ECLI:NL:PHR:2025:1268

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
24/00726
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openlijke geweldpleging in fastfoodrestaurant met beroep op noodweer

In deze zaak gaat het om openlijke geweldpleging, gepleegd door de verdachte en zijn medeverdachte in een McDonald's restaurant. De verdachte is op 21 oktober 2018 betrokken geraakt bij een vechtpartij met twee klanten, [aangever 1] en [aangever 2]. De verdachte en zijn medeverdachte, beiden werkzaam als beveiligers, hebben de klanten aangesproken na een melding van een eerdere aanranding. Tijdens de confrontatie ontstond een vechtpartij waarbij over en weer klappen werden uitgedeeld. De verdachte heeft in hoger beroep een beroep gedaan op noodweer, maar het hof heeft dit verweer verworpen. Het hof oordeelde dat de gedragingen van [aangever 2] geen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding vormden, en dat de verdachte had kunnen en moeten onttrekken aan de situatie, mede gezien de aanwezigheid van politie. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het beroep op cassatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00726
Zitting18 november 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 16 februari 2024 door het gerechtshof Den Haag [1] wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen”, veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van zestig uren, te vervangen door dertig dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren en aftrek overeenkomstig art. 27 Sr. Het hof heeft bevolen dat de in voorarrest doorgebrachte tijd op de taakstraf in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag. Het hof heeft daarnaast de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 2 bewezenverklaarde [2] bepaald op een taakstraf voor de duur van zestig uren, te vervangen door dertig dagen hechtenis, waarvan twintig uren, te vervangen door tien dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/00671, waarin ik vandaag ook zal concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. B. Kizilocak, advocaat in Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.4
Het middel komt met verschillende deelklachten op tegen de verwerping door het hof van het beroep op noodweer.

2.De bewezenverklaring en bewijsmiddelen

2.1
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 21 oktober 2018 te [plaats] ,
openlijk, te weten op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten in de McDonalds gelegen aan de [a-straat 1] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1] en [aangever 2] ,
welk geweld bestond uit
- tegen het lichaam van die [aangever 2] te duwen en
- die [aangever 2] bij de nek vast te pakken en
- in het gezicht en tegen het lichaam van die [aangever 1] te slaan/stompen en
- tegen het lichaam van die [aangever 2] te slaan/stompen en
- oppakken van een stoel en vervolgens met die stoel een slaande beweging te maken in de richting van die [aangever 2] en [aangever 1] en
- een bokshouding aan te nemen en
- de benen van die [aangever 2] vast te pakken, ten gevolge waarvan hij op de grond is gevallen.”
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. De eigen waarneming van het hof.
Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2024 op de beelden (21-10-2018 03_13_17 (UTC+02_00)) waargenomen – zakelijk weergegeven –:
De voorzitter beschrijft te zien dat [aangever 2] en [aangever 1] links in beeld staan. De verdachte komt aanlopen en wordt aangesproken door een vrouw, waarna hij in gesprek gaat met [aangever 2] en [aangever 1] . Op 00:36 is te zien dat medeverdachte [verdachte] [3] komt aanlopen.
De voorzitter beschrijft te zien dat op 03:52 twee verbalisanten naar binnen komen lopen. Op 03:57 spreekt de verdachte de verbalisanten aan en wijst naar [aangever 2] en [aangever 1] .
De voorzitter beschrijft te zien dat op 04:04 de verdachte zich omdraait, met zijn vinger bewegingen maakt naar [aangever 2] en dat [aangever 2] op staat van de bank.
Voorts beschrijft de voorzitter te zien dat op 04:08 de verdachte een beweging maakt richting [aangever 2] waarna zij beide elkaars armen vastpakken. [aangever 2] geeft de verdachte vervolgens een duw. [verdachte] pakt [aangever 2] vast bij zijn bovenarmen en duwt hem naar achteren. Op 04:13 is te zien dat [aangever 2] [verdachte] slaat. Er worden klappen over en weer uitgedeeld. Te zien is dat op 04:23 [verdachte] op de grond terechtkomt..
De voorzitter beschrijft te zien dat op 04:13 dat [aangever 1] [verdachte] een trap geeft, waarna de verdachte hem naar achteren duwt. Te zien is dat de verdachte een bokshouding aanneemt. Op 04:18 geeft de verdachte aan [aangever 1] een vuistslag met zijn rechtervuist. Op 04:20 legt een verbalisant een hand op de schouder van de verdachte en trekt hem naar achteren. op 04:23 pakt de verdachte een rode stoel en maakt met de stoel een zwaai richting [aangever 1] .
Te zien is dat op 04:28 de verdachte een stoel pakt en met de stoel tegen [aangever 2] aan slaat. [verdachte] pakt de voeten van [aangever 1] vast waardoor hij ten val komt.
2. Een proces-verbaal van aangifted.d. 10 januari 2019, van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2019010188-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 16):
als de door aangever [aangever 1] afgelegde verklaring:
Op 21 oktober 2018 was ik samen met mijn broer [aangever 2] in de McDonalds op de [a-straat] te [plaats] . Tijdens een incident werden mijn broer en ik door een tweetal portiers aangevallen en wij hebben ons toen verdedigd. Over en weer werden er klappen en schoppen uitgedeeld. Een van de portiers gooide zelfs met een stoel.
3. Een proces-verbaal van aangifted.d. 10 januari 2019, van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2019010212-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 13):
als de door aangever [aangever 2] afgelegde verklaring:
Op 21 oktober 2018 was ik samen met mijn broer [aangever 1] in de McDonalds op de [a-straat] te [plaats] . Tijdens een incident werden mijn broer en ik door een tweetal portiers aangevallen en wij hebben ons toen verdedigd. Over en weer werden er klappen en schoppen uitgedeeld. Een van de portiers gooide zelfs met een stoel.
4. Een proces-verbaal van bevindingend.d. 21 oktober 2018, van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2018316564-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 36-38) :
als relaas van de verbalisanten:
Op 21 oktober 2018 kwam er een assistentieverzoek binnen van de portiers van de McDonalds aan de [a-straat 1] te [plaats] . Ter plaatse zagen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , dat er luid geschreeuwd en over en weer gescholden werd tussen enerzijds een tweetal portiers en anderzijds een tweetal mannelijke gasten. De beide mannen aan de tafel bleken later te zijn genaamd: [aangever 1] en [aangever 2] .
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , vroeg aan [medeverdachte] wat de reden was van het assistentieverzoek. Ik voelde dat [medeverdachte] mij als het ware wegduwde en op uiterst escalerende wijze dreigementen begon te uiten tegen de twee mannen aan de tafel.
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag dat [medeverdachte] een stoel pakte met zijn rechterhand en dat hij deze trachtte te gooien naar de beide mannen aan tafel. Er brak een gevecht uit tussen enerzijds de beide portiers en anderzijds de twee mannen aan de tafel. Er werden over en weer harde klappen uitgedeeld.
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , probeerde beveiliger [verdachte] aan zijn schouders achteruit te trekken teneinde de partijen uit elkaar te halen. Ik zag dat er door partijen werd geslagen en dat er stoelen door de lucht vlogen.
5. Een proces-verbaal van bevindingend.d. 21 oktober 2018, van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2018316564-30. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 50-53):
als relaas van de verbalisant:
Ik, verbalisant [verbalisant 3] , onderzocht de beelden van de mishandeling op 21 oktober 2018. Ik zag dat de beelden voorzien waren van de volgende aanduiding: 21/10/2018 03:13:17.312. Ik herkende op deze camerabeelden de bovenverdieping van de McDonalds [a-straat 1] te [plaats] .
[aangever 1] is verdachte 3. [aangever 2] is verdachte 4. [medeverdachte] is verdachte 1 en [verdachte] is verdachte 2.
Ik zag dat verdachte 1 vanaf de trap liep in de richting van verdachte 3 en 4. Ik zag dat verdachte 1 aangesproken werd door de eerder genoemde voor mij onbekend gebleven vrouw. Ik zag dat de vrouw wees in de richting van een tafel die grotendeels buiten het opgenomen cameragebied stond. Ik zag vervolgens dat deze vrouw wees in de richting van verdachte 3. Ik zag dat verdachte 1 vervolgens verdachte 3 en 4 aanspreekt waarna hij met zijn rechterarm verdachte 4 een stukje opzij duwde. Ik zag dat verdachte 3 en 4 in gesprek [waren] met verdachte 1 waarbij verdachte 3 en 4 meerdere malen wezen in de richting van de eerder genoemde tafel die grotendeels buiten het cameragebied stond.
Vervolgens zag ik dat om 03:13:38.968 verdachte 1 zijn bril afzette. Vervolgens zag ik dat verdachte 1 achteruit stapte en bij het achteruit stappen links naar beneden keek en vervolgens met zijn rechtervoet een aldaar geplaatste rood kleurige stoel aan de kant schopte.
Vervolgens werd zichtbaar dat om 03:13:51.430 verdachte 2 de trap op kwam lopen. Ik zag dat verdachte 2 naast verdachte 1 ging staan, tegenover verdachte 3 en 4.
Om 03:16:43.273 zag ik dat verdachte 1 op zij keek, vermoedelijk naar buiten, en met de hand van zijn rechterarm gebaren maakte. Om 03:17:06.261 zag ik dat twee politiefunctionarissen de trap op kwamen lopen.
Ik zag vervolgens dat verdachte 2 in gesprek raakt met een van deze politiefunctionarissen en dat verdachte 1 de andere politiefunctionaris middels een handgebaar wees op verdachte 3. Ik zag dat verdachte 3 met zijn linkerarm gebaren maakte waarna verdachte 1 tegen de tafel aan komt staan schuin boven verdachte 4 en dat hij met zijn rechterhand gebaren maakte in de richting van verdachte 4.
Om 03:17:24.518 zag ik dat verdachte 4 op stond.
Om 03:17:26.517 zag ik dat verdachte 4 met zijn linkerarm de verdachte 1 naar achter dirigeerde.
Om 03:17:26.717 zag ik dat verdachte 1 met zijn rechterarm een indraaiende beweging maakte.
Om 03:17:27.118 zag ik dat verdachte 4 beide handen op de armen van verdachte 1 plaatste.
Om 03:17:27.917 zag ik dat verdachte 2 een voor mij onbekend gebleven vrouw weg duwde die tussen hem en verdachte 4 stond.
Om 03:17:28.717 zag ik dat verdachte 4 de verdachte 1 naar achter duwde.
Om 03:17:29.650 zag ik dat verdachten 1 en 2 de verdachte 4 vastpakte waarna verdachte 2 de verdachte 4 naar achteren duwt.
Om 03:17:32.448 zag ik dat verdachte 2 met zijn linkerarm de verdachte 4 vastpakte bij zijn nek.
Om 03:17:32.847 zag ik dat verdachte 1 met zijn rechterarm een slaande beweging maakte in de richting van het gezicht van verdachte 3. Ik zag dat verdachte 3 zijn evenwicht verloor en achterover viel tegen de tafel aan.
Om 03.17:36.178 zag ik dat verdachte 1 met zijn rechterarm een slaande beweging maakte in de richting van het gezicht van verdachte 3 die op dat moment op de bank zat. Ik zag dat verdachte 3 zijn rechterarm omhoog hield voor zijn gelaat waarna ik zag dat verdachte 3 achterover viel op de bank.
Om 03:17:36.178 zag ik dat verdachte 2 en 4 elkaar in een worstel greep vast hadden waarbij over en weer slaande bewegingen vielen.
Om 03:17:41.110 zag ik dat verdachte 2 en 4 al worstelend tussen verdachte 1 en 3 in kwamen.
Om 03:17:41.910 zag ik dat verdachte 2 ten val was gekomen.
Om 03:17:43.375 zag ik dat verdachte 1 met een rood kleurige stoel een slaande beweging maakte in de richting van verdachte 3.
Om 03.17:47.507 zag ik dat verdachte 1 met een rood kleurige stoel een slaande beweging maakt in de richting van verdachte 4 en vervolgens achteruit liep.
Om 03:17:47.640 zag ik dat verdachte 4 een afwerende beweging maakt tegen de inkomende stoel, deze afweer en vervolgens mijn zijn rechter arm een slaande beweging maakte in de richting van verdachte 1.
Om 03:17:48.773 zag ik dat verdachte 1 achteruit deinsde, gevolgd door verdachte 4.
Om 03:17:49.505 zag ik dat verdachte 2, die nog steeds op de grond lag, verdachte 4 bij zijn benen vast pakte waardoor verdachte 4 ten val kwam.”

3.Het middel

3.1
Het middel komt met verschillende deelklachten op tegen de verwerping door het hof van het beroep op noodweer. De eerste deelklacht richt zich tegen de overweging van het hof dat de verdachte heeft bijgedragen aan het ontstaan van de vechtpartij. De tweede deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de gedragingen van [aangever 2] (het opstaan en duwen) geen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf of dat van zijn collega vormden waartegen
verdediging geboden was, ontoereikend is gemotiveerd. De derde deelklacht komt op tegen de verwerping door het hof van het beroep op noodweer voor zover dat betrekking heeft op het slaan met de stoel en het vastpakken van de benen van [aangever 2] .
3.2
Op de terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2024 heeft de raadsvrouw van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij handelde uit noodweer (art. 41 lid 1 Sr). Het hof heeft dit verweer in zijn arrest van 16 februari 2024 als volgt samengevat weergegeven en verworpen:

Bespreking van het gevoerde verweer
De raadsvrouw van de verdachte heeft – overeenkomstig de overgelegde pleitnotities – bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Daartoe heeft zij aangevoerd dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding tegen zijn lijf, dan wel het lijf van medeverdachte [medeverdachte] , waartegen noodzakelijke verdediging geboden was. Samengevat is daartoe gesteld dat de verdachte, samen met [medeverdachte] , die nacht als beveiliger werkzaam was bij McDonalds. Het waren [aangever 1] en zijn broer [aangever 2] die – nadat zij door verdachte waren aangehouden – zich agressief bleven gedragen. Toen [aangever 2] zijn collega aanviel, heeft verdachte zich eveneens met de situatie bemoeid. Omdat de politie niet ingreep, moest verdachte zijn collega en later zichzelf verdedigen.
Het hof gaat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting – in het bijzonder op grond van de getoonde camerabeelden – uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 21 oktober 2018 waren de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] als beveiligers aan het werk in de McDonald’s aan de [a-straat] in [plaats] . De medeverdachte [medeverdachte] werd benaderd door een groep vrouwen met de melding dat één van die vrouwen, [betrokkene 1] , met een vlakke hand een klap in haar gezicht had gekregen van een man. [medeverdachte] sprak deze man vervolgens aan – hij bleek te zijn [aangever 1] – en deelde hem mede dat hij hiervoor werd aangehouden. Ondertussen verzocht [medeverdachte] om politie-assistentie en voegde de verdachte zich bij zijn collega.
Na woordenwisselingen over en weer tussen [medeverdachte] , en [aangever 2] en zijn broer [aangever 1] gaan [aangever 2] en [aangever 1] aan een tafel zitten. Na enkele minuten komt de politie ter plaatse. [medeverdachte] wijst de verbalisanten op [aangever 1] , die op dat moment nog steeds op de bank aan tafel zit. Dan draait [medeverdachte] zich om en nadert [aangever 2] . [aangever 2] staat op van de bank. Vervolgens maakt [medeverdachte] met zijn lichaam een beweging richting [aangever 2] waarop [aangever 2] [medeverdachte] een duw geeft. De verdachte loopt naar [aangever 2] toe en pakt zijn linkerarm vast, en ook [medeverdachte] pakt [aangever 2] vast. De verdachte duwt [aangever 2] . [aangever 2] duwt terug en slaat de verdachte. [aangever 1] geeft de verdachte een trap. Er ontstaat dan een vechtpartij waarbij over en weer geslagen wordt tussen aan de ene kant [medeverdachte] en de verdachte aan de andere kant [aangever 2] en [aangever 1] ; de verdachte en [aangever 2] slaan elkaar meermalen en tussen [medeverdachte] en [aangever 1] wordt over en weer geduwd waarna [medeverdachte] [aangever 1] slaat. Op enig moment komt de verdachte ten val, waarop, terwijl hij op dat moment op de grond ligt, [aangever 2] hem meermalen in het gezicht schopt. [medeverdachte] pakt op dat moment een rode plastic stoel en slaat [aangever 2] tegen zijn lichaam. [medeverdachte] wordt vervolgens weggetrokken door de politie en ook de verdachte en [aangever 2] worden uit elkaar gehaald.
Het hof overweegt als volgt.
Voor een geslaagd beroep op noodweer moet aannemelijk worden dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of anders lijf waartegen verdediging noodzakelijk was.
Uit de door het hof vastgestelde feitelijke toedracht volgt dat de vechtpartij begonnen is nadat medeverdachte [medeverdachte] een beweging maakte in de richting van de zittende [aangever 2] , waarop deze opstaat en [medeverdachte] duwt. Daaropvolgend pakten verdachte en [medeverdachte] [aangever 2] bij de arm vast en wordt deze geduwd. Eerst daarna wordt door [aangever 2] geslagen en ontstaat een vechtpartij waarbij over en weer wordt geslagen en geschopt.
Naar het oordeel van het hof vormden de gedragingen (opstaan en duwen) van [aangever 2] jegens verdachte en zijn collega geen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn (verdachtes) lijf of dat van zijn collega waartegen verdediging geboden was. Bij dit oordeel betrekt het hof dat er inmiddels politieagenten aanwezig waren, en dat het opstaan en duwen door [aangever 2] niet van een zodanige aard en hevigheid was dat van de verdachte niet kon worden gevergd dat hij zou zich onttrekken aan de situatie en de verdere afhandeling aan de politie over te laten. In de gegeven omstandigheden bestond daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid. In plaats daarvan heeft de verdachte bijgedragen aan het ontstaan van de vechtpartij.
Gelet op het voorgaande was er ook geen sprake van een situatie waarin verdediging tegen de (vrees voor) aanranding noodzakelijk was.
Het hof verwerpt het verweer.”
3.3
De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof, voor zover inhoudende dat de verdachte heeft bijgedragen aan het ontstaan van de vechtpartij, onbegrijpelijk is. Daarnaast klaagt de steller van het middel dat het hof het beroep op noodweer ten aanzien van de fase waarin over en weer werd geslagen onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
3.4
De deelklacht is gericht tegen de volgende passage uit het arrest van het hof:
“Uit de door het hof vastgestelde feitelijke toedracht volgt dat de vechtpartij begonnen is nadat medeverdachte [medeverdachte] een beweging maakte in de richting van de zittende [aangever 2] , waarop deze opstaat en [medeverdachte] duwt. Daaropvolgend pakten verdachte en [medeverdachte] [aangever 2] bij de arm vast en wordt deze geduwd. Eerst daarna wordt door [aangever 2] geslagen en ontstaat een vechtpartij waarbij over en weer wordt geslagen en geschopt.
Naar het oordeel van het hof vormden de gedragingen (opstaan en duwen) van [aangever 2] jegens verdachte en zijn collega geen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn (verdachtes) lijf of dat van zijn collega waartegen verdediging geboden was. Bij dit oordeel betrekt het hof dat er inmiddels politieagenten aanwezig waren, en dat het opstaan en duwen door [aangever 2] niet van een zodanige aard en hevigheid was dat van de verdachte niet kon worden gevergd dat hij zou zich onttrekken aan de situatie en de verdere afhandeling aan de politie over te laten. In de gegeven omstandigheden bestond daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid. In plaats daarvan heeft de verdachte bijgedragen aan het ontstaan van de vechtpartij.”
3.5
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 oktober 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (bewijsmiddel 5), houdt over de fase voorafgaand aan de vechtpartij onder meer het volgende in:
“ [aangever 1] is verdachte 3. [aangever 2] is verdachte 4. [medeverdachte] is verdachte 1 en [verdachte] is verdachte 2.
(…)
Ik zag vervolgens dat verdachte 2 in gesprek raakt met een van deze politiefunctionarissen en dat verdachte 1 de andere politiefunctionaris middels een handgebaar wees op verdachte 3. Ik zag dat verdachte 3 met zijn linkerarm gebaren maakte waarna verdachte 1 tegen de tafel aan komt staan schuin boven verdachte 4 en dat hij met zijn rechterhand gebaren maakte in de richting van verdachte 4.
Om 03:17:24.518 zag ik dat verdachte 4 op stond.
Om 03:17:26.517 zag ik dat verdachte 4 met zijn linkerarm de verdachte 1 naar achter dirigeerde.
Om 03:17:26.717 zag ik dat verdachte 1 met zijn rechterarm een indraaiende beweging maakte.
Om 03:17:27.118 zag ik dat verdachte 4 beide handen op de armen van verdachte 1 plaatste.
Om 03:17:27.917 zag ik dat verdachte 2 een voor mij onbekend gebleven vrouw weg duwde die tussen hem en verdachte 4 stond.
Om 03:17:28.717 zag ik dat verdachte 4 de verdachte 1 naar achter duwde.
Om 03:17:29.650 zag ik dat verdachten 1 en 2 de verdachte 4 vastpakte waarna verdachte 2 de verdachte 4 naar achteren duwt.
Om 03:17:32.448 zag ik dat verdachte 2 met zijn linkerarm de verdachte 4 vastpakte bij zijn nek.
Om 03:17:32.847 zag ik dat verdachte 1 met zijn rechterarm een slaande beweging maakte in de richting van het gezicht van verdachte 3. Ik zag dat verdachte 3 zijn evenwicht verloor en achterover viel tegen de tafel aan.
Om 03.17:36.178 zag ik dat verdachte 1 met zijn rechterarm een slaande beweging maakte in de richting van het gezicht van verdachte 3 die op dat moment op de bank zat. Ik zag dat verdachte 3 zijn rechterarm omhoog hield voor zijn gelaat waarna ik zag dat verdachte 3 achterover viel op de bank. ”
3.6
Voor zover de eerste deelklacht inhoudt dat het hof de gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachte als aanvallend heeft gekarakteriseerd, berust het op een onjuiste lezing van het arrest: het hof heeft enkel overwogen dat de verdachte heeft bijgedragen aan het ontstaan van de vechtpartij. Dat oordeel vind ik – in het licht van de gedragingen die door de verdachte en zijn medeverdachte zijn verricht voorafgaand aan het over en weer slaan en schoppen – niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen en overwegingen van het hof kan worden afgeleid dat het opstaan en duwen door [aangever 2] een reactie is geweest op een beweging van [medeverdachte] in zijn richting, dat het hof heeft vastgesteld dat het opstaan en duwen door [aangever 1] [4] niet van een zodanige aard en hevigheid was dat van de verdachte niet kon worden gevergd dat hij zich zou onttrekken aan de situatie en dat er al vóór het ontstaan van de vechtpartij politie was gearriveerd, zodat – zo stelt het hof vast – de verdere afhandeling aan de politie kon worden overgelaten. De bijdrage van de verdachte aan het ontstaan van de vechtpartij is er dus in gelegen, zo begrijp ik het hof, dat hij de situatie niet heeft overgedragen aan de politie ter plaatse, maar in plaats daarvan met zijn medeverdachte actief is afgestapt op [aangever 2] , en hem – na een beweging door medeverdachte [medeverdachte] en een duw door [aangever 2] – heeft vastgepakt, naar achteren geduwd en vervolgens bij zijn nek heeft vastgepakt.
3.7
De deelklacht houdt verder in dat het hof het beroep op noodweer, voor zover dat ziet op de fase waarin over en weer wordt geslagen en geschopt, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Over de rol van de verdachte in deze fase heeft zijn raadsvrouw bij pleidooi in hoger beroep onder meer het volgende naar voren gebracht (zonder overneming van voetnoten):
“38. Fase 3 wordt ingeluid door die eerste klap die [aangever 2] uitdeelt, een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, gericht tegen mijn client. Ik maak hier ook het onderscheid, omdat fase 2 die hieraan voorafgaat wordt getekend het geweld dat tegen [medeverdachte] gericht is en de agressiviteit tegen de overige bezoekers.
39. Fase 3 wordt daarentegen gekenmerkt door het aanhoudende geweld tegen mijn client en wordt wat betreft de rol van mijn client door zelfverdediging en een poging de controle terug te winnen. Het oordeel van de rechtbank, dat cliënt daarbij “meerdere vuistslagen” zouden hebben uitgedeeld volgt de verdediging niet. Client is niet degene die trapt of slaat en niet degene die excessief geweld gebruikt.
40. [aangever 2] , daarentegen, deelt rake en gerichte klappen uit tegen het hoofd van [verdachte] . Op de camerabeelden is goed te zien hoe professioneel dat eraan toegaat. [aangever 2] – zo lees ik in zijn vonnis in eerste aanleg – is bokstrainer. Dat heeft client geweten. Helaas heeft client niks gemerkt van de
agressiereguleringscursussen, die [aangever 2] daarnaast nota bene
zelfverzocht.
41. Client verdedigt zichzelf, probeert zijn eigen lichaam noodzakelijkerwijs te beschermen tegen te klappen. Keer op keer probeert client [aangever 2] vast te grijpen in hem weer onder controle te krijgen: bij zijn schouders (04:15), bij zijn jas/nek (04:17), bij zijn armen (04:20).
Zijn pogingen slagen niet. Opvallend is dat client met zelfbeheersing reageert op de constante klappen en vuistslagen door [aangever 2] . Daarmee voldoet zijn reactie op het geweld van [aangever 2] ook aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.”
3.8
Het hof heeft overwogen (zie onder randnummer 3.2) dat de primaire gedragingen van [aangever 2] (het opstaan en het duwen van medeverdachte [medeverdachte] ) geen noodweersituatie deden ontstaan. Aan dat oordeel heeft het hof onder meer ten grondslag gelegd dat het opstaan en duwen door [aangever 1] [5] - zoals ook onder 3.6 besproken – niet van een zodanige aard en hevigheid was dat van de verdachte niet kon worden gevergd dat hij zich zou onttrekken aan de situatie. Volgens het hof bestond in de gegeven omstandigheden een reële en redelijke mogelijkheid om zich aan de situatie te onttrekken, mede vanwege de aanwezigheid van de politie.
3.9
Inherent aan dit oordeel is dat het daarna (tijdens wat het hof omschrijft als “een vechtpartij waarbij over en weer wordt geslagen en geschopt”) door de verdachte en zijn medeverdachte toegepaste geweld in beginsel wederrechtelijk was; er was geen sprake van een noodweersituatie. Uit de verwerping van het beroep op noodweer en de karakterisering van het geweld als “een vechtpartij (…) over en weer” leid ik af dat dat het hof van oordeel is geweest dat het slaan en schoppen door [aangever 2] en [aangever 1] geen (nieuwe) wederrechtelijke aanranding betrof waartegen verdediging geboden was, en dat de bijdrage van de verdachte niet (enkel) verdedigend van aard is geweest. Dat oordeel is, mede gelet op hetgeen in dit kader door de verdediging naar voren is gebracht, toereikend gemotiveerd.
3.1
De eerste deelklacht faalt.
3.11
De tweede deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de gedragingen van [aangever 2] (het opstaan en duwen) geen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf of dat van zijn collega vormden waartegen
verdediging geboden was, ontoereikend is gemotiveerd. Daartoe voert de steller van het middel onder meer aan dat het hof niet is ingegaan op de stelling van de verdediging dat de politieagenten passief bleven tijdens het incident, en dat de verdachte in overeenstemming handelde met zijn taken als beveiliger.
3.12
De deelklacht heeft betrekking op de volgende passage uit het arrest van het hof (reeds weergegeven onder randnummers 3.2 en 3.4):
“Naar het oordeel van het hof vormden de gedragingen (opstaan en duwen) van [aangever 2] jegens verdachte en zijn collega geen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn (verdachtes) lijf of dat van zijn collega waartegen verdediging geboden was. Bij dit oordeel betrekt het hof dat er inmiddels politieagenten aanwezig waren, en dat het opstaan en duwen door [aangever 2] niet van een zodanige aard en hevigheid was dat van de verdachte niet kon worden gevergd dat hij zou zich onttrekken aan de situatie en de verdere afhandeling aan de politie over te laten. In de gegeven omstandigheden bestond daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid. In plaats daarvan heeft de verdachte bijgedragen aan het ontstaan van de vechtpartij.”
3.13
Ter terechtzitting in hoger beroep van 2 augustus 2024 heeft de raadsvrouw van de verdachte over de aanwezigheid en het handelen van de politie het volgende naar voren gebracht (zonder overneming van voetnoten):
“15. Dan staat [aangever 2] plotseling op van zijn zitplaats op de bank (04:08). Hij steekt daarbij zijn linkerarm uit en duwt [medeverdachte] licht. Een van de politieagenten doet een stap naar voren, maar grijpt niet in (04:09).
16. [medeverdachte] , thans nog bezig met het bewaken van de controle over de twee broers [aangever 1 en 2] , doet een stap naar voren en maakt zich groot (04:08). Een van de politieagenten steekt zijn arm uit naar [medeverdachte] , maar grijpt niet in.
17. Dan volgt de tweede duw door [aangever 2] . Deze duw van [aangever 2] is met kracht. [medeverdachte] , toch een man van formaat, wordt zichtbaar naar achteren geduwd (04:08). Juist op dat moment stapt de politieagent die het dichtstbij is, naar achteren (04:09.
(…)
34. Cliënt – die al enige tijd de situatie heeft aangekeken – schat in dat dit volledig uit de hand zal lopen en reageert door [aangever 2] vast te pakken en hem terug te duwen. De politie, grijpt namelijk niet in. De broers waren dermate agressief en dreigend dat cliënt geen andere mogelijkheid zag dan ingrijpen. Het is niet reëel om van hem onder die omstandigheid te verwachten om nog langer toe te kijken terwijl zijn collega wordt aangevallen. Onttrekken aan de situatie kon dan ook niet van worden gevergd, er was hier geen reële of redelijke mogelijkheid toe.
(…)
41. Terwijl [verdachte] zichzelf verdedigt tegen de klappen van [aangever 2] , lopen de politieagenten steeds verder naar achteren. Zij lopen achterwaarts richting het glazen trapportaal (04:14 t/m 04:18). Te zien is zelfs dat een van de politieagenten daarbij achterwaarts bijna over een stoel struikelt. Van ingrijpen is bij lange na geen sprake. De mogelijkheid voor client om zich te onttrekken is er niet en het overlaten aan de politie, is kansloos.
(…)
51. Uiteindelijke is mijn clients nauwelijks meer in staat om zichzelf te verdedigen. Hij ligt op de grond en houdt tevergeefs zijn hand omhoog in de richting van [aangever 2] (04:26). [aangever 2] deelt drie opeenvolgende professioneel ogende karatetrappen uit tegen het hoofd van client (04:24, 04:26 en 04:29). Client wordt gered door [medeverdachte] , die een stoel gooit naar [aangever 2] . Vier politieagenten op een rij staan te kijken, terwijl client in elkaar getrapt wordt (04:27 t/m 04:30).”
3.14
Over de gedragingen van de verdachte voorafgaand aan de vechtpartij heeft de raadsvrouw van de verdachte onder meer aangevoerd (zonder overneming van voetnoten):
“21. Ten eerste moet het ingrijpen van [verdachte] worden bezien in het licht van de zojuist verrichtte burgeraanhouding. In 2019 oordeelde uw hof over de burgeraanhouding door een beveiliger als volgt:
Bij de beantwoording van de vraag of het optreden van de beveiliger ter aanhouding van de verdachte rechtmatig was stelt het hof voorop dat het een burger op grond vanartikel 53van het Wetboek van Strafvordering is toegestaan in geval van ontdekking op heterdaadhandelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om de verdachte, waar nodig met gepaste dwang of gepast geweld, onder controle te krijgen, teneinde hem onverwijld te kunnen overdragen aan een opsporingsambtenaar. Het handelen van de burger dient te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
22. Die poging van client om [aangever 2] terug te zetten op de bank valt binnen dat kader van artikel 53 Sv. Het is duidelijk een duw gericht op het onder controle krijgen van [aangever 2] en voldoet gelet op het
doel om de broers over te dragen aan de politie, ook aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het overdragen van de twee aan de politie, was gelet op de afwachtende houding van de politie, immers nog niet voltooid.”
3.15
De fase van het conflict/de geweldpleging waarop de onder 3.12 geciteerde overweging van het hof betrekking heeft, betreft het moment waarop [aangever 2] opstaat en duwt, waarna een reactie van de verdachte volgt. Uit de eigen waarneming van de camerabeelden door het hof (bewijsmiddel 1) blijkt over (de aanloop naar) deze fase het volgende: [6]
“De voorzitter beschrijft te zien dat [aangever 2] en [aangever 1] links in beeld staan. De verdachte komt aanlopen en wordt aangesproken door een vrouw, waarna hij in gesprek gaat met [aangever 2] en [aangever 1] . Op 00:36 is te zien dat medeverdachte [verdachte] komt aanlopen.
De voorzitter beschrijft te zien dat op 03:52 twee verbalisanten naar binnen komen lopen. Op 03:57 spreekt de verdachte de verbalisanten aan en wijst naar [aangever 2] en [aangever 1] .
De voorzitter beschrijft te zien dat op 04:04 de verdachte zich omdraait, met zijn vinger bewegingen maakt naar [aangever 2] en dat [aangever 2] op staat van de bank.
Voorts beschrijft de voorzitter te zien dat op 04:08 de verdachte een beweging maakt richting [aangever 2] waarna zij beide elkaars armen vastpakken. [aangever 2] geeft de verdachte vervolgens een duw. [verdachte] pakt [aangever 2] vast bij zijn bovenarmen en duwt hem naar achteren. Op 04:13 is te zien dat [aangever 2] [verdachte] slaat. Er worden klappen over en weer uitgedeeld. Te zien is dat op 04:23 [verdachte] op de grond terechtkomt.”
3.16
Uit de eigen waarneming van het hof blijkt niet dat de politie op het moment dat [aangever 2] opstaat van de bank en de verdachte duwt, ingrijpt. Het hof heeft desondanks overwogen dat de verdachte zich aan de situatie had kunnen en moeten onttrekken.
3.17
Daarmee heeft het hof de stelling van de verdediging dat de politie passief is gebleven niet in het midden gelaten: het hof heeft ten aanzien van de eerste fase van het geweld (het duwen door [aangever 2] ) overwogen dat de verdachte zich aan de situatie had kunnen en moeten onttrekken en heeft in dat oordeel de (op dat moment nog passieve) aanwezigheid van de politie ter plaatste betrokken. Daarbij merk ik op dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de politie op een gegeven moment heeft geprobeerd de vechtende partijen uit elkaar te halen (zie bewijsmiddelen 1 en 4). Kennelijk heeft het hof over de tussenliggende periode, waarin over en weer werd geslagen en geschopt, geoordeeld dat – ondanks het niet ingrijpen van de politie – geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door [aangever 2] en [aangever 1] , waartegen verdediging geboden was (zie hierover deelklacht 1, onder randnummer 3.9).
3.18
Het oordeel van het hof dat het opstaan en duwen door [aangever 2] niet van een zodanige aard en hevigheid was dat van de verdachte niet kon worden gevergd dat hij zou zich onttrekken aan de situatie – mede gelet op de aanwezigheid van de politie op dat moment – vind ik, ook in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd (weergegeven onder 3.13 en 3.14), niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik op dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [aangever 2] en [aangever 1] op het moment dat de politie arriveerde aan een tafel zaten, en [aangever 2] pas opstond nadat door de medeverdachte [medeverdachte] een gebaar werd gemaakt in zijn richting. Uit de bewijsmiddelen volgt dus – anders dan de verdediging heeft geschetst – geen beeld waarin de verdachte en zijn medeverdachte
moesteningrijpen om [aangever 2] en [aangever 1] onder controle te krijgen en over te kunnen dragen aan de politie.
3.19
Door de steller van het middel wordt in de tweede deelklacht verder nog aangevoerd dat het hof niet begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom de aanranding door [aangever 2] (het duwen) en de reactie van de verdachte niet in een redelijke verhouding tot elkaar zouden staan. Deze klacht treft geen doel: het hof heeft geoordeeld dat geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn (verdachtes) lijf of dat van zijn collega waartegen verdediging geboden was, onder meer omdat het opstaan en duwen door [aangever 2] niet van een zodanige aard en hevigheid was dat van de verdachte niet kon worden gevergd dat hij zich zou onttrekken aan de situatie. Met andere woorden: er was volgens het hof geen sprake van een noodweersituatie, waarin de aangerande zich ‘mag’ verdedigen. Aan de beantwoording van de vraag of de verdediging in een redelijke verhouding stond tot de aanval (de proportionaliteitsvraag), komt het hof daarom niet toe. [7]
3.2
De tweede deelklacht faalt.
3.21
De derde deelklacht komt op tegen de verwerping door het hof van het beroep op noodweer voor zover dat betrekking heeft op slaan met de plastic stoel in de richting van [aangever 2] en het vastpakken van de benen van [aangever 2] . Volgens de steller van het middel blijkt uit de motivering van het hof onvoldoende waarom aan de verdachte ten aanzien van deze handelingen geen geslaagd beroep op noodweer toekomt.
3.22
Ter terechtzitting in hoger beroep van 2 augustus 2024 heeft de raadsvrouw van de verdachte over voornoemde door de verdachte en zijn medeverdachte verrichte geweldshandelingen het volgende naar voren gebracht:
“50. Ik concludeer dat cliënt een beroep op noodweer toekomt. Hij is derhalve niet strafbaar voor de openlijke geweldpleging. Ik verzoek u hem dan ook te ontslaan van alle rechtsvervolging.
51. Uiteindelijke is mijn clients nauwelijks meer in staat om zichzelf te verdedigen. Hij ligt op de grond en houdt tevergeefs zijn hand omhoog in de richting van [aangever 2] (04:26). [aangever 2] deelt drie opeenvolgende professioneel ogende karatetrappen uit tegen het hoofd van client (04:24, 04:26 en 04:29). Client wordt gered door [medeverdachte] , die een stoel gooit naar [aangever 2] . Vier politieagenten op een rij staan te kijken, terwijl client in elkaar getrapt wordt (04:27 t/m 04:30).
3.23
Uit de hiervoor weergegeven passage uit de pleitnotitie leid ik niet af dat de raadsvrouw van de verdachte ten aanzien van het slaan met de stoel door de medeverdachte en het vastpakken van de benen van [aangever 2] door de verdachte een beroep op noodweer doet. Het hof was zodoende niet gehouden om ten aanzien van deze gedragingen te beoordelen of sprake was van handelen uit noodweer. [8]

4.Slotsom

4.1
Het middel faalt in al zijn onderdelen en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Parketnummer 22-000760-21.
2.Het onder 2 bewezenverklaarde is door de rechtbank gekwalificeerd als mishandeling (gepleegd op 8 juli 2018). Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde één hoofdstraf opgelegd. Aangezien het hoger beroep was beperkt tot de beslissing van de rechtbank ten aanzien van feit 1 en het hof het vonnis voor zover aan zijn oordeel onderworpen heeft vernietigd, diende het hof ten aanzien van het door de rechtbank bewezenverklaarde feit 2 een aparte straf te bepalen.
3.AG VS: het hof heeft hierbij, zo begrijp ik, de medeverdachte [medeverdachte] aangeduid als “de verdachte” en de verdachte als “de medeverdachte”.
4.AG VS: het hof bedoelt hier naar ik aanneem [aangever 2] .
5.AG VS: het hof bedoelt hier – zoals gezegd – naar in aanneem [aangever 2] .
6.AG VS: in de beschrijving van deze camerabeelden wordt de medeverdachte [medeverdachte] aangeduid als ‘verdachte’, en de verdachte als ‘medeverdachte’.
7.K. Lindenberg & H.D. Wolswijk,
8.Bezien in samenhang met de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] , waarin ik vandaag zoals gezegd eveneens concludeer, leidt dit wel tot een bijzondere situatie. Ten aanzien van het slaan met de stoel door [medeverdachte] is het hof in die zaak tot een bewezenverklaring gekomen, maar heeft het een in dat verband wél gevoerd beroep op noodweer gehonoreerd. Het gevolg van de honorering van dit beroep door het hof is dat de wederrechtelijk ontvalt aan deze geweldsgedraging: de gedraging was onder de gegeven omstandigheden geoorloofd, en daarmee niet in strijd met het recht (zie onder andere S.R. Bakker,