ECLI:NL:PHR:2025:1330

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
25/01740
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding met internationale elementen

In deze zaak gaat het om de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen een Italiaanse vrouw en een Nederlandse man na hun echtscheiding. Het huwelijk, dat op 20 mei 2017 is gesloten, is op 19 april 2023 ontbonden. De vrouw heeft cassatie ingesteld tegen beslissingen van het hof over de verdeling van bepaalde vermogensbestanddelen en schulden van de gemeenschap. De vrouw betwist dat schenkingen van haar moeder aan haar in de gemeenschap zijn gevallen en stelt dat deze onder Italiaans recht niet in de gemeenschap vallen. Het hof heeft echter geoordeeld dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat deze schenkingen niet in de gemeenschap vallen. Daarnaast zijn er geschillen over de waarde van onroerend goed en de hoogte van schulden. Het hof heeft de waarde van een woning vastgesteld op € 560.000 en geoordeeld dat de vrouw de gemeenschap heeft benadeeld door deze voor een lagere prijs aan haar moeder te verkopen. De vrouw heeft ook een vordering van € 252.918 op haar moeder gesteld, maar het hof heeft geoordeeld dat deze niet is komen vast te staan. De vrouw heeft cassatieberoep ingesteld, maar het hof heeft de klachten van de vrouw ongegrond verklaard en de conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01740
Zitting5 december 2025
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
[de vrouw] ,
verzoekster tot cassatie,
advocaat: N.C. van Steijn
tegen
[de man] ,
verweerder in cassatie,
advocaat: C.G.A. van Stratum
Partijen worden hierna aangeduid als de vrouw en de man.

1.Inleiding en samenvatting

Deze zaak gaat over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen de vrouw, die Italiaans is, en de man, die Nederlands is, na echtscheiding. Op de gemeenschap is het Nederlandse recht van voor 2018 van toepassing. Tussen partijen geldt daardoor de algehele gemeenschap van goederen. In cassatie komt de vrouw op tegen een aantal beslissingen die het hof heeft gegeven met betrekking tot bepaalde vermogensbestanddelen en schulden van de gemeenschap.
Het gaat kort gezegd om (i) schenkingen die door de moeder van de vrouw aan de vrouw zijn gedaan, en die al dan niet in de gemeenschap zijn gevallen, (ii) de waarde van een daags voor het ingediende echtscheidingsverzoek door de vrouw aan haar moeder overgedragen woning, (iii) leningen die volgens de vrouw door haar moeder aan haar zijn verstrekt, (iv) de hoogte van het vergoedingsrecht van de vrouw in verband met een door haar afgekocht, verknocht pensioen, waarvan de afkoopsom in de boedel is gevloeid, (v) de toedeling van een schuld aan V in verband met door de vrouw voor V belegde gelden, (vi) de hoogte van een schuld van de vrouw bij de Banco di Sardegna, en (vii) de waarde van de blooteigendom van een onroerende zaak in [plaats 1] .
M.i. kan geen van de klachten tot cassatie leiden. Het beroep leent zich voor toepassing van art. 81 RO.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [1]
(i) Partijen zijn op 20 mei 2017 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Partijen zijn de ouders van een zoon die is geboren op [geboortedatum] 2021, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
(ii) De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Italiaanse nationaliteit.
(iii) Het huwelijk van partijen is op 19 april 2023 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 23 januari 2023 in de registers van de burgerlijke stand.
2.2
Bij verzoekschrift van 6 januari 2022 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. De man heeft eveneens bij verzoekschrift een verzoek tot echtscheiding ingediend, dat is ingekomen bij diezelfde rechtbank op 14 januari 2022. Beide partijen hebben nevenverzoeken gedaan met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.
2.3
In de hiervoor in 2.1 onder (iii) al genoemde beschikking van 23 januari 2023 heeft de rechtbank de voeging van de procedures bevolen, de echtscheiding uitgesproken en iedere verdere beslissing aangehouden. [2]
2.4
Bij beschikking van 17 november 2023 heeft de rechtbank de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap gelast overeenkomstig hetgeen in het dictum van die beschikking onder 5.2-5.5 is vermeld. [3] De beschikking bevat onder meer de volgende overwegingen:
- Op grond van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 is op het huwelijksvermogensregime van partijen vanaf de datum van het huwelijk Nederlands recht van toepassing. Dat recht is daarop nog steeds van toepassing en partijen zijn het daar ook over eens (rov. 4.4).
- Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden opgesteld. Zij zijn gehuwd voor 1 januari 2018. Tussen partijen bestaat dus een algehele gemeenschap van goederen naar oud recht (rov. 4.5).
- De peildatum voor de omvang van de gemeenschap is 6 januari 2022, zijnde de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek. Als peildatum voor de waardering geldt als hoofdregel de datum van feitelijke verdeling, in de regel de datum van beschikking (rov. 4.6-4.7).
2.5
De vrouw is in hoger beroep gekomen van de beschikking bij het hof Arnhem-Leeuwarden. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
2.6
Bij beschikking van 4 februari 2025 heeft het hof, in het principaal en het incidenteel hoger beroep, de beschikking van de rechtbank op een aantal onderdelen van het dictum daarvan vernietigd en in zoverre opnieuw beschikkende de verdeling van de huwelijksgoederen gemeenschap gelast zoals opgenomen in onder 7.3-7.10 van het dictum van zijn beschikking. [4]
2.7
Het hof heeft in zijn beschikking onder meer vooropgesteld:
- Het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de vrouw bevat aanvullende verzoeken. Vanwege de tweeconclusieregel moeten alle verzoeken bij het eerste schriftelijke stuk worden gedaan. Wijzigingen of vermeerderingen daarna zijn in beginsel niet toegestaan. De aanvullingen die na de beroepschriften in principaal en incidenteel beroep zijn gedaan, voldoen naar het oordeel van het hof geen van alle aan de uitzonderingen op de in beginsel strakke regel (rov. 2.4).
- De rechtbank heeft vastgesteld dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Daartegen heeft geen van partijen een grief gericht, zodat ook het hof van die vaststelling zal uitgaan. Vaststaat dat tussen partijen een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan, nu zij voor 2018 zijn getrouwd zonder het (nadien) maken van huwelijkse voorwaarden (rov. 5.1).
- Het hof heeft kennisgenomen van de bijna 4.400 pagina's waaruit het dossier bestaat en de uitgebreide toelichting die partijen gegeven hebben op de mondelinge behandeling. Uit dit alles rijst het beeld van een door de vrouw minutieus voorbereide scheidingsprocedure, waarbij zij op diverse manieren heeft geprobeerd zich een onevenredig groter deel van de waarde van de huwelijksgemeenschap toe te eigenen. Ter zitting heeft de vrouw blijk gegeven van haar onvrede over het bestaan van een algehele gemeenschap van goederen en het feit dat daardoor ook het vermogen dat van de kant van haar familie in de gemeenschap is gevallen en nu tussen partijen bij helfte moet worden verdeeld. Het mag dan zo zijn dat in Italië, het land waar de vrouw is geboren en getogen, een dergelijk stelsel onbekend is, maar dat is geen rechtvaardiging voor het gedrag van de vrouw, die bovendien al voor het huwelijk met de man in Nederland woonde en dus ruimschoots de kans heeft gehad om zich te laten informeren over de gevolgen van het sluiten van een huwelijk in Nederland zonder vooraf huwelijkse voorwaarden te maken. De gedragingen van de vrouw hebben voor het hof wel consequenties voor de geloofwaardigheid van de stellingen van de vrouw en de betrouwbaarheid van de voor die stellingen aangedragen onderbouwing ex art 21 en 22 Rv (rov. 5.2).
Het hof heeft naar aanleiding van de grieven in beide beroepen diverse beslissingen gegeven over bestanddelen van de gemeenschap.
2.8
De vrouw heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. [5] De man heeft bij verweerschrift verzocht het cassatieberoep te verwerpen.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel bevat acht onderdelen. De onderdelen 1-7 komen op tegen beslissingen van het hof ten aanzien van verschillende bestanddelen van de huwelijksgemeenschap. Onderdeel 8 bevat een voortbouwklacht.
3.2
Onderdelen 1 en 2zijn beide gericht tegen rov. 5.3 en 5.15 en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Beide rechtsoverwegingen hebben betrekking op de schenkingen van de moeder van de vrouw aan de vrouw. Naast deze schenkingen was volgens de vrouw ook sprake van vorderingen van de moeder op de vrouw. De rechtbank heeft hierover, voor zover van belang, overwogen:
“4.20 Subsidiair stelt de vrouw dat het ging om schenkingen, die naar Italiaans recht ook zonder uitsluitingsclausule buiten iedere huwelijksgoederengemeenschap blijven. De rechtbank kan de vrouw hier wel in volgen, voor zover het gaat om de aantoonbaar overgemaakte bedragen. Daarvan is niet onaannemelijk dat de moeder de bedoeling heeft gehad uitsluitend de vrouw te bevoordelen. Eveneens is niet onaannemelijk dat de reden dat een expliciete uitsluitingsclausule ontbreekt gelegen is in het feit dat de moeder Italiaans recht van toepassing heeft geacht. (…)”
Het hof heeft in rov. 5.3 en 5.15 overwogen (voetnoot in het origineel):
“5.3 De vrouw heeft betoogd dat in elk geval de schenkingen van [de moeder] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet in de gemeenschap zouden moeten vallen, althans dat verdeling daarvan bij helfte onaanvaardbaar is, gelet op de omstandigheid dat op de verkrijging van die zaken door de vrouw Italiaans recht van toepassing is en zij noch [de moeder] bedacht hadden hoeven zijn op de noodzaak naar Nederlands recht om bij de gift een uitsluitingsclausule overeen te komen die voorkomt dat de schenking in de gemeenschap valt. Het hof volgt de vrouw niet in dat betoog. Naar vaste jurisprudentie [6] rusten stelplicht en bewijslast op de echtgenoot die zich op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid beroept. De enkele omstandigheid dat het op de gift toepasselijke buitenlandse recht niet een algehele gemeenschap van goederen als huwelijksvermogensregime kent of tot uitgangspunt neemt, volstaat in dat verband niet. Daarbij komt dat de vrouw ook vóór het huwelijk in Nederland woonde en redelijkerwijs in staat is geweest om door het opmaken van huwelijkse voorwaarden te zorgen dat de giften voor en na het huwelijk niet door boedelmenging in de huwelijksgemeenschap zouden vallen.”
“5.15 (…) De rechtbank heeft geoordeeld dat de schenkingen van [de moeder] aan de vrouw voor zover die aan de gemeenschap ten goede zijn gekomen, buiten de huwelijksgemeenschap zijn gebleven. Onder de punten 46 tot en met 50 van het verweerschrift in hoger beroep en in grief IX betoogt de man, net als in eerste aanleg, dat geen sprake is van schenkingen met een uitsluitingsclausule en dat de geschonken bedragen daarmee in de gemeenschap zijn gevallen. Deze grief slaagt. Het hof verwijst naar hetgeen in r.o. 5.3 is overwogen en stelt vast dat de rechtbank in haar oordeel heeft miskend dat het op de weg van de vrouw lag om te stellen en bij betwisting, te bewijzen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schenkingen van [de moeder] aan de vrouw niet in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen, waarbij de enkele omstandigheid dat het op de schenking toepasselijke buitenlandse recht niet een algehele gemeenschap van goederen als huwelijksvermogensregime kent of tot uitgangspunt neemt, niet volstaat. Het hof zal dat deel van de bestreden beschikking daarom vernietigen. Dat betekent dat al hetgeen de vrouw aanmerkt als schenking niet alleen geen schuld aan [de moeder] is maar ook dat die geschonken bedragen deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap en dus verdeeld moeten worden. Van een vergoedingsrecht van de vrouw is dus ook geen sprake. (…).”
3.3
Onderdeel 1klaagt dat het hof heeft nagelaten om eerst te beoordelen of sprake is van een uitsluitingsclausule als bedoeld in art. 1:94 lid 4 BW. Het onderdeel klaagt
onder 3dat het oordeel van het hof onjuist is als het hof zou hebben geoordeeld dat geen sprake is van een uitsluitingsclausule, omdat deze niet op schrift is gesteld, nu deze clausule bij materiële schenkingen vormvrij is. Bovendien gaat het hof eraan voorbij dat de wil van de schenker prevaleert. Het hof had in navolging van de rechtbank in rov. 4.20, en de stellingen van de vrouw, de wil van de schenker (de moeder) moeten onderzoeken althans de schenkingsovereenkomsten moeten uitleggen.
Voorts klaagt het onderdeel
onder 4dat het hof heeft verzuimd gemotiveerd in te gaan op de stelling van de vrouw dat op de schenking op grond van de Rome I-verordening Italiaans recht van toepassing is, althans had het hof hieraan ambtshalve en voldoende kenbaar moeten toetsen ingevolge art. 10:2 BW. Indien naar Italiaans recht een schenking niet in enige gemeenschap van goederen valt – zoals door de vrouw onbetwist is gesteld –, dan wordt eveneens niet toegekomen aan de redelijkheid en billijkheid.
Onderdeel 2klaagt
onder 5dat het oordeel van het hof onjuist is, omdat het verwijst naar HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:276, terwijl deze uitspraak gaat om een erfrechtelijke verkrijging. Uit deze uitspraak volgt niet, althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt, waarom deze van toepassing zou zijn op een schenking vanuit het buitenland.
Voor zover de uitspraak wel van toepassing zou zijn, klaagt het onderdeel
onder 6dat het hof is uitgegaan van een onjuiste maatstaf of zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat het beslissend acht dat de vrouw ook voor het huwelijk in Nederland woonde en redelijkerwijs in staat zou zijn geweest om door het opmaken van huwelijkse voorwaarden te zorgen dat de giften voor en na het huwelijk niet door boedelmenging in de huwelijksgemeenschap zouden vallen. Het hof is echter niet, althans onvoldoende kenbaar, ingegaan op de andere door de Hoge Raad in het arrest geformuleerde omstandigheden, waaronder de wetenschap bij en de wil of intentie van de schenker, terwijl de vrouw gemotiveerd op deze omstandigheden heeft gewezen.
3.4
De klacht onder 3 van onderdeel 1 mist feitelijke grondslag. Kennelijk heeft het hof in de stellingen van de vrouw niet gelezen dat zij heeft aangevoerd dat haar moeder bij de schenkingen een uitsluitingsclausule heeft gemaakt als bedoeld in het hier toepasselijke art. 1:94 lid 2 (oud) BW. [7] Dat is niet onbegrijpelijk, althans niet in het licht van de vindplaatsen in de stukken die in het onderdeel worden genoemd. Op die plaatsen wordt aangevoerd, kort gezegd, dat het Italiaanse recht op de schenkingen van toepassing is, die schenkingen volgens dat recht niet in een gemeenschap vallen, de uitsluitingsclausule in Italië niet bekend is als een clausule die partijen bedingen, en dat hieruit de intentie van de moeder volgt om de schenkingen van het vallen in een gemeenschap uit te sluiten. [8] De vrouw voert daar niet aan dat de moeder de clausule gemaakt zou hebben. De vrouw doet daar bovendien uitdrukkelijk een beroep op de door het hof in rov. 5.3 genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 17 februari 2017, waarin het juist gaat om het geval dat een uitsluitingsclausule ontbreekt, en de vraag is of een beroep op het ontbreken van die clausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [9]
Het voorgaande wordt, anders dan in het onderdeel onder 3 wordt aangevoerd, niet anders door rov. 4.20 van de beschikking van de rechtbank. De rechtbank gaat daar immers uitsluitend in op de intentie van de moeder van de vrouw en zegt niet dat de moeder een uitsluitingsclausule heeft gemaakt.
3.5
De klacht onder 4 van onderdeel 1 faalt omdat deze er ten onrechte van uitgaat dat het op de schenking toepasselijke recht bepaalt of deze in de huwelijksgemeenschap valt. Of dat het geval is, wordt bepaald door het recht dat op het huwelijksvermogensregime van toepassing is. [10] Dat is in dit geval Nederlands recht, naar de vaststelling van het hof in rov. 5.1.
3.6
De klacht onder 5 in onderdeel 2 faalt omdat het hof terecht de overwegingen van HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:276, tot uitgangspunt heeft genomen bij de vraag of een beroep op het ontbreken van een uitsluitingsclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Weliswaar gaat die uitspraak over een erfrechtelijke verkrijging, maar niet valt in te zien dat voor de verkrijging door een gift iets wezenlijk anders zou gelden. Zowel de erflater als degene die een gift doet, kan naar Nederlandse recht een uitsluitingsclausule maken, met het in art. 1:94 lid 2 (oud) BW genoemde gevolg. Hetgeen in de uitspraak wordt overwogen, valt evenzeer te betrekken op de gift, waarbij uiteraard mede rekening zal moeten worden gehouden met de verschillen tussen een vererving en een gift. De literatuur doet dat dan ook. [11]
3.7
Het oordeel van het hof in rov. 5.3 en 5.15 dat de vrouw te weinig heeft gesteld om te kunnen oordelen dat het beroep op het ontbreken van een uitsluitingsclausule in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onvoldoende gemotiveerd. In de uitspraak van 17 februari 2017 is uitdrukkelijk overwogen dat in dit verband onvoldoende is dat het toepasselijke buitenlandse recht niet een algehele gemeenschap van goederen als huwelijksvermogensregime kent. Voorts wordt in die uitspraak overwogen dat mede van belang kan zijn of de echtgenoot die voor het huwelijk krachtens erfrecht naar buitenlands recht goederen heeft verkregen, redelijkerwijs in staat is geweest om door het opmaken van huwelijkse voorwaarden te zorgen dat die goederen overeenkomstig de (veronderstelde) wil van de erflater niet door boedelmenging in een huwelijksgemeenschap vallen. Dit valt evenzeer aan te nemen bij een voorhuwelijkse gift, waarbij dan eventueel ook nog de mening kan worden gevraagd van degene die de gift deed, over wat diens wil is of destijds was. Deze aspecten zijn deels ook door het hof met zoveel woorden in aanmerking genomen in rov. 5.3 en 5.15. De vrouw heeft op deze punten niets concreets aangevoerd, als ik het goed zie, maar zich beperkt tot het stellen van de – uit uitsluitend de toepasselijkheid van het Italiaanse recht volgende – intentie van haar moeder (zie hiervoor in 3.4). In de vindplaatsen die bij het onderdeel en eerder in het middel worden genoemd, valt daarover in elk geval niets naders te lezen. Ook de klacht onder 6 van onderdeel 2 faalt dus.
3.8
Onderdeel 3is gericht tegen de vaststelling van de waarde van de woning in [plaats 2] op € 560.000,- door het hof in rov. 5.11, op basis van de taxatie naar aanleiding van de beschikking van de rechtbank. Het onderdeel klaagt dat het hof zonder motivering is voorbijgegaan aan de stellingen van de vrouw waarin zij gemotiveerd deze waarde heeft betwist. Het onderdeel voert aan dat de rechter op specifieke bezwaren van een partij in zal moeten gaan als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van een deskundige (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:279) en dat het hof dus in had moeten gaan op de stellingen van de vrouw waarin zij gemotiveerd de waarde van de woning in [plaats 2] heeft betwist, onder meer door aan te voeren dat het appartement € 480.000,- waard was en de zolder € 80.000,-, maar dat de zolder nooit eigendom van de vrouw is geweest. Voor zover het oordeel van het hof inhoudt dat deze betwisting niet voldoende is gemotiveerd, is dat onbegrijpelijk gelet op hetgeen de vrouw heeft aangevoerd, aldus het onderdeel.
3.9
Voor de beoordeling van het onderdeel is het van belang om na te gaan wat het partijdebat is geweest ten aanzien van de waarde van de woning in [plaats 2] .
De man heeft in eerste aanleg aangevoerd dat partijen kort voor de indiening van het echtscheidingsverzoek (de peildatum voor de omvang van de gemeenschap) deze woning hadden, die deel uitmaakte van de gemeenschap en die bestond uit een appartement en een studio, en dat de vrouw de gemeenschap heeft benadeeld in de zin van art. 1:164 lid 1 BW door deze woning te verkopen aan haar moeder voor de te lage prijs van € 500.000,- (de woning was volgens de man € 632.200,-- waard). Op grond hiervan heeft de man vergoeding van de helft van de (werkelijke) waarde van de woning aan hem verzocht. [12]
In haar verweer hiertegen heeft de vrouw erkend dat zij de woning heeft verkocht. Zij heeft echter aangevoerd dat de waarde van de woning was getaxeerd op € 500.000,-, de koopprijs. Zij heeft opgemerkt dat de woning bestaat uit twee verschillende woonlagen die niet met elkaar zijn verbonden. De woning bevindt zich op de tweede verdieping. Op de vierde verdieping is een zolderkamer, die is ingericht als een kleine studio. [13]
Bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft de rechtbank aan partijen voorgehouden dat het gaat om een appartement en een studio. Partijen zijn ter zitting ermee akkoord gegaan dat de woning opnieuw zou worden getaxeerd. [14]
De rechtbank heeft het voorgaande in rov. 4.15 en 4.16 vastgesteld. In rov. 4.16 heeft de rechtbank voorts beslist dat de vrouw de huwelijksgoederengemeenschap heeft benadeeld als de bij de overeengekomen taxatie vast te stellen waarde hoger is dan € 500.000,-. In dat geval heeft de vrouw namelijk binnen zes maanden voor aanvang van het geding een goed van de gemeenschap verspild en moet zij de aangerichte schade ingevolge artikel 1:164 lid 1 BW aan de gemeenschap vergoeden.
In het dictum van haar beschikking heeft de rechtbank in verband hiermee onder 5.2.3 vermeld dat zij “beslist dat de vrouw de gemeenschap heeft benadeeld voor elk bedrag dat uit de nieuwe taxatie komt dat hoger is dan € 500.000,- en dat de vrouw dit bedrag moet vergoeden aan de huwelijksgoederengemeenschap, in die zin dat zij de helft van het bedrag voor zover dit hoger is dan € 500.000,- moet betalen aan de man.”
3.1
In haar beroepschrift heeft de vrouw tegen de beslissing van de rechtbank over de woning de grieven 2 en 3 gericht. Deze grieven strekten in de eerste plaats ertoe dat niet kan worden geoordeeld dat de vrouw de gemeenschap heeft benadeeld. Daarnaast heeft de vrouw in de toelichting op grief 3 opgemerkt dat zij ten behoeve van de verkoop een taxatie door een erkende makelaar heeft laten opstellen, en dat zij later in de procedure nog een tweede taxatie heeft overgelegd waaruit een lagere waarde dan € 500.000,- volgt.
In zijn verweerschrift heeft de man met betrekking tot grief 3 gewezen op de inmiddels plaatsgevonden hebbende taxatie van de waarde van de woning van € 560.000,-. Die taxatie, van 25 maart 2024, is door hem als productie 6 in hoger beroep overgelegd. Daaruit volgt volgens de man een benadeling van € 60.000,-, zodat de man recht heeft op € 30.000,-
In haar verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, heeft de vrouw onder meer aangevoerd dat uit de taxatie blijkt dat het appartement € 480.000,- waard is en de zolder € 80.000,-. Die laatste waarde betwist zij, terwijl uit de stukken volgens haar blijkt dat de zolder nooit eigendom van de vrouw is geweest. Daardoor is er volgens de vrouw ook een discussie ontstaan met de moeder van de vrouw, die dacht ook de zolderkamers te hebben gekocht, terwijl deze niet zijn geleverd en ook niet kunnen worden geleverd. Voorts heeft zij in het processtuk opgenomen:
“De vrouw heeft een grief (3) opgeworpen tegen de beslissing van de rechtbank in om te bepalen dat als de taxatiewaarde van de woning hoger is dan € 500.000,- de vrouw de gemeenschap heeft benadeeld. Nu op grond van de door de man overgelegde taxatie, de waarde waarvan door de vrouw wordt betwist, de man zich op het standpunt stelt dat hij € 30.000,- van de vrouw tegoed heeft, vermeerdert de vrouw haar verzoek en verzoek uw hof om te bepalen dat de vrouw dit bedrag niet verschuldigd is, ten eerste omdat de taxatie de zolderkamers mee getaxeerd heeft terwijl die niet aan de vrouw in eigendom toebehoorden en derhalve niet aan de gemeenschap en ten tweede omdat de vrouw de gemeenschap niet heeft benadeeld.” [15]
Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep is namens de vrouw nogmaals ingegaan op de bezwaren ten aanzien van het betrekken van de zolderkamer bij de vaststelling van de waarde van de woning. [16] Voorts is bij de mondelinge behandeling namens haar nog opgemerkt dat het aanvullende verzoek niet in strijd is met de tweeconclusieregel, omdat de taxatie nog niet voorhanden was en omdat de aanvulling een uitwerking van haar grief 3 is. [17]
3.11
Zoals hiervoor in 2.7 weergegeven, heeft het hof in rov. 2.4 overwogen dat de aanvullingen die na de beroepschriften in het principaal en in het incidenteel hoger beroep zijn gedaan naar zijn oordeel geen van alle aan de in de jurisprudentie geformuleerde uitzonderingen op de tweeconclusieregel voldoen, zodat het hof de aanvullende verzoeken (en de verweren daartegen) buiten beschouwing zal laten. In rov. 5.11 heeft het hof met betrekking tot de woning in [plaats 2] , voor zover voor de behandeling van het onderdeel van belang, overwogen:
“Partijen hebben de woning opnieuw laten taxeren. Daaruit volgt dat de marktwaarde van de woning op de peildatum € 560.000 bedroeg. De vrouw heeft de woning zonder overleg met de man en zonder deugdelijke onderbouwing van de koopprijs aan [de moeder] verkocht voor € 500.000. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de gronden waar dat oordeel op berust dat de vrouw door haar handelen de gemeenschap heeft benadeeld. Deze benadeling betreft € 60.000, te weten het verschil tussen de taxatiewaarde en de verkoopprijs. Het gevolg daarvan is dat de vrouw de helft hiervan, te weten € 30.000 aan de man moet vergoeden. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van deze beschikking.”
3.12
Het oordeel van het hof kan naar mijn mening niet anders worden begrepen dan dat volgens het hof het in het onderdeel genoemde bezwaar van de vrouw dat de zolder nooit eigendom van de vrouw is geweest, pas na haar beroepschrift is aangevoerd en een nieuwe grief inhield, die het hof in rov. 2.4 niet toelaatbaar heeft geoordeeld. Deze lezing van de gedingstukken is begrijpelijk. Uit het hiervoor weergegeven partijdebat volgt immers dat tot het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep uitgangspunt in de procedure vormde dat de zolder/studio tot de woning behoorde en dat de woning dus inclusief zolder/studio opnieuw getaxeerd moest worden, op grond van de afspraak tussen partijen. Het onderdeel loopt hierop stuk. Volledigheidshalve merk ik op dat het hof geen uitzondering op de tweeconclusieregel heeft hoeven maken voor het bezwaar van de vrouw, nu de vrouw dat bezwaar al veel eerder had kunnen aanvoeren. Weliswaar niet tegen de taxatie – die dateert van ná haar beroepschrift –, maar wel tegen genoemd uitgangspunt en de op grond daarvan gegeven taxatieopdracht.
3.13
Onderdeel 4heeft betrekking op rov. 5.14-5.17. Het hof heeft daar, voor zover van belang, overwogen:
“5.14 (…) De vrouw stelt in grief 4 dat [de moeder] een vordering op de vrouw - en daarmee op de gemeenschap – heeft. (…). In totaal is daarmee volgens de vrouw een bedrag van € 282.918 gemoeid, waarvan zij in hoger beroep een bedrag van € 30.000 aan studieleningen prijsgeeft omdat daarvoor onvoldoende bewijs is. Er resteert dan een bedrag van € 252.918. De vrouw heeft een verklaring van [de moeder] overgelegd en in hoger beroep ook een brief van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] van 16 februari 2024 (hierna: de analyse) ter onderbouwing van de vordering van [de moeder] op de vrouw. Het hof oordeelt dat de vrouw er niet in is geslaagd om te bewijzen dat zij [de moeder] enig bedrag verschuldigd was. Grief 4 faalt daarom.
(…)
5.16 [
de moeder] heeft na het uiteengaan van partijen bij een Italiaanse notaris verklaard dat de diverse overschrijvingen van haar aan de vrouw ten bedrage van in totaal € 158.918 allemaal renteloze leningen zijn en geen schenkingen (donaties). Die verklaring laat zich niet rijmen met de eigen stellingen van de vrouw dat bijvoorbeeld het bedrag van € 90.000 dat op 5 mei 2015 is overgemaakt nu juist wel een schenking betrof. Het hof is om die reden, maar ook op grond van hetgeen in r.o. 5.2 is overwogen, van oordeel dat de verklaring van [de moeder] niet betrouwbaar is en daarom niet kan bijdragen aan het bewijs van de stellingen van de vrouw.
5.17
Ook de analyse leidt niet tot de overtuiging dat [de moeder] op de peildatum een vordering op de vrouw had. De analyse is uitsluitend gebaseerd op de stellingen van de vrouw en is welbeschouwd slechts een andere presentatie van hetgeen de vrouw in eerste aanleg heeft gesteld en overgelegd. De analyse geeft niet het sluitende bewijs dat [de moeder] een vordering had op de vrouw maar brengt slechts de geldstromen in kaart, waarbij op verschillende punten woorden als “mogelijk causaal verband ” of “het is aannemelijk” worden gebruikt. De opstellers van de analyse gebruiken als bewijs voor de leningen dezelfde verklaring van [de moeder] waarvan het hof in r.o. 5.16 al heeft geoordeeld dat deze verklaring niet gebruikt kan worden voor het bewijs van de stellingen van de vrouw. Opmerking verdient nog dat de opstellers van de analyse schrijven dat de gestelde leningen niet voorkomen in de IB aangiften van de vrouw. De schuld van € 158.918 aan [de moeder] komt daarmee naar het oordeel van het hof niet vast te staan.”
3.14
Het onderdeel klaagt dat het oordeel van het hof dat de moeder van de vrouw op de peildatum geen vordering op de vrouw had, althans dat de schuld van € 252.918 niet is komen vast te staan, onbegrijpelijk is, omdat dit oordeel volledig voorbijgaat aan de stelling van de vrouw dat in de omschrijving van de overgemaakte gelden in bepaalde gevallen nadrukkelijk wordt vermeld dat sprake is van een lening, zoals wanneer er vermeld wordt "da rimettere", dat wil zeggen dat terugbetaald moet worden. Het enkele feit dat het hof bedenkingen heeft bij de stellingen van de vrouw, de verklaringen van de moeder of de opzet van de analyse, is onvoldoende om deze stelling te passeren, omdat het gaat om de wil van de moeder zoals geuit ten tijde van het overmaken van de gelden ver voor de echtscheiding. Dit geldt volgens het onderdeel ook ten aanzien van de advocatenkosten waarvan de vrouw eveneens gemotiveerd heeft gesteld dat het gaat om een lening.
3.15
Het onderdeel faalt. Het hof heeft in rov. 5.14-5.17 – en ook in rov. 5.2 slot (hiervoor weergegeven in 2.7) – diverse argumenten genoemd op grond waarvan het de door de vrouw gestelde vordering van haar moeder niet aannemelijk acht, waarbij het blijkens rov. 5.14 slot er (terecht) van is uitgegaan dat de (stelplicht en) bewijslast van het bestaan van de vordering bij de vrouw ligt. Kennelijk heeft het hof de in het onderdeel genoemde argumenten die de vrouw heeft aangevoerd, van onvoldoende gewicht geacht om tot een ander oordeel te komen. Dat is een feitelijk oordeel, dat in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet. De stellingen waarnaar het onderdeel verwijst, zijn algemeen. [18] Het hof behoefde zijn oordeel niet nader te motiveren, nu, gelet op het voorgaande, voldoende duidelijk is op grond waarvan het tot zijn oordeel is gekomen en waarom het de argumenten van de vrouw niet heeft gehonoreerd.
Voor zover de klacht inhoudt dat het hof niet bij zijn oordeel heeft betrokken dat sommige van de bedragen ver voor de echtscheiding zijn overgemaakt, mist het overigens feitelijke grondslag in de stukken van het geding, voor zover valt na te gaan. Die stelling is niet terug te vinden in de vindplaatsen die in het onderdeel worden genoemd.
Ten aanzien van de advocaatkosten waarvan het onderdeel aanvoert dat is gesteld dat het gaat om een lening, faalt de klacht omdat een dergelijke stelling niet valt te lezen in de in het onderdeel genoemde vindplaats. [19]
3.16
Onderdeel 5keert zich tegen de oordelen van het hof in rov. 5.23 en 5.25. Het onderdeel klaagt allereerst (onder 14) dat het hof met het oordeel in rov. 5.23 dat de vrouw voor wat betreft het afgekochte pensioen een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap voor het nominale bedrag omdat niet kan worden vastgesteld wat er met dit bedrag is gebeurd en dat het feit dat de vrouw dit bedrag niet apart heeft geadministreerd, voor haar risico komt, miskent dat het hof ex art. 1:87 lid 5 BW de bevoegdheid had om het rendement van het afgekochte pensioen op grond van de beleggingsleer te schatten. Althans is het volgens het onderdeel (onder 14) onbegrijpelijk dat het hof in rov. 5.25 wel gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot schatting wat betreft de onttrekking van het bedrag van € 250.000 en de vordering van V, maar niet voor wat betreft het pensioen. Het onderdeel klaagt voorts (onder 15) dat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is waarom de vrouw de vordering van V in rov. 5.25 zonder nadere verdeling krijgt toebedeeld, dan wel dat het hof zijn gedachtegang omtrent de schatting onvoldoende duidelijk maakt. Tot slot klaagt het onderdeel (onder 16) dat het hof in het kader van de beleggingsleer en het vergoedingsrecht, ten onrechte is voorbijgegaan aan de (subsidiaire) stelling van de vrouw dat het geld van haar pensioen in de woning in [plaats 3] is geïnvesteerd, hetgeen zij volgens het onderdeel heeft onderbouwd met een deskundigenrapport.
3.17
De rechtbank heeft over het afgekochte pensioen overwogen:
“4.52 Uit de stukken blijkt dat de vrouw het door haar voor het huwelijk in Italië opgebouwde pensioen heeft afgekocht. Op dit pensioen is de Wvps van toepassing. De herkomst en bestemming van dit afgekochte pensioen brengen daarom met zich dat het afkoopbedrag moet worden aangemerkt als privé vermogen van de vrouw. Uit de stukken blijkt dat het afkoopbedrag is gestort op de gezamenlijke ABN-AMRO rekening van partijen en dus in de gemeenschap terecht is gekomen. Dit levert een vermogensverschuiving op die een vergoedingsrecht voor de vrouw oplevert.
4.53.
In geschil is vervolgens de vraag of de vrouw een nominaal vergoedingsrecht heeft of dat de beleggingsleer toegepast moet worden. De vrouw stelt dat het afgekochte pensioen uiteindelijk op de gezamenlijke Binckrekening van partijen is gestort dat vervolgens in zeer hoge mate heeft gerendeerd. De vrouw voert dit onder meer aan als rechtvaardiging voor de onttrekking door haar van € 250.000,- van de Binck-rekening. De vrouw heeft de storting op de Binck-rekening echter niet onderbouwd. Nu de man dit heeft betwist is niet komen vast te staan dat het pensioen is geïnvesteerd op de Binck-rekening en een zeer hoog rendement heeft opgeleverd. Dit leidt tot de conclusie dat aan de vrouw een nominaal vergoedingsrecht toekomt ter grootte van de afkoopsom, te weten € 21.464,-.”
3.18
Het hof heeft over het afgekochte pensioen en de vordering van V overwogen:
“5.21 Vast staat dat de vrouw voor de ontbinding van de gemeenschap een bedrag van € 250.000 van een tot de gemeenschap behorende beleggingsrekening bij de Binckbank (inmiddels Saxobank) heeft overgemaakt naar een alleen op haar naam staande rekening. De vrouw heeft aangevoerd dat zij recht had op dat geld omdat het bedrag is ontstaan door belegging van vier bedragen die niet tot de gemeenschap behoorden. Het gaat om in totaal € 80.926 bestaande uit het afgekochte pensioen van de vrouw (€ 21.462), twee schenkingen van [de moeder] (€ 7.000 en € 20.000) en een bedrag van [V] (€32.464). De rechtbank heeft de vrouw daar niet in gevolgd en tegen dat oordeel richt grief 11 zich. De vrouw verwijst voor de onderbouwing van haar stelling voornamelijk naar de [in rov. 5.14 genoemde] analyse. De man stelt in zijn eerste grief in incidenteel hoger beroep dat er ten onrechte door de vrouw € 264.100 is onttrokken aan de gemeenschap. Inclusief het rendement daarop moet de vrouw volgens hem een bedrag € 353.510 aan de gemeenschap vergoeden.
5.22
Omdat het hof hiervoor al heeft geoordeeld dat de door [de moeder] gedane schenkingen wel in de gemeenschap zijn gevallen staat vast dat deze twee geschonken bedragen van in totaal € 27.000 tot de gemeenschap behoren en niet kunnen worden beschouwd als privé vermogen van de vrouw.
5.23
Net als de rechtbank oordeelt het hof dat het door de vrouw afgekochte pensioen van € 21.462 verknocht is en daarmee buiten de gemeenschap van goederen is gebleven en dus privé vermogen van de vrouw. Uit de [in rov. 5.14 genoemde] analyse blijkt ook naar het oordeel van het hof alleen niet [dat] dit bedrag naar de beleggingsrekening is overgemaakt. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de vrouw een vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft voor het nominale bedrag nu niet kan worden vastgesteld wat er met dit bedrag is gebeurd. Dat de vrouw dit bedrag niet apart heeft geadministreerd komt voor haar risico.
5.24
Op de mondelinge behandeling heeft de man erkend dat de vrouw in het verleden wel melding heeft gemaakt van overboekingen door [V] met het verzoek om hiermee voor haar te gaan beleggen, maar dat hij niet wist om welke bedragen het ging. Hiermee is naar het oordeel van het hof wel vast komen te staan dat [V] gelden heeft overgeboekt naar de vrouw om daarmee voor haar te beleggen, maar daarmee zijn die bedragen nog geen privévermogen van de vrouw. [V] heeft daarom een vordering op de gemeenschap ter grootte van het voor haar belegde vermogen.
5.25
Uit de stellingen van beide partijen volgt dat zowel voor als na de onttrekking van het bedrag van € 250.000 met succes in aandelen werd gehandeld, maar de exacte hoogte van hetgeen tussen partijen verrekend moet worden komt niet vast te staan. Daarnaast debatteren partijen ook nog over de gevolgen van het gelegde maritaal beslag (zie grief II van de man). Het hof zal daarom een schatting maken van het bedrag en bepalen dat de vrouw in verband met het onttrokken bedrag en het daarop gerealiseerde rendement een bedrag van € 250.000 aan de gemeenschap moet vergoeden. Het hof houdt bij die schatting rekening met de vordering van [V] in verband met het voor haar geïnvesteerde vermogen. Het hof kan de omvang daarvan eveneens niet bepalen maar deelt deze schuld van de gemeenschap zonder nadere verrekening toe aan de vrouw. Per saldo moet dus het nominale bedrag tussen partijen verrekend worden en heeft de man een vordering op de vrouw van € 125.000. De grieven van beide partijen, voor zover zij al slagen, leiden niet tot een aanpassing van de beslissing van de rechtbank op dit punt.”
3.19
De eerste klacht van het onderdeel (onder 14) faalt bij gebrek aan feitelijk grondslag in het arrest van het hof. Daarin kan niet worden gelezen dat het hof heeft miskend dat art. 1:87 lid 5 BW bepaalt dat de vergoeding als bedoeld in art. 1:87 BW zo nodig wordt geschat. Mede gezien de verwijzing naar het oordeel van de rechtbank in rov. 5.23, valt het oordeel van het hof aldus te verstaan dat ten aanzien van het afgekochte pensioen niet meer is komen vast te staan dan dat dit is gestort op de gezamenlijke rekening van partijen, en dat niet kan worden vastgesteld wat er vervolgens met dit bedrag is gebeurd. In navolging van de rechtbank heeft het hof daarom de vergoeding vastgesteld op het nominale bedrag van het afgekochte pensioen, bij gebreke aan aanwijzingen dat een vergoeding met een hoger bedrag op haar plaats zou zijn door de aanwending van dit bedrag. Daarin is ook een verschil gelegen met het oordeel van het hof in rov. 5.25 over de vordering van V. Ten aanzien van het vermogen dat van V afkomstig was, heeft het hof in die rechtsoverweging wél aannemelijk geoordeeld dat dit is aangewend voor belegging bij de Binckbank. Daarop stuit de tweede klacht van het onderdeel (eveneens onder 14) af.
De vierde klacht van het onderdeel (onder 16), dat het hof het subsidiaire standpunt van de vrouw, dat het afgekochte pensioen is gebruikt voor de woning in [plaats 3] , onbesproken heeft gelaten, is eveneens ongegrond. Het oordeel van het hof houdt als gezegd in dat niet kan worden vastgesteld wat er met het afgekochte pensioen is gebeurd. Dat houdt mede een verwerping in van het subsidiaire standpunt van de vrouw. Die verwerping betreft opnieuw een feitelijk oordeel. Die verwerping is niet onbegrijpelijk, nu de vrouw in haar beroepschrift op de in voetnoot 16 bij het onderdeel genoemde plaats is blijven stellen dat het afgekochte pensioen is aangewend voor belegging bij de Binckbank, onder verwijzing naar de meer genoemde analyse, op de inhoud waarvan het onderdeel nu voor het subsidiaire standpunt van de vrouw een beroep doet, en een en ander daarbij niet erg duidelijk uit de doeken is gedaan. [20]
3.2
De derde klacht van het onderdeel (onder 15) – dat de toedeling van de schuld aan V aan de vrouw onbegrijpelijk is en dat het hof zijn gedachtegang omtrent de schatting onvoldoende duidelijk maakt – faalt eveneens. De gedachtegang van het hof in rov. 5.25 is duidelijk. Het hof neemt met zoveel woorden aan dat de vrouw op de onttrekking aan de gemeenschap van € 250.000,- rendement heeft behaald dat aan de gemeenschap vergoed moet worden. Het neemt voorts met zoveel woorden in aanmerking dat een deel van die € 250.000,- vermogen betreft dat V toekomt, dat de vrouw voor V zou beleggen. Wat het hof onmiskenbaar doet, is het rendement dat de vrouw op de aan de gemeenschap onttrokken € 250.000,- heeft behaald en aan de gemeenschap moet vergoeden, wegstrepen tegen de door de vrouw terug te betalen schuld aan V. Die schuld wordt dus niet (als zodanig) verdeeld. De schatting van het hof komt blijkens zijn oordeel erop neer dat de hiermee gemoeide bedragen (ongeveer) gelijk zijn. Deze gedachtegang is als zodanig begrijpelijk. [21]
3.21
Onderdeel 6keert zich tegen de vaststelling van de hoogte van de schuld aan de Banco Sardegna van de vrouw door het hof in rov. 5.26 op het bedrag van € 73.517. Het hof heeft daarover in rov. 5.26 overwogen:
“5.26 (…). De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de schuld aansluiting gezocht bij het bankafschrift dat het dichtst bij de peildatum ligt. De man heeft de omvang van de schuld niet betwist, zodat van een schuld ter hoogte van dat bedrag, € 73.517 zal worden uitgegaan. De vrouw stelt in grief 12 dat uit moet worden gegaan van een hoger bedrag, € 77.262,34, maar ook in hoger beroep onderbouwt zij haar stelling niet met overtuigende stukken zodat de grieven van beide partijen falen en het hof in navolging van de rechtbank de hoogte van de schuld op € 73.517 zal bepalen en dat beide partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn.”
Het onderdeel klaagt dat de vaststelling van het hof dat de vrouw het bedrag van € 77.262,34 niet heeft onderbouwd met overtuigende stukken, onbegrijpelijk is, omdat de vrouw de hoogte van dat bedrag wel met stukken en een deskundigenverklaring (de hiervoor genoemde analyse) heeft onderbouwd. Het hof had daarop gemotiveerd in moeten gaan, althans is zonder verdere motivering niet begrijpelijk waarom deze stukken niet overtuigend zouden zijn, aldus het onderdeel.
3.22
De klacht faalt. Het hof baseert zich bij de vaststelling van de schuld in navolging van de rechtbank op productie 20 in eerste aanleg van de vrouw. Dat is niet onbegrijpelijk nu die productie een “Loan Summary Banco di Sardegna” bevat (door het hof bankafschrift genoemd), waarin de schuld met dat bedrag wordt vermeld in oktober 2022 en dat volgens het hof het overzicht of bankafschrift is dat het dichtst bij de peildatum van 6 januari 2022 ligt. De vrouw heeft, zoals het hof vaststelt in rov. 5.26, gegriefd tegen de vaststelling van de rechtbank en gesteld dat de schuld € 77.262,34 bedroeg, maar zij heeft dit bedrag niet onderbouwd in haar processtukken. Wel heeft zij in haar verweerschrift in het incidenteel hoger beroep alsnog terloops verwezen naar de bijlagen van de nadere analyse die zij in hoger beroep heeft overgelegd als productie 20. [22] Die bijlagen verschaffen echter niet behoorlijk duidelijkheid over dit bedrag. De eerste bijlage bestaat uit een acht bladzijden tellend overzicht op papier van de bank van alle betalingen aan aflossing en rente op de lening, welk overzicht geen tussenstanden van de hoogte van de schuld vermeldt, laat staan per de peildatum. Het tweede overzicht telt vier bladzijden – niet op papier van de bank – en is de door de gebruikte cijfer- en lettergrootte slecht leesbaar. Aan het slot van dit overzicht staat het door de vrouw gestelde bedrag van € 77.262,34 in een geel gearceerde regel, met de tekst – als ik het goed lees – ‘outstandig balance at the 6 January 2022’. Bij een en ander wordt geen enkele uitleg gegeven. Ook vermeldt deze bijlage niet door wie deze is opgesteld. De verwijzing in het verweerschrift betreft dus het spreekwoordelijke zoekplaatje. Daarmee heeft de vrouw niet voldaan aan haar zogeheten wegwijsplicht bij de verwijzing naar deze productie. [23] Dat het hof aan de verwijzing naar de bijlagen is voorbijgegaan – met de overweging dat geen ‘overtuigende stukken’ zijn overgelegd –, is dus niet onbegrijpelijk.
3.23
Onderdeel 7is gericht tegen rov. 5.33, waarin het hof het standpunt van de vrouw verwerpt dat aan de blooteigendom van de onroerende zaak in [plaats 1] geen waarde toekomt. De rechtbank heeft, voor zover van belang, over dit onderwerp overwogen:
“4.27 De vrouw heeft het blooteigendom van de woning in [plaats 1] . De rechtbank zal dit blooteigendom toedelen aan de vrouw tegen een waarde van € 52.500,-, onder vergoeding van de helft van de waarde met de man. De vrouw heeft immers (eerder in deze procedure) onbetwist gesteld dat de waarde van het blooteigendom op de peildatum € 52.500,- bedroeg. De man heeft daarmee ingestemd.
4.28
De vrouw heeft later haar standpunt gewijzigd en gesteld dat uitgegaan moet worden van een waarde van € 0,- omdat [V], die het vruchtgebruik heeft, recent heeft gesommeerd het blooteigendom terug te leveren. De vrouw verwijst hiervoor naar een brief opgesteld door de advocaat van [V] van 29 september 2023 (productie 34 van de vrouw). De rechtbank volgt de vrouw hierin niet. De brief is overduidelijk opgesteld in verband met de echtscheiding. Doel hiervan is uitsluitend om de waarde van het blooteigendom te verminderen tot nihil om daarmee de man te benadelen. Dit heeft de vrouw ook erkend tijdens de zitting. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan deze rechtshandeling niet de betekenis kan worden toegekend die de vrouw kennelijk daaraan toegekend wenst te zien. Dit betekent dat de rechtbank uitgaat van de waarde op de peildatum zoals hiervoor is beschreven.”
Het hof heeft over dit onderwerp overwogen:
“5.32 De vrouw grieft eveneens over de waarde van de onroerende zaak in [plaats 1] (grief 8). Zij stelt dat het bloot-eigendomsrecht door [V] op haar naam is gesteld zonder dat zij daarvoor ooit een tegenprestatie heeft voldaan. De bedoeling van [V] was dat het bloot-eigendomsrecht nooit in enige huwelijksgemeenschap zou vallen en dat zij het te allen tijde terug kon krijgen. Om dat laatste te bewerkstelligen heeft [V] inmiddels de vrouw in Italië voor de rechter gedaagd. Het bloot-eigendomsrecht is daarom volgens de vrouw niets waard.
5.33
Het hof verwerpt de grief. Ook hier is het betoog van de vrouw opmerkelijk. Waar zij ten aanzien van de schenkingen van [de moeder] aanvoert dat zij en [de moeder] niet bedacht hoefden te zijn op de verstrekkende gevolgen van de huwelijksgemeenschap waarin zij in 2017 is gehuwd zou [V] vijftien jaar eerder, toen de vrouw nog in Italië woonde, al gewild hebben dat haar schenking nooit in een huwelijksgemeenschap zou vallen. Dat is bijzonder onaannemelijk. Het hof zal dan ook geen waarde hechten aan de (niet getekende) onderhandse overeenkomst van 7 juni 2002 tussen [V] en de vrouw waaruit zou blijken dat het bloot-eigendomsrecht alleen in naam van de vrouw zou zijn, maar feitelijk niet. Uit de notariële akte van dezelfde datum blijkt namelijk wel dat het bloot-eigendomsrecht onvoorwaardelijk op de vrouw is overgegaan. De beslissingen van de rechtbank over de waarde en de toedeling daarvan aan de vrouw kunnen dus in stand blijven.”
3.24
Het oordeel van het hof komt erop neer dat het niet aannemelijk acht dat V de bloot eigendam van de zaak kan terugvorderen. Het hof oordeelt de door de vrouw gestelde bedoeling van V bij deze afspraak – dat het bloot-eigendomsrecht nooit in enige huwelijksgemeenschap zou vallen – bijzonder onaannemelijk. Het hecht dan ook geen waarde aan de overgelegde onderhandse overeenkomst van 7 juni 2002 waaruit die afspraak zou blijken. Uit de notariële akte van dezelfde datum blijkt namelijk wel dat het bloot-eigendomsrecht onvoorwaardelijk op de vrouw is overgegaan. In dit verband kan ook weer worden verwezen naar rov. 5.2 (hiervoor in 2.7 weergegeven).
3.25
Het onderdeel klaagt in de eerste plaats (onder 18) dat de overwegingen van het hof onbegrijpelijk zijn, waar het overweegt het opmerkelijk en onaannemelijk te vinden dat de vrouw enerzijds heeft gesteld dat zij ten aanzien van de schenkingen van de moeder heeft aangevoerd dat zij en de moeder niet bedacht hoefden te zijn op de verstrekkende gevolgen van de huwelijksgemeenschap, maar dat V anderzijds 15 jaar eerder al gewild zou hebben dat haar schenking nooit in een huwelijksgemeenschap zou vallen. Het hof gaat geheel voorbij aan de stellingen van de vrouw dat de constructie tussen de vrouw en V is opgezet vanuit het Italiaanse erf- en fiscaal recht en gebruikelijk is in Italië. Anders dan het hof kennelijk meent, heeft dit niets te maken met de Nederlandse huwelijksgemeenschap.
Het onderdeel voert (onder 19 en 20) aan dat het oordeel van het hof dat het geen waarde zal hechten aan de (niet getekende) onderhandse overeenkomst tussen V en de vrouw, voortbouwt op zijn oordeel over het toepasselijk recht en daarom evenmin in stand kan blijven. Daarnaast is het volgens het onderdeel onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat sprake is van een niet getekende onderhandse overeenkomst omdat de overeenkomst wel is getekend. Daardoor kan ook het eveneens voortbouwend oordeel van het hof dat uit de notariële akte wel blijkt dat het blooteigendom onvoorwaardelijk op de vrouw is overgegaan niet in stand blijven. Ook hier miskent het hof de stellingen van de vrouw over de constructie die is opgezet vanuit het Italiaanse erf- en fiscaal recht en in Italië gebruikelijk is.
Daarnaast klaagt het onderdeel er (onder 21) over dat het hof niet is ingegaan op de door hem in rov. 5.32 genoemde stellingen van de vrouw dat V haar in Italië voor de rechter heeft gedaagd om de eigendom terug te vorderen waardoor het bloot eigendomsrecht niets waard is, van welke procedure de vrouw ook stukken heeft overgelegd. Het hof had gemotiveerd op een en ander in moeten gaan aangezien de procedure in Italië betrekking heeft op de eigendom en de uitkomst daarvan relevant is voor de waarde van de woning en de verdeling. Indien het hof van oordeel zou zijn dat de procedure daarop niet van invloed is, is dat onjuist of onbegrijpelijk. Het hof had in het kader van de (wijze van) verdeling rekening met de vordering van V moeten houden, bijvoorbeeld door zich op dit punt onbevoegd te verklaren, voorwaardelijk te verdelen of de verdeling op dit punt aan te houden in afwachting van de uitspraak van de Italiaanse rechter, waarbij het onderdeel wijst op art. 3:185 en 3:193 BW.
Tot slot klaagt het onderdeel (onder 22) dat het hof heeft miskend dat Italiaans recht van toepassing is op de eigendomsvraag van de woning in [plaats 1] . Het hof had dat recht – afgezien van het voorafgaande – ex art. 10:2 BW ambtshalve moeten toepassen. Voor zover het hof, gelet op rov. 5.1, van oordeel was dat niet zou zijn geklaagd over de toepasselijkheid van Italiaans recht is dat onbegrijpelijk omdat de vrouw op dit punt wel heeft gesteld dat Italiaans recht van toepassing is.
3.26
Deze klachten falen. Dat het hof het gestelde motief van V voor de door de vrouw gestelde afspraak ‘bijzonder onaannemelijk’ heeft geacht, is een feitelijk oordeel, dat niet onbegrijpelijk is. Dat de vrouw heeft gesteld dat de constructie tussen de vrouw en V is opgezet vanuit het Italiaanse erf- en fiscaal recht en gebruikelijk is in Italië, blijkt niet uit de vindplaatsen die bij deze stelling in het onderdeel worden genoemd. Overigens zijn die stellingen ook niet relevant, nu het hof geen geloof heeft gehecht aan de door de vrouw gestelde afspraak. Het oordeel van het hof op dit punt is dus, anders dat het onderdeel tot uitgangspunt neemt, niet gebaseerd op de toepasselijkheid van het Nederlands huwelijksvermogensrecht op de overdracht van de blote eigendom. En het oordeel van het hof dat het geen waarde zal hechten aan de (niet getekende) onderhandse overeenkomst tussen V en de vrouw, bouwt evenmin voort op een oordeel over die toepasselijkheid, zoals het onderdeel voorts meent.
De vaststelling van het hof dat de onderhandse overeenkomst niet is getekend, is kennelijk gebaseerd op de aldus luidende stelling van de man, [24] die, als ik het goed zie, niet door de vrouw is weersproken. Overigens berust het oordeel van het hof niet (zozeer) op het niet getekend zijn van de akte, maar (vooral) op de ongeloofwaardigheid van hetgeen uit die akte zou moeten blijken. Voor die ongeloofwaardigheid verwijst het hof als gezegd naar zijn vaststelling dat het gestelde motief voor die afspraak ‘bijzonder onaannemelijk’ is, en het feit dat uit de notariële akte van de overdracht blijkt dat het bloot-eigendomsrecht onvoorwaardelijk op de vrouw is overgegaan. Het oordeel van het hof over laatstgenoemde akte bouwt dus, anders dan het onderdeel wil, niet voort op zijn oordeel over de onderhandse akte. Het is juist omgekeerd, zoals volgt uit het door het hof aan het slot van rov. 5.33 gebruikte woord “namelijk”.
Ook de klachten onder 21 in het onderdeel, dat het hof niet is ingegaan op de door hem in rov. 5.32 genoemde stellingen van de vrouw dat V haar in Italië voor de rechter heeft gedaagd om de eigendom terug te vorderen, waardoor het bloot eigendomsrecht niets waard is, gaan uit van een onjuiste lezing van het oordeel van het hof en missen dus feitelijke grondslag. Het hof heeft die stellingen immers in rov. 5.33 uitdrukkelijk verworpen met zijn oordeel dat de door de vrouw gestelde afspraak dat V de bloot eigendom kon terugvorderen, niet aannemelijk is. Voor het hof bestond dus ook geen aanleiding om zich op dit punt onbevoegd te verklaren, voorwaardelijk te verdelen of de verdeling op dit punt aan te houden in afwachting van de uitspraak van de Italiaanse rechter, zoals het onderdeel meent. Bovendien blijkt niet dat de vrouw om een dergelijke beslissing heeft gevraagd.
De klacht van het onderdeel onder 22 dat het hof heeft miskend dat op de eigendomsvraag met betrekking tot de onroerende zaak het Italiaanse recht van toepassing is, gaat eveneens uit van een onjuiste lezing van het oordeel van het hof. In het arrest van het hof valt niet te lezen dat het hof dit heeft miskend. Zijn oordeel berust uitsluitend op het niet-aannemelijk zijn van de door de vrouw gestelde afspraak dat V de bloot eigendom van de zaak kan terugvorderen.
3.27
Onderdeel 8bevat een voortbouwklacht, die zelfstandige betekenis mist en geen bespreking behoeft. Opmerking verdient nog wel dat de stelling van het onderdeel dat het oordeel van het hof in rov. 5.2 voortbouwt op de oordelen die bestreden worden door de onderdelen 1-7, niet juist is.
Slotsom
3.28
Het middel is ongegrond. Het beroep leent zich voor toepassing van art. 81 RO.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vergelijk voor de vaststaande feiten rov. 3 van de beschikking van het hof.
2.Het vonnis is niet gepubliceerd.
3.Rb. Midden-Nederland 17 november 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:5990.
4.Hof Arnhem-Leeuwarden 4 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:560.
5.De procesinleiding is op 6 mei 2025 bij de Hoge Raad ingediend. De laatste dag van de cassatietermijn was in beginsel 4 mei 2025 (art. 426 Rv), maar dat was een zondag, zodat de termijn op grond van art. 1 lid 1 Algemene termijnenwet werd verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag was. 5 mei is een algemeen erkende feestdag op grond van art. 3 lid 1 Algemene termijnenwet. De termijn werd dus verlengd tot en met 6 mei 2025.
6.HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:276.
7.Het onderdeel verwijst abusievelijk naar het huidige art. 1:94 lid 4 BW. Op grond van art. IV lid 1 Wet van 24 april 2017 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken is in dit geval het recht van vóór 2018 van toepassing.
8.Vgl. de in voetnoot 3 bij het onderdeel genoemde vindplaatsen, te weten het beroepschrift van de vrouw onder 18, haar verweerschrift tegen incidenteel beroep onder 58, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof, p. 4, en het verweerschrift op zelfstandige verzoeken in eerste aanleg onder 8. Vgl. ook de spreekaantekeningen zijdens de vrouw in hoger beroep (aangehecht aan genoemd proces-verbaal), p. 2.
9.Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof, p. 4.
10.Vgl. bijv. Asser/Vonken & Ibili 10-II 2025/336 en 833, en L. Strikwerda & S.J. Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 281.
11.Zie bijv. Asser/Kolkman & Salomons 1-II 2023/290, A.R. Autar, W. Burgerhart & F. Sonneveldt (red.), Compendium Estate Planning, Den Haag: Sdu 2025, p. 156-157, H.J. Weijers, GS Personen- en familierecht, art. 1:94 BW, aant. 6.4 (voorheen bewerkt door B.E. Reinhartz, actueel t/m 28 juni 2025), F. Ibili, G.M.C.M. Staat & A.H.N. Stollenwerck (red.), Compendium Echtscheiding, Den Haag: Sdu 2023, p. 321-322, en L.C.A. Verstappen & W. Burgerhart, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding. Deel A, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 114.
12.Verweerschrift tot echtscheiding tevens houdende zelfstandige verzoeken van de man van 22 april 2022, onder 51-58.
13.Het verweerschrift op de zelfstandig verzoeken van de vrouw van 21 juni 2022, onder 22-29.
14.Proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, p. 4.
15.Zie het verweerschrift in incidenteel hoger beroep onder 47-51.
16.Spreekaantekeningen zijdens de vrouw, p. 5.
17.Spreekaantekeningen zijdens de vrouw, p. 8.
18.Het onderdeel verwijst naar het beroepschrift van de vrouw onder 19-23. Onder 19 wordt slechts in algemene zin verwezen naar de verklaring van de moeder, afgelegd bij de notaris (productie 10 eerste aanleg). Onder 20 wordt slechts algemeen verwezen naar de door het hof in rov. 5.14 genoemde analyse onder punt C voor de uitsplitsing van het bedrag van € 252.918,-. Onder 23 wordt opgemerkt dat ten aanzien van andere bedragen dan die van € 20.000 en € 90.000,-, die de vrouw onder 22 als schenking bestempelt, uit de omschrijving blijkt dat zij vaak worden betaald om kosten te voldoen en waar soms heel nadrukkelijk wordt vermeld dat er sprake is van een lening, zoals wanneer er wordt vermeld “da rimettere”. Daarbij verwijst de vrouw naar pagina 12 van de analyse (waar daarover niets te vinden valt, behoudens een wat onduidelijke – niet verder toegelichte – omschrijving die luidt “vooraf te betalen juridische kosten terug te betalen”, bij een post van € 1500,-).
19.Verweerschrift in het incidenteel hoger beroep onder 66.
20.Zie onder 43 van het beroepschrift (“Analyse van dit bedrag wordt door de financiële deskundigen gedaan in punt A#1 (blz. 6/7) [van de analyse]. De conclusie is dat er geen direct verband is met de BINCK rekening, wel een indirect verband. (…) Het is aannemelijk dat [de vrouw] haar pensioen zou investeren in BINCK en niet gebruiken voor de verbouwing van het huis.”). Even later (onder 45) volgt dan het in het onderdeel genoemde subsidiaire standpunt waarvoor opnieuw wordt verwezen naar de analyse op blz. 7 (volgens welke er – mede? – “een vrij duidelijk verband is te stellen in hoogte en data dat de € 21.462 geheel of grotendeels in de woning in [plaats 3] is gegaan”).
21.Uitgaande van de hoogte van de vordering van V en het rendement op de beleggingsrekening die het hof noemt in rov. 5.21, en van hetgeen rechtbank overweegt in rov. 4.46-4.47, lijkt dit oordeel overigens nogal in het voordeel van de vrouw te zijn.
22.Verweerschrift in incidenteel hoger beroep, onder 25, p. 11, waarnaar in voetnoot 17 bij het onderdeel mede wordt verwezen.
23.Zie voor die plicht onder meer HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404, NJ 2017/147, met vermelding van eerdere rechtspraak. Vgl. ook bijv. GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 85 Rv, aant. 3 (L.A. Bosch, voorheen bewerkt door R.H. de Bock, actueel t/m 08-10-2025).
24.Verweerschrift in hoger beroep onder 67.