Voetnoten
1.Vergelijk voor de vaststaande feiten rov. 3 van de beschikking van het hof.
2.Het vonnis is niet gepubliceerd.
5.De procesinleiding is op 6 mei 2025 bij de Hoge Raad ingediend. De laatste dag van de cassatietermijn was in beginsel 4 mei 2025 (art. 426 Rv), maar dat was een zondag, zodat de termijn op grond van art. 1 lid 1 Algemene termijnenwet werd verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag was. 5 mei is een algemeen erkende feestdag op grond van art. 3 lid 1 Algemene termijnenwet. De termijn werd dus verlengd tot en met 6 mei 2025.
7.Het onderdeel verwijst abusievelijk naar het huidige art. 1:94 lid 4 BW. Op grond van art. IV lid 1 Wet van 24 april 2017 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken is in dit geval het recht van vóór 2018 van toepassing.
8.Vgl. de in voetnoot 3 bij het onderdeel genoemde vindplaatsen, te weten het beroepschrift van de vrouw onder 18, haar verweerschrift tegen incidenteel beroep onder 58, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof, p. 4, en het verweerschrift op zelfstandige verzoeken in eerste aanleg onder 8. Vgl. ook de spreekaantekeningen zijdens de vrouw in hoger beroep (aangehecht aan genoemd proces-verbaal), p. 2.
9.Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof, p. 4.
10.Vgl. bijv. Asser/Vonken & Ibili 10-II 2025/336 en 833, en L. Strikwerda & S.J. Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 281.
11.Zie bijv. Asser/Kolkman & Salomons 1-II 2023/290, A.R. Autar, W. Burgerhart & F. Sonneveldt (red.), Compendium Estate Planning, Den Haag: Sdu 2025, p. 156-157, H.J. Weijers, GS Personen- en familierecht, art. 1:94 BW, aant. 6.4 (voorheen bewerkt door B.E. Reinhartz, actueel t/m 28 juni 2025), F. Ibili, G.M.C.M. Staat & A.H.N. Stollenwerck (red.), Compendium Echtscheiding, Den Haag: Sdu 2023, p. 321-322, en L.C.A. Verstappen & W. Burgerhart, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding. Deel A, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 114.
12.Verweerschrift tot echtscheiding tevens houdende zelfstandige verzoeken van de man van 22 april 2022, onder 51-58.
13.Het verweerschrift op de zelfstandig verzoeken van de vrouw van 21 juni 2022, onder 22-29.
14.Proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, p. 4.
15.Zie het verweerschrift in incidenteel hoger beroep onder 47-51.
16.Spreekaantekeningen zijdens de vrouw, p. 5.
17.Spreekaantekeningen zijdens de vrouw, p. 8.
18.Het onderdeel verwijst naar het beroepschrift van de vrouw onder 19-23. Onder 19 wordt slechts in algemene zin verwezen naar de verklaring van de moeder, afgelegd bij de notaris (productie 10 eerste aanleg). Onder 20 wordt slechts algemeen verwezen naar de door het hof in rov. 5.14 genoemde analyse onder punt C voor de uitsplitsing van het bedrag van € 252.918,-. Onder 23 wordt opgemerkt dat ten aanzien van andere bedragen dan die van € 20.000 en € 90.000,-, die de vrouw onder 22 als schenking bestempelt, uit de omschrijving blijkt dat zij vaak worden betaald om kosten te voldoen en waar soms heel nadrukkelijk wordt vermeld dat er sprake is van een lening, zoals wanneer er wordt vermeld “da rimettere”. Daarbij verwijst de vrouw naar pagina 12 van de analyse (waar daarover niets te vinden valt, behoudens een wat onduidelijke – niet verder toegelichte – omschrijving die luidt “vooraf te betalen juridische kosten terug te betalen”, bij een post van € 1500,-).
19.Verweerschrift in het incidenteel hoger beroep onder 66.
20.Zie onder 43 van het beroepschrift (“Analyse van dit bedrag wordt door de financiële deskundigen gedaan in punt A#1 (blz. 6/7) [van de analyse]. De conclusie is dat er geen direct verband is met de BINCK rekening, wel een indirect verband. (…) Het is aannemelijk dat [de vrouw] haar pensioen zou investeren in BINCK en niet gebruiken voor de verbouwing van het huis.”). Even later (onder 45) volgt dan het in het onderdeel genoemde subsidiaire standpunt waarvoor opnieuw wordt verwezen naar de analyse op blz. 7 (volgens welke er – mede? – “een vrij duidelijk verband is te stellen in hoogte en data dat de € 21.462 geheel of grotendeels in de woning in [plaats 3] is gegaan”).
21.Uitgaande van de hoogte van de vordering van V en het rendement op de beleggingsrekening die het hof noemt in rov. 5.21, en van hetgeen rechtbank overweegt in rov. 4.46-4.47, lijkt dit oordeel overigens nogal in het voordeel van de vrouw te zijn.
22.Verweerschrift in incidenteel hoger beroep, onder 25, p. 11, waarnaar in voetnoot 17 bij het onderdeel mede wordt verwezen.
23.Zie voor die plicht onder meer HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404, NJ 2017/147, met vermelding van eerdere rechtspraak. Vgl. ook bijv. GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 85 Rv, aant. 3 (L.A. Bosch, voorheen bewerkt door R.H. de Bock, actueel t/m 08-10-2025). 24.Verweerschrift in hoger beroep onder 67.