ECLI:NL:PHR:2025:1335

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
24/00671
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openlijke geweldpleging in fastfoodrestaurant met beroep op noodweer

In deze zaak gaat het om openlijke geweldpleging in een fastfoodrestaurant, waarbij de verdachte en zijn medeverdachte betrokken waren in een vechtpartij met klanten. De verdachte is op 21 oktober 2018 in de McDonald's te [plaats] in aanraking gekomen met de politie na een incident waarbij hij en zijn medeverdachte geweld hebben gepleegd tegen de aangevers, [aangever 1] en [aangever 2]. De verdachte is door het gerechtshof Den Haag op 16 februari 2024 veroordeeld tot een taakstraf van zestig uren, met een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijftien dagen. De verdachte heeft cassatie ingesteld, waarbij hij zich beroept op noodweer. De conclusie van de procureur-generaal is dat het beroep op noodweer niet slaagt, omdat de gedragingen van de aangevers niet als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding zijn aangemerkt. Het hof heeft overwogen dat de verdachte zich had kunnen onttrekken aan de situatie, mede gezien de aanwezigheid van de politie. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00671
Zitting18 november 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 16 februari 2024 door het gerechtshof Den Haag [1] wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, te vervangen door dertig dagen hechtenis, waarvan dertig uren, te vervangen door vijftien dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en aftrek overeenkomstig art. 27 Sr. [2] Het hof heeft bevolen dat de in voorarrest doorgebrachte tijd op de taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/00726, waarin ik vandaag ook zal concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N.F. Christiansen, advocaat in Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.4
Het middel komt met verschillende deelklachten op tegen de verwerping door het hof van het beroep op noodweer.

2.De bewezenverklaring en bewijsmiddelen

2.1
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 21 oktober 2018 te [plaats] ,
openlijk, te weten op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten in de McDonalds gelegen aan de [a-straat 1] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1] en [aangever 2] ,
welk geweld bestond uit
- tegen het lichaam van die [aangever 2] te duwen en
- die [aangever 2] bij de nek vast te pakken en
- in het gezicht en tegen het lichaam van die [aangever 1] te slaan/stompen en
- tegen het lichaam van die [aangever 2] te slaan/stompen en
- oppakken van een stoel en vervolgens met die stoel een slaande beweging te maken in de richting van die [aangever 2] en [aangever 1] en
- een bokshouding aan te nemen en
- de benen van die [aangever 2] vast te pakken, ten gevolge waarvan hij op de grond is gevallen.”
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. De eigen waarneming van het hof.
Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2024 op de beelden (21-10-2018 03_13_17 (UTC+02_00)) waargenomen – zakelijk weergegeven –:
De voorzitter beschrijft te zien dat [aangever 2] en [aangever 1] links in beeld staan. De verdachte komt aanlopen en wordt aangesproken door een vrouw, waarna hij in gesprek gaat met [aangever 2] en [aangever 1] . Op 00:36 is te zien dat medeverdachte [medeverdachte] komt aanlopen.
De voorzitter beschrijft te zien dat op 03:52 twee verbalisanten naar binnen komen lopen. Op 03:57 spreekt de verdachte de verbalisanten aan en wijst naar [aangever 2] en [aangever 1] .
De voorzitter beschrijft te zien dat op 04:04 de verdachte zich omdraait, met zijn vinger bewegingen maakt naar [aangever 2] en dat [aangever 2] op staat van de bank.
Voorts beschrijft de voorzitter te zien dat op 04:08 de verdachte een beweging maakt richting [aangever 2] waarna zij beide elkaars armen vastpakken. [aangever 2] geeft de verdachte vervolgens een duw. [medeverdachte] pakt [aangever 2] vast bij zijn bovenarmen en duwt hem naar achteren. Op 04:13 is te zien dat [aangever 2] [medeverdachte] slaat. Er worden klappen over en weer uitgedeeld. Te zien is dat op 04:23 [medeverdachte] op de grond terechtkomt..
De voorzitter beschrijft te zien dat op 04:13 dat [aangever 1] [medeverdachte] een trap geeft, waarna de verdachte hem naar achteren duwt. Te zien is dat de verdachte een bokshouding aanneemt. Op 04:18 geeft de verdachte aan [aangever 1] een vuistslag met zijn rechtervuist. Op 04:20 legt een verbalisant een hand op de schouder van de verdachte en trekt hem naar achteren, op 04:23 pakt de verdachte een rode stoel en maakt met de stoel een zwaai richting [aangever 1] .
Te zien is dat op 04:28 de verdachte een stoel pakt en met de stoel tegen [aangever 2] aan slaat. [medeverdachte] pakt de voeten van [aangever 1] vast waardoor hij ten val komt.
2. Een proces-verbaal van aangifted.d. 10 januari 2019, van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2019010188-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 105):
als de door aangever [aangever 1] afgelegde verklaring:
Op 21 oktober 2018 was ik samen met mijn broer [aangever 2] in de McDonalds op de [a-straat] te [plaats] . Tijdens een incident werden mijn broer en ik door een tweetal portiers aangevallen en wij hebben ons toen verdedigd. Over en weer werden er klappen en schoppen uitgedeeld. Een van de portiers gooide zelfs met een stoel.
3. Een proces-verbaal van aangifted.d. 10 januari 2019, van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2019010212-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 102):
als de door aangever [aangever 2] afgelegde verklaring:
Op 21 oktober 2018 was ik samen met mijn broer [aangever 1] in de McDonalds op de [a-straat] te [plaats] . Tijdens een incident werden mijn broer en ik door een tweetal portiers aangevallen en wij hebben ons toen verdedigd. Over en weer werden er klappen en schoppen uitgedeeld. Een van de portiers gooide zelfs met een stoel.
4. Een proces-verbaal van bevindingend.d. 21 oktober 2018, van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2018316564-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 17-19) :
als relaas van de verbalisanten:
Op 21 oktober 2018 kwam er een assistentieverzoek binnen van de portiers van de McDonalds aan de [a-straat 1] te [plaats] . Ter plaatse zagen wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], dat er luid geschreeuwd en over en weer gescholden werd tussen enerzijds een tweetal portiers en anderzijds een tweetal mannelijke gasten. De beide mannen aan de tafel bleken later te zijn genaamd: [aangever 1] en [aangever 2] .
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , vroeg aan [verdachte] wat de reden was van het assistentieverzoek. Ik voelde dat [verdachte] mij als het ware wegduwde en op uiterst escalerende wijze dreigementen begon te uiten tegen de twee mannen aan de tafel.
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat [verdachte] een stoel pakte met zijn rechterhand en dat hij deze trachtte te gooien naar de beide mannen aan tafel. Er brak een gevecht uit tussen enerzijds de beide portiers en anderzijds de twee mannen aan de tafel. Er werden over en weer harde klappen uitgedeeld.
Ik, verbalisant [verbalisant 3], probeerde beveiliger [medeverdachte] aan zijn schouders achteruit te trekken teneinde de partijen uit elkaar te halen. Ik zag dat er door partijen werd geslagen en dat er stoelen door de lucht vlogen.
5. Een proces-verbaal van bevindingend.d. 21 oktober 2018, van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2018316564-30. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 31-34):
als relaas van de verbalisant:
Ik, verbalisant [verbalisant 4], onderzocht de beelden van de mishandeling op 21 oktober 2018. Ik zag dat de beelden voorzien waren van de volgende aanduiding: 21/10/2018 03:13:17.312. Ik herkende op deze camerabeelden de bovenverdieping van de McDonalds [a-straat 1] te [plaats] .
[aangever 1] is verdachte 3. [aangever 2] is verdachte 4. [verdachte] is verdachte 1 en [medeverdachte] is verdachte 2.
Ik zag dat verdachte 1 vanaf de trap liep in de richting van verdachte 3 en 4. Ik zag dat verdachte 1 aangesproken werd door de eerder genoemde voor mij onbekend gebleven vrouw. Ik zag dat de vrouw wees in de richting van een tafel die grotendeels buiten het opgenomen cameragebied stond. Ik zag vervolgens dat deze vrouw wees in de richting van verdachte 3. Ik zag dat verdachte 1 vervolgens verdachte 3 en 4 aanspreekt waarna hij met zijn rechterarm verdachte 4 een stukje opzij duwde. Ik zag dat verdachte 3 en 4 in gesprek [waren] met verdachte 1 waarbij verdachte 3 en 4 meerdere malen wezen in de richting van de eerder genoemde tafel die grotendeels buiten het cameragebied stond.
Vervolgens zag ik dat om 03:13:38.968 verdachte 1 zijn bril afzette. Vervolgens zag ik dat verdachte 1 achteruit stapte en bij het achteruit stappen links naar beneden keek en vervolgens met zijn rechtervoet een aldaar geplaatste rood kleurige stoel aan de kant schopte.
Vervolgens werd zichtbaar dat om 03:13:51.430 verdachte 2 de trap op kwam lopen. Ik zag dat verdachte 2 naast verdachte 1 ging staan, tegenover verdachte 3 en 4.
Om 03:16:43.273 zag ik dat verdachte 1 op zij keek, vermoedelijk naar buiten, en met de hand van zijn rechterarm gebaren maakte. Om 03:17:06.261 zag ik dat twee politiefunctionarissen de trap op kwamen lopen.
Ik zag vervolgens dat verdachte 2 in gesprek raakt met een van deze politiefunctionarissen en dat verdachte 1 de andere politiefunctionaris middels een handgebaar wees op verdachte 3. Ik zag dat verdachte 3 met zijn linkerarm gebaren maakte waarna verdachte 1 tegen de tafel aan komt staan schuin boven verdachte 4 en dat hij met zijn rechterhand gebaren maakte in de richting van verdachte 4.
Om 03:17:24.518 zag ik dat verdachte 4 op stond.
Om 03:17:26.517 zag ik dat verdachte 4 met zijn linkerarm de verdachte 1 naar achter dirigeerde.
Om 03:17:26.717 zag ik dat verdachte 1 met zijn rechterarm een indraaiende beweging maakte.
Om 03:17:27.118 zag ik dat verdachte 4 beide handen op de armen van verdachte 1 plaatste.
Om 03:17:27.917 zag ik dat verdachte 2 een voor mij onbekend gebleven vrouw weg duwde die tussen hem en verdachte 4 stond.
Om 03:17:28.717 zag ik dat verdachte 4 de verdachte 1 naar achter duwde.
Om 03:17:29.650 zag ik dat verdachten 1 en 2 de verdachte 4 vastpakte waarna verdachte 2 de verdachte 4 naar achteren duwt.
Om 03:17:32.448 zag ik dat verdachte 2 met zijn linkerarm de verdachte 4 vastpakte bij zijn nek.
Om 03:17:32.847 zag ik dat verdachte 1 met zijn rechterarm een slaande beweging maakte in de richting van het gezicht van verdachte 3. Ik zag dat verdachte 3 zijn evenwicht verloor en achterover viel tegen de tafel aan.
Om 03.17:36.178 zag ik dat verdachte 1 met zijn rechterarm een slaande beweging maakte in de richting van het gezicht van verdachte 3 die op dat moment op de bank zat. Ik zag dat verdachte 3 zijn rechterarm omhoog hield voor zijn gelaat waarna ik zag dat verdachte 3 achterover viel op de bank.
Om 03:17:36.178 zag ik dat verdachte 2 en 4 elkaar in een worstel greep vast hadden waarbij over en weer slaande bewegingen vielen.
Om 03:17:41.110 zag ik dat verdachte 2 en 4 al worstelend tussen verdachte 1 en 3 in kwamen.
Om 03:17:41.910 zag ik dat verdachte 2 ten val was gekomen.
Om 03:17:43.375 zag ik dat verdachte 1 met een rood kleurige stoel een slaande beweging maakte in de richting van verdachte 3.
Om 03.17:47.507 zag ik dat verdachte 1 met een rood kleurige stoel een slaande beweging maakt in de richting van verdachte 4 en vervolgens achteruit liep.
Om 03:17:47.640 zag ik dat verdachte 4 een afwerende beweging maakt tegen de inkomende stoel, deze afweer en vervolgens mijn zijn rechter arm een slaande beweging maakte in de richting van verdachte 1.
Om 03:17:48.773 zag ik dat verdachte 1 achteruit deinsde, gevolgd door verdachte 4.
Om 03:17:49.505 zag ik dat verdachte 2, die nog steeds op de grond lag, verdachte 4 bij zijn benen vast pakte waardoor verdachte 4 ten val kwam.”

3.Het middel

3.1
Het middel komt met verschillende deelklachten op tegen de verwerping door het hof van het beroep op noodweer. Deze deelklachten houden in dat:
(i) het hof in (de motivering van) de verwerping van het beroep op noodweer ten onrechte niet heeft betrokken dat de aangevers ( [aangever 1] en [aangever 2] ) ook hebben geduwd, geslagen en getrapt;
(ii) het hof ten onrechte niet is ingegaan op de stelling van de verdediging dat de politieagenten passief bleven tijdens het incident; en
(iii) het hof het slaan met de stoel in de richting van [aangever 2] heeft aangemerkt als handelen uit noodweer, maar het gelijktijdig vastpakken van de benen van [aangever 2] niet, zodat de motivering van de verwerping van het beroep op noodweer (ook) op dit punt onbegrijpelijk is.
3.2
Op de terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2024 heeft de raadsvrouw van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij handelde uit noodweer (art. 41 lid 1 Sr). Het hof heeft dit verweer in zijn arrest van 16 februari 2024 als volgt samengevat weergegeven en verworpen:

Bespreking van het gevoerde verweerDe raadsvrouw van de verdachte heeft – overeenkomstig de overgelegde pleitnotities – bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Daartoe heeft zij aangevoerd dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding tegen zijn lijf, dan wel het lijf van medeverdachte [medeverdachte] , waartegen noodzakelijke verdediging geboden was. De reactie van de verdachte was, gegeven de omstandigheden proportioneel en kan ook de eis van subsidiariteit doorstaan. Samengevat is ter onderbouwing van het verweer het volgende gesteld. Verdachte was, samen met [medeverdachte] die nacht als beveiliger werkzaam bij McDonalds. Het waren [aangever 1] en zijn broer [aangever 2] die – nadat zij door verdachte waren aangehouden – zich agressief bleven gedragen. Toen verdachte zich tot [aangever 2] wendde nadat deze een nare opmerking had gemaakt, viel deze hem, verdachte aan. Omdat de politie niet ingreep, moest verdachte zich verdedigen. Toen verdachte –iets later– zag dat zijn collega op de grond lag en door [aangever 2] tegen het hoofd werd geschopt, heeft hij ter verdediging van zijn collega met een stoel die [aangever 2] geslagen.
Het hof gaat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting – in het bijzonder op grond van de getoonde camerabeelden – uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 21 oktober 2018 waren de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] als beveiligers aan het werk in de McDonald's aan de [a-straat] in [plaats] . De verdachte werd benaderd door een groep vrouwen met de melding dat één van die vrouwen, [betrokkene 1] , met een vlakke hand een klap in haar gezicht had gekregen van een man. De verdachte sprak deze man vervolgens aan – hij bleek te zijn [aangever 1] – en deelde hem mede dat hij hiervoor werd aangehouden. Ondertussen verzocht de verdachte om politie-assistentie en voegde medeverdachte [medeverdachte] zich bij de verdachte. Na woordenwisselingen over en weer tussen de verdachte, [aangever 2] en [aangever 1] gaan [aangever 2] en [aangever 1] aan een tafel zitten. Na enkele minuten komt de politie ter plaatse. De verdachte wijst de verbalisanten op [aangever 1] , die op dat moment nog steeds op de bank aan tafel zit. Dan draait de verdachte zich om en nadert [aangever 2] . [aangever 2] staat op van de bank. Vervolgens maakt de verdachte met zijn lichaam een beweging richting [aangever 2] waarop [aangever 2] de verdachte een duw geeft. [medeverdachte] loopt naar [aangever 2] toe en pakt zijn linkerarm vast, en ook de verdachte pakt [aangever 2] vast. [medeverdachte] duwt [aangever 2] . [aangever 2] duwt terug en slaat [medeverdachte] . [aangever 1] geeft [medeverdachte] een trap. Er ontstaat dan een vechtpartij waarbij over en weer geslagen wordt tussen aan de ene kant de verdachte en [medeverdachte] en aan de andere kant [aangever 2] en [aangever 1] ; [medeverdachte] en [aangever 2] slaan elkaar meermalen en tussen de verdachte en [aangever 1] wordt over en weer geduwd waarna de verdachte [aangever 1] slaat. Op enig moment komt [medeverdachte] ten val. Terwijl [medeverdachte] op grond ligt, schopt [aangever 2] hem meermalen in het gezicht. De verdachte pakt op dat moment een rode plastic stoel en slaat [aangever 2] tegen zijn lichaam. De verdachte wordt vervolgens weggetrokken door de politie en ook [medeverdachte] en [aangever 2] worden uit elkaar gehaald.
Het hof overweegt als volgt.
Voor een geslaagd beroep op noodweer moet aannemelijk worden dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of anders lijf waartegen verdediging noodzakelijk was.
De handelingen tot aan het slaan met de stoel
Uit de door het hof vastgestelde feitelijke toedracht en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de vechtpartij begonnen is nadat verdachte een beweging maakte in de richting van de zittende [aangever 2] , waarop deze opstaat en verdachte duwt. Daaropvolgend pakten verdacht en [medeverdachte] [aangever 2] bij de arm vast en wordt deze geduwd. Eerst daarna wordt door [aangever 2] geslagen en ontstaat een vechtpartij waarbij over en weer wordt geslagen en geschopt.
Naar het oordeel van het hof vormden de gedragingen (opstaan en duwen) van [aangever 2] jegens verdachte en zijn collega geen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn (verdachtes) lijf of dat van zijn collega waartegen verdediging geboden was. Bij dit oordeel betrekt het hof dat er inmiddels politieagenten aanwezig waren en dat het opstaan en duwen door [aangever 1] niet van een zodanige aard en hevigheid was dat van de verdachte niet kon worden gevergd dat hij zou zich onttrekken aan de situatie en de verdere afhandeling aan de politie over te laten. In de gegeven omstandigheden bestond daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid. In plaats daarvan heeft de verdachte bijgedragen aan het ontstaan van de vechtpartij.
Gelet op het voorgaande was er ook geen sprake van een situatie waarin verdediging tegen de (vrees voor) aanranding noodzakelijk was.
Het verweer wordt in zoverre verworpen.
Het slaan met de stoel
Het hiervoor overwogene geldt niet voor de bewezenverklaarde geweldshandelingen die zien op het door verdachte oppakken van de stoel en het met de stoel een slaande beweging maken in de richting van [aangever 2] . Deze handeling was geboden tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van andermans lijf, nu de medeverdachte [medeverdachte] op dat moment weerloos op de grond lag en in zijn gezicht werd geschopt door [aangever 2] . Het slaan met de stoel was dan ook gerechtvaardigd nu dit handelen betrof uit noodweer.
Het verweer slaagt in zoverre. Het. hof zal hiermee in de strafmaat rekening houden.
Anders dan hiervoor overwogen is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.”
3.3
De eerste deelklacht houdt in dat het hof wel heeft vastgesteld dat [aangever 1] en [aangever 2] de verdachte en zijn medeverdachte hebben geduwd, geslagen en geschopt (zie onder randnummer 3.2), maar dit ten onrechte niet in de verwerping van het beroep op noodweer heeft betrokken. Het hof heeft – zo voert de steller van het middel aan – enkel in het licht van de primaire gedragingen van [aangever 2] (het opstaan en het duwen) beoordeeld of sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging geboden was, terwijl juist het latere duwen, slaan en schoppen door [aangever 1] en [aangever 2] heeft bijgedragen aan de noodweersituatie. De deelklacht is gericht tegen de volgende passage uit het arrest van het hof:
“Naar het oordeel van het hof vormden de gedragingen (opstaan en duwen) van [aangever 2] jegens verdachte en zijn collega geen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn (verdachtes) lijf of dat van zijn collega waartegen verdediging geboden was.”
3.4
In de beoordeling van het beroep op noodweer maakt het hof onderscheid tussen twee fases van de vechtpartij, zijnde de situatie tot aan het slaan met de stoel, en het slaan met de stoel. Ten aanzien van de eerste fase heeft het hof het volgende vastgesteld:
“Uit de door het hof vastgestelde feitelijke toedracht en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de vechtpartij begonnen is nadat verdachte een beweging maakte in de richting van de zittende [aangever 2] , waarop deze opstaat en verdachte duwt. Daaropvolgend pakten verdachte en [medeverdachte] [aangever 2] bij de arm vast en wordt deze geduwd. Eerst daarna wordt door [aangever 2] geslagen en ontstaat een vechtpartij waarbij over en weer wordt geslagen en geschopt.”
3.5
Het hof heeft overwogen (zie onder randnummer 3.2) dat de primaire gedragingen van [aangever 2] (het opstaan en het duwen van de verdachte) geen noodweersituatie deden ontstaan. Aan dat oordeel heeft het hof onder meer ten grondslag gelegd dat het opstaan en duwen door [aangever 1] [3] niet van een zodanige aard en hevigheid was dat van de verdachte niet kon worden gevergd dat hij zou zich onttrekken aan de situatie. Volgens het hof bestond in de gegeven omstandigheden, en mede in aanmerking genomen dat er inmiddels politie aanwezig was, voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid om zich aan de situatie te onttrekken.
3.6
Inherent aan dit oordeel is dat het daarna door de verdachte toegepaste geweld (het hof omschrijft dit als “een vechtpartij waarbij over en weer wordt geslagen en geschopt”) in beginsel wederrechtelijk was; er was geen sprake van een noodweersituatie. Dat werd pas anders op het moment dat de medeverdachte op de grond lag en tegen het hoofd werd geschopt. Het hof overweegt over deze ‘fase’ dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van andermans lijf, waartegen verdediging geboden was. Ten aanzien van het maken van een slaande beweging met een stoel in de richting van [aangever 2] , komt de verdachte dan ook een geslaagd beroep op noodweer toe.
3.7
Uit de verwerping van het beroep op noodweer door het hof voor het overige leid ik – anders dan de steller van het middel – dus niet af dat het hof het schoppen en slaan door [aangever 1] en [aangever 2] niet in de beoordeling van het verweer heeft betrokken, maar dat het hof van oordeel is geweest dat deze gedragingen plaatsvonden tijdens de vechtpartij over en weer, dat tegen deze (wederrechtelijke) aanranding geen verdediging geboden was en dat de reactie van de verdachte niet (enkel) verdedigend van aard was. De eerste deelklacht faalt.
3.8
De tweede deelklacht houdt in dat het hof niet is ingegaan op de stelling van de verdediging dat de politieagenten passief bleven tijdens het incident, zodat het oordeel van het hof dat de verdachte zich mede vanwege de aanwezigheid van de politie had kunnen en moeten onttrekken aan de situatie ontoereikend is gemotiveerd.
3.9
De steller van het middel verwijst in het kader van deze klacht naar de volgende passage uit het arrest van het hof:
“Naar het oordeel van het hof vormden de gedragingen (opstaan en duwen) van [aangever 2] jegens verdachte en zijn collega geen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn (verdachtes) lijf of dat van zijn collega waartegen verdediging geboden was. Bij dit oordeel betrekt het hof dat er inmiddels politieagenten aanwezig waren en dat het opstaan en duwen door [aangever 1] niet van een zodanige aard en hevigheid was dat van de verdachte niet kon worden gevergd dat hij zou zich onttrekken aan de situatie en de verdere afhandeling aan de politie over te laten. In de gegeven omstandigheden bestond daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid.”
3.1
Ter terechtzitting in hoger beroep van 2 augustus 2024 heeft de verdediging over de aanwezigheid en het handelen van de politie het volgende naar voren gebracht (zonder overneming van voetnoten):

Politie grijpt niet in om [aangever 1] mee te nemen56. Getuige [getuige 1] zegt: “
Ik zag dat de politie niks deed. De politie stond erbij en keek ernaar.”
57. Eens gelijk verhaalt getuige [getuige 2] bij de RC.
“Op een gegeven moment stond er wel 20 man politie boven maar die deden niets. Ik dacht waarom doen jullie niks, je ziet toch dat dit uit de hand gaat lopen. (...) Als die beveiliger er niet was dan weet ik niet waar wij geëindigd waren.”
58. De politie grijpt dus niet in ondanks client juist expliciet om assistentie van de politie had gevraagd en de politie actief bij de situatie wil betrekken.
59. Op het moment dat client hoort dat een vrouw is geslagen, hij de politie via het piepersysteem. Als de politie op de fiets arriveert maakt hij met zijn armen bewegingen om hun aandacht te trekken (tijdstip, 03:27). Kort daarna arriveert de politie op de bovenverdieping. Op de beelden (tijdstip 3:57-4:03) is duidelijk te zien is dat client voorafgaand aan de escalatie van het geweld in gesprek is met agent [verbalisant 1] en naar [aangever 1] wijst. Volgens client gaf hij toen aan de politie aan dat die meneer die hij aanwees, had geslagen.
60. Client wil de controle over situatie kennelijk overdragen aan de politie, maar dat lukt niet. De agenten blijven staan en bewegen niet in de richting van de broers.
61. Mogelijk een misverstand. Als wij kijken naar de pv’s van de politie wordt niet vermeld dat de reden voor hun komst naar de Mc-Donalds een burgeraanhouding was en de beveiligers hierbij assistentie nodig hadden.
62. Agent [verbalisant 1] geeft zelfs expliciet aan dat hem onduidelijk was wat er nu precies ten grondslag lag van deze ruzie. Hij kan zich ook het gesprek van 6 seconden met client niet meer herinneren. Wel heeft hij geverbaliseerd dat hij door client is geduwd wat dan weer niet terug te zien is op de beelden.
63. Hoe dan ook. De politie schat in een tijdsbestek van 2 seconden in dat cliënt en zijn collega de agressor zijn in deze situatie. Deze kijk op het voorval wordt echter niet gedeeld door de getuigen die er van het begin af aan bij zijn geweest.
64. Deze inschatting is een mogelijke verklaring dat de politie anders dan gehoopt door client niet ingrijpt om [aangever 1] aan te houden.
Politie grijpt ook niet op een later moment in
65. De politie grijpt ook niet in op het moment dat het fysiek geweld al gaande is. Op de momenten dat cliënt zich terugtrekt hadden zij wel kunnen ingrijpen.
- Client doet een stapje terug. Ook de twee politieagenten doen twee of drie stappen naar achteren (Tijdstip 04:14),
- Client trekt zich weer kort terug. De politieagenten 1 en 2 staan nog steeds in afwachtende houding op enige afstand (tijdstip 04:18).
- Op een bepaald moment duwt agent [verbalisant 1] client fors naar achteren. Drie agenten zijn bezig met client terwijl [aangever 1] en [aangever 2] te keer gaan tegen [medeverdachte] (tijdstip 04:34 e.v.).
66. Begrijp me niet verkeerd. Het is uiteraard buitengewoon lastig om in een zulk kort tijdsbestek die justitie inschatting te maken en goed met de beveiligers te communiceren. Hoe dan ook het passieve optreden van de politie maakt dat client zich niet kon en moest onttrekken. Sterker nog, op het moment dat client [medeverdachte] niet meer kan verdedigen slaan de broers [aangever 1 en 2] helemaal door in het geweld [medeverdachte] .
67. Kortom, ook aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan.”
3.11
Ook bij de bespreking van deze deelklacht is het van belang onderscheid te maken tussen de verschillende fases van het conflict/de geweldpleging. De fase waarop de onder 3.9 geciteerde overweging van het hof betrekking heeft, betreft het moment waarop [aangever 2] opstaat en duwt, waarna een reactie van de verdachte volgt. Uit de eigen waarneming van de camerabeelden door het hof (bewijsmiddel 1) blijkt over (de aanloop naar) deze fase het volgende:
“De voorzitter beschrijft te zien dat [aangever 2] en [aangever 1] links in beeld staan. De verdachte komt aanlopen en wordt aangesproken door een vrouw, waarna hij in gesprek gaat met [aangever 2] en [aangever 1] . Op 00:36 is te zien dat medeverdachte [medeverdachte] komt aanlopen.
De voorzitter beschrijft te zien dat op 03:52 twee verbalisanten naar binnen komen lopen. Op 03:57 spreekt de verdachte de verbalisanten aan en wijst naar [aangever 2] en [aangever 1] .
De voorzitter beschrijft te zien dat op 04:04 de verdachte zich omdraait, met zijn vinger bewegingen maakt naar [aangever 2] en dat [aangever 2] op staat van de bank.
Voorts beschrijft de voorzitter te zien dat op 04:08 de verdachte een beweging maakt richting [aangever 2] waarna zij beide elkaars armen vastpakken. [aangever 2] geeft de verdachte vervolgens een duw. [medeverdachte] pakt [aangever 2] vast bij zijn bovenarmen en duwt hem naar achteren. Op 04:13 is te zien dat [aangever 2] [medeverdachte] slaat. Er worden klappen over en weer uitgedeeld. Te zien is dat op 04:23 [medeverdachte] op de grond terechtkomt.”
3.12
Uit de eigen waarneming van het hof blijkt niet dat de politie ingrijpt op het moment dat [aangever 2] opstaat van de bank en de verdachte duwt. Het hof heeft desondanks overwogen dat de verdachte zich aan de situatie had kunnen en moeten onttrekken. Dat oordeel vind ik niet onbegrijpelijk, gelet op de vaststellingen van het hof over de aard en de hevigheid van het duwen door [aangever 2] , en het feit dat de politie al in dezelfde ruimte aanwezig was.
3.13
Het hof heeft de aanwezigheid van de politie niet van zodanig gewicht geacht, dat aan de verdachte in zijn algemeenheid geen geslaagd beroep op noodweer meer kon toekomen. Immers heeft het hof aangenomen dat het slaan met de stoel in de richting van [aangever 2] handelen uit noodweer betrof, omdat de medeverdachte [medeverdachte] op dat moment weerloos op de grond lag.
3.14
Het hof heeft de stelling van de verdediging dat de politie passief was dus niet in het midden gelaten: het hof heeft ten aanzien van de eerste fase van het geweld overwogen dat de verdachte zich aan de situatie had kunnen en moeten onttrekken en heeft in dat oordeel de (op dat moment nog passieve) aanwezigheid van de politie ter plaatste betrokken. Ten aanzien van het moment waarop de medeverdachte [medeverdachte] op de grond lag en werd geschopt, heeft het hof overwogen dat sprake was van een noodweersituatie (impliciet: ondanks de aanwezigheid van de politie, of misschien juist omdat de politie aanwezig was, maar niet ingreep). Daarbij merk ik nog op dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de politie op een gegeven moment heeft geprobeerd de vechtende partijen uit elkaar te halen (zie bewijsmiddel 4). De tweede deelklacht faalt.
3.15
De derde deelklacht komt op tegen de verwerping door het hof van het beroep op noodweer voor zover dat betrekking heeft op het vastpakken van de benen van [aangever 2] door de medeverdachte. Volgens de steller van het middel is het onbegrijpelijk dat het hof de aanvaarding van het beroep op noodweer heeft beperkt tot het slaan met de stoel door de verdachte in de richting van [aangever 2] , terwijl dat gelijktijdig plaatsvond met het vastpakken van de benen van [aangever 2] door de medeverdachte. Ook ten aanzien van die gedraging zou, zo begrijp ik de steller van het middel, aan de verdachte en zijn medeverdachte een geslaagd beroep op noodweer moeten toekomen. De steller van het middel verwijst hiervoor naar bewijsmiddel 5, dat voor zover van belang voor de bespreking van deze deelklacht inhoudt:
“Om 03:17:41.910 zag ik dat verdachte 2 ten val was gekomen.
Om 03:17:43.375 zag ik dat verdachte 1 met een rood kleurige stoel een slaande beweging maakte in de richting van verdachte 3.
Om 03.17:47.507 zag ik dat verdachte 1 met een rood kleurige stoel een slaande beweging maakt in de richting van verdachte 4 en vervolgens achteruit liep.
Om 03:17:47.640 zag ik dat verdachte 4 een afwerende beweging maakt tegen de inkomende stoel, deze afweer en vervolgens mijn zijn rechter arm een slaande beweging maakte in de richting van verdachte 1.
Om 03:17:48.773 zag ik dat verdachte 1 achteruit deinsde, gevolgd door verdachte 4.
Om 03:17:49.505 zag ik dat verdachte 2, die nog steeds op de grond lag, verdachte 4 bij zijn benen vast pakte waardoor verdachte 4 ten val kwam.”
3.16
Voor zover in de cassatieschriftuur wordt gesteld dat het vastpakken van de benen van verdachte 4 ( [aangever 2] ) gelijktijdig plaatsvindt met het slaan met de stoel in de richting van [aangever 2] , mist het feitelijke grondslag. Uit het proces-verbaal waarnaar de steller van het middel verwijst, volgt immers dat het maken van een slaande beweging met de stoel in de richting van [aangever 2] (3.17.47.507) en het vastpakken van zijn benen (3.17.49.505) weliswaar kort na elkaar plaatsvindt, maar niet gelijktijdig. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat [aangever 2] – nadat de verdachte in zijn richting heeft geslagen met een stoel – een afwerende beweging maakt, vervolgens een slaande beweging maakt in de richting van de verdachte en daarna (met de verdachte) achteruit deinst. Daaruit heeft het hof kennelijk afgeleid dat de aanranding van de medeverdachte – die op de grond lag en tegen het hoofd werd geschopt door [aangever 2] – was beëindigd, zodat geen sprake meer was van een noodweersituatie en dat ten aanzien van de vervolghandelingen van de verdachte en medeverdachte aan hen geen geslaagd beroep op noodweer toekomt. Dat oordeel vind ik niet onbegrijpelijk, zodat ook de derde deelklacht faalt.

4.Slotsom

4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Parketnummer 22-000777-21.
2.Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de beslissing van de rechtbank ter zake van het onder 2 tenlastegelegde, omdat de rechtbank de verdachte van dat feit heeft vrijgesproken.
3.AG VS: het hof bedoelt hier naar ik aanneem [aangever 2] .