ECLI:NL:PHR:2025:1312

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
24/02328
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep wegens ontbreken van grieven en vertaling van dagvaarding

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1996, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep door het gerechtshof Amsterdam op 4 juni 2024. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte, vertegenwoordigd door advocaten N. van Schaik en H. Brentjes. De kern van het geschil betreft de vraag of de dagvaarding naar het buitenlandse adres van de verdachte correct is betekend, met name of er een vertaling is verzonden in de Franse of Kroatische taal, zoals vereist door de wet en Europese regelgeving. De Procureur-Generaal, M.E. van Wees, concludeert dat het hof niet heeft aangetoond dat de dagvaarding op de juiste wijze is betekend, wat leidt tot de conclusie dat het onderzoek ter terechtzitting nietig is. De conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor herbehandeling. De zaak illustreert de noodzaak van zorgvuldige naleving van de regels omtrent vertaling en betekening van gerechtelijke stukken, vooral in internationale contexten.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02328
Zitting2 december 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 4 juni 2024 (parketnr. 23-002484-22) door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht , hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel klaagt dat niet is gebleken dat op de voet van art. 36e lid 3 Sv in verbinding met art. 5 EU-rechtshulpovereenkomst 2000 een vertaling van de dagvaarding in de Franse of Kroatische taal aan de verdachte is gezonden, terwijl het hof het onderzoek ter terechtzitting niet heeft geschorst teneinde alsnog een vertaalde dagvaarding naar de verdachte te zenden en er evenmin blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of de verdachte de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat de inhoud van de appeldagvaarding hem niet ter kennis zou komen. Het uitblijven van een schorsingsbeslissing dan wel van een onderzoek naar door de verdachte genomen maatregelen in vorenbedoelde zin, zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans zou onbegrijpelijk zijn.
2.2
De aan de Hoge Raad gezonden stukken houden, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:
(i) de verdachte is bij vonnis van 14 juni 2022 door de politierechter van de rechtbank Noord-Holland veroordeeld wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden;
(ii) uit de “Akte instellen hoger beroep” blijkt dat op 16 september 2022 door een griffiemedewerker van de rechtbank Noord-Holland namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. De akte vermeldt dat de verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande is;
(iii) aan de “Akte instellen hoger beroep” is een brief gehecht van 16 september 2022 van mr. [betrokkene 1] , advocaat in Amsterdam, die als adres van de verdachte “ [a-straat 1] te Frankrijk” vermeldt. Deze brief houdt onder meer in dat mr. [betrokkene 1] door de verdachte bepaaldelijk is gemachtigd om een medewerker van de griffie te machtigen om hoger beroep in te stellen;
(iv) de dagvaarding om ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2024 te verschijnen met als vermelding dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande heeft, is blijkens een akte van uitreiking met invuldatum 11 april 2024 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie;
(v) de dagvaarding om ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2024 te verschijnen met als adres “ [a-straat 1] (Frankrijk)” is blijkens een akte van uitreiking met invuldatum 11 april 2024 verzonden naar het op de akte vermelde adres in het buitenland;
(vi) blijkens een “Informatiestaat SKDB-personen” van 11 april 2024 was de verdachte op die datum niet gedetineerd, was van hem geen adres in de Basisregistratie Personen bekend en was zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats, met als registratiedatum 24 april 2022, “ [a-straat 1] Frankijk”;
(vii) uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 november 2024 volgt dat de verdachte en zijn raadsman mr. [betrokkene 2] , advocaat in [plaats] , daar niet zijn verschenen en dat het hof verstek heeft verleend tegen de verdachte;
(viii) bij arrest van 4 juni 2024 heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven of mondelinge bezwaren tegen het vonnis, en omdat volgens het hof overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak.
2.3
Bij de bespreking van het middel zijn de volgende bepalingen van belang.
Art. 36e lid 3 Sv:
“3. De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken.”
Art. 5 lid 3 Overeenkomst betreffende de wederzijdse hulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, PbEG 2000, C 197/3 (hierna: EU-rechtshulpovereenkomst 2000):
“3. Wanneer aannemelijk is dat de geadresseerde de taal waarin het gerechtelijk stuk is gesteld niet beheerst, dient dit – althans de essentie ervan – te worden vertaald in de taal of één der talen van de lidstaat op het grondgebied waarvan de geadresseerde verblijft. Indien de autoriteit waarvan het gerechtelijk stuk uitgaat, weet dat de geadresseerde slechts een andere taal machtig is, dient het stuk – althans de essentie ervan – te worden vertaald in die andere taal.”
2.4
Verder is relevant hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:962, heeft overwogen:
“2.4. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Indien de verdachte niet ter terechtzitting verschijnt hoewel de dagvaarding op wettige wijze is betekend, kan de rechter - behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel - uitgaan van het vermoeden dat de verdachte van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht vrijwillig afstand heeft gedaan. Wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, behoort het onderzoek ter terechtzitting - dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen - te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn. Die schorsing behoort in de regel plaats te hebben ingeval het gaat om de uitreiking van de dagvaarding aan een geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is en de dagvaarding niet is vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. (Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rov. 3.33-3.36.)”
2.5
Het is juist dat uit de stukken van het geding niet blijkt dat aan de verdachte op zijn buitenlandse adres een vertaling van de dagvaarding in hoger beroep is toegezonden, hetzij in de Franse, hetzij in de Kroatische taal. Het moet er daarom voor worden gehouden dat dit, in strijd met art. 36e lid 3 Sv, niet is gebeurd. Het hof had er om die reden blijk van moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde alsnog een vertaalde dagvaarding aan de verdachte te zenden. Van zodanig onderzoek is echter niet gebleken, wat hoort te leiden tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.
2.6
Bij raadpleging van de aan de Hoge Raad gezonden stukken om te achterhalen welke taal de verdachte spreekt, is mij gebleken dat in het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 30 juni 2020 is opgenomen dat de verdachte zichzelf in staat achtte om in de Nederlandse taal te communiceren, dat de verbalisanten constateerden dat de verdachte het Nederlands voldoende beheerste en dat de verbalisanten met de verdachte communiceerden in de Nederlandse taal. Voor zover het hof daarin reden zou hebben gezien om te oordelen dat een vertaling van de dagvaarding niet nodig is, wijs ik nog op het volgende.
2.7
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot wijziging van art. 588 lid 2 (oud) Sv, waarvan de tekst gelijk is aan die van het huidige art. 36e lid 3 Sv waar het de plicht tot vertaling van de dagvaarding betreft, vermeldt één uitzondering op de hoofdregel van vertaling. Dat is de situatie waarin het gerechtelijk stuk bestemd is voor een Nederlander die in het buitenland woont en van wie bekend is dat hij het Nederlands beheerst. In dat geval ligt het volgens de memorie van toelichting “voor de hand” dat het stuk niet in de taal van het land van verblijf hoeft te worden vertaald, nu het doel van vertaling is dat de betrokkene makkelijk kennis kan nemen van het stuk. [1] Omdat de verdachte niet de Nederlandse nationaliteit heeft, valt hij niet in die categorie. Het voert bovendien te ver om aan te nemen dat de wetgever heeft bedoeld ook gevallen als de onderhavige onder de genoemde uitzonderingsgrond te doen vallen; daarvoor biedt de wetsgeschiedenis naar mijn inzicht te weinig ruimte. Dat de tekst van art. 5 lid 3 EU-rechtshulpovereenkomst, die aanleiding heeft gegeven tot de introductie van eerst art. 588 lid 2 (oud) Sv en thans art. 36e lid 3 Sv, de lidstaten pas verplicht tot vertaling van een gerechtelijk stuk wanneer aannemelijk is dat de geadresseerde de taal waarin dat stuk is gesteld niet beheerst, maakt dat niet anders. De Nederlandse wetgever heeft ervoor gekozen een verdergaande verplichting in te voeren, die in meer gevallen vertaling van de dagvaarding voorschrijft dan op grond van het verdrag is vereist. Dat staat hem vrij, maar brengt met zich dat in een Nederlandse strafzaak, in geval van betekening van de dagvaarding aan de verdachte op een buitenlands adres, art. 36e lid 3 Sv in acht moet worden genomen.
2.8
Het middel is terecht voorgesteld.

3.Afronding

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG