt dat cliënt (samen met anderen) harddrugs aanwezig heeft gehad en wapens en munitie voorhanden heeft gehad. (...) Verder bevat het dossier verklaringen die bevestigen dat er spanningen waren tussen cliënt en zijn ex-vrouw, wat een verklaring vormt voor zijn aanwezigheid in de woning. (…) Ik verzoek het hof om cliënt het voordeel van de twijfel te gunnen en daarom bepleit ik bevestiging van het vonnis.”
7.
Voor zover (de toelichting op) het middel de klacht bevat dat de bewezenverklaring tekortschiet nu het hof niet heeft gerespondeerd op het in eerste aanleg gevoerde verweer “dat en waarom de verklaringen van de voormalige partner van verdachte, [getuige] onjuist en onbetrouwbaar zijn”, faalt het. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat verweren die ter terechtzitting in eerste aanleg zijn gevoerd, maar in hoger beroep niet zijn herhaald, door het hof niet behoeven te worden besproken. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat aldaar de in de toelichting op het cassatiemiddel geciteerde en in eerste aanleg gevoerde verweren zijn herhaald.
8.
Voor zover (de toelichting op) het middel de klacht bevat dat de bewezenverklaring tekortschiet nu het hof niet heeft gerespondeerd op het in hoger beroep gevoerde verweer “dat en waarom de verklaringen van de voormalige partner van verdachte, [getuige] onjuist en onbetrouwbaar zijn”, faalt het eveneens. De rechter is niet verplicht te beslissen omtrent enig verweer of standpunt dat niet door of namens de verdachte ter terechtzitting uitdrukkelijk is voorgedragen. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep kan – daargelaten de enkele opmerking van de verdachte dat de verklaring van zijn ex-vrouw niet klopt en dat zij zijn leven wil kapotmaken door leugens – niet worden afgeleid dat de verdachte of zijn raadsvrouw met betrekking tot de betrouwbaarheid van die verklaringen enig verweer heeft gevoerd.

9.Het middel faalt.

Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie
10.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
Slotsom

11 Het middel faalt.

12.
Anders dan hetgeen ik in randnummer 10 heb opgemerkt, heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 26 juni 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB6054,
2.Het cassatieberoep is op 27 juni 2023 ingesteld.