ECLI:NL:PHR:2025:1349

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
25/01488
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beklag ex art. 5.1.11 jo 552a Sv inzake beslag op computer en laptop n.a.v. rechtshulpverzoek van Zwitserse autoriteiten

In deze zaak gaat het om een beklagprocedure naar aanleiding van een beslag op een computer en laptop, gelegd in het kader van een rechtshulpverzoek van de Zwitserse autoriteiten. De rechtbank Noord-Holland heeft het beklag van de klagers ongegrond verklaard, waarbij de klagers, geboren in 1966 en 1948, zich verzetten tegen de geheimhouding van het rechtshulpverzoek. De klagers hebben cassatie ingesteld, waarbij twee middelen zijn voorgesteld. Het eerste middel betreft de afwijzing van het verzoek om navraag te doen bij de Zwitserse autoriteiten over de mogelijkheid om het rechtshulpverzoek aan de klagers te verstrekken. Het tweede middel betreft de vraag of voldaan is aan de vereiste dubbele strafbaarheid voor de uitvoering van het rechtshulpverzoek. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Zwitserse autoriteiten om geheimhouding hebben verzocht en dat het Openbaar Ministerie het rechtshulpverzoek op goede gronden niet aan de klagers heeft verstrekt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de geheimhouding van het rechtshulpverzoek het belang van het onderzoek ernstig schaadt, waardoor de klagers en hun raadsman geen kennis konden nemen van de inhoud. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de doorzoeking en inbeslagneming hebben plaatsgevonden volgens de geldende Nederlandse voorschriften. De Hoge Raad heeft de middelen van de klagers verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01488 Br
Zitting9 december 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klager 1] ,
geboren op [geboorteplaats] 1966
en
[klager 2] ,
geboren op [geboorteplaats] 1948
hierna: de klagers

1.Inleiding

1.1
In haar beschikking van 4 april 2025 heeft de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, (raadkamernrs. 24/025711 en 24/25713), het door de klagers ingediende beklag dat strekt tot teruggave van een inbeslaggenomen computer van het merk Apple en een laptop van het merk Acer, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klagers. J.T.E. Vis en T.P.A.M. Wouters, beiden advocaat in Amsterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.De zaak in het kort

2.1
Het beslag in deze zaak is gelegd bij het uitvoeren van een rechtshulpverzoek van de Zwitserse autoriteiten. Hoewel de stellers geen kennis hebben kunnen nemen van de inhoud van het rechtshulpverzoek omdat de Zwitserse autoriteiten vertrouwelijkheid hebben verlangd, hebben de stellers van het middel aangegeven dat het verzoek is gedaan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in Zwitserland dat is gericht op mogelijke strafbare feiten die verband houden met de zogenoemde “Sarco-capsule”, ook bekend als de zelfdodingscapsule.
2.2
Het eerste middel klaagt in de eerste plaats over het oordeel van de rechtbank dat het door de klagers niet over alle informatie beschikken om de rechtmatigheid te toetsen geen grond oplevert om het beklag gegrond te verklaren. Het tweede middel klaagt in de eerste plaats over het oordeel van de rechtbank dat is voldaan aan de voor de uitvoering van de verzochte rechtshulp vereiste dubbele strafbaarheid. In beide middelen wordt in de tweede plaats geklaagd over de afwijzing door de rechtbank van het verzoek om de officier van justitie opdracht te geven bij de Zwitserse autoriteiten navraag te doen. Daarbij gaat het in het eerste middel om navraag te doen of het rechtshulpverzoek alsnog aan de klagers kan worden verstrekt, en in het tweede middel om navraag over het vervallen van de verdenking van moord of opzettelijke doodslag als grondslag voor de verzochte rechtshulp.
2.3
Voordat ik de relevante inhoud van de beschikking weergeef, stel ik vast dat daaruit blijkt dat de rechtbank er op onderdelen van is uitgegaan dat de rechtshulp waarom is verzocht berust op wederzijdse erkenning en dat in deze zaak een Europees onderzoeksbevel (EOB) is uitgevaardigd. Uit het proces-verbaal dat van de zitting is opgemaakt, maak ik op dat het OM daar ook op onderdelen van is uitgegaan. In deze zaak is geen EOB uitgevaardigd en berust de verzochte rechtshulp daarom niet op wederzijdse erkenning. Richtlijn 2014/41/EU betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken is niet van toepassing op de samenwerking tussen Nederland en Zwitserland. Uit de beschikking kan worden afgeleid dat het verzoek om rechtshulp van de Zwitserse autoriteiten berust op het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (ERV). Het onderscheid is ten eerste van belang voor de grondslag van de beklagprocedure. Voor rechtshulpverzoeken is die gelegen in art. 5.1.11 Sv en voor EOB’s in art. 5.4.10 Sv. Het tweede onderscheid is gelegen in de vertrouwelijkheid oftewel de geheimhouding van het rechtshulpverzoek. Bij de uitvoering van een EOB is geheimhouding het uitgangspunt terwijl bij een klassiek rechtshulpverzoek om vertrouwelijkheid moet worden gevraagd. [1] Ik kom daarop terug.

3.De beschikking van de rechtbank

De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard en daarbij het volgende overwogen:

Toetsingskader
Het systeem van internationale rechtshulp is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en ten uitvoerlegging daarvan beperkt is. De beklagrechter doet geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het RHV en toetst ook niet de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van de inbeslaggenomen voorwerpen. De beklagrechter dient wel te beoordelen of zich, gelet op de artikelen 5.1.4, 5.1.5 en 5.1.8 Sv. een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het RHV. Daarnaast kan de rechter in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het RHV rechtmatig is toegepast. De beklagrechter dient zich daarbij te beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag moeten, gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, door de rechter van de uitvoerende staat buiten beschouwing worden gelaten.
Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een RHV is - anders dan wanneer het gaat om de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming die ten behoeve van een Nederlandse strafzaak heeft plaatsgevonden - dus niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van internationale rechtshulp ligt immers ten grondslag dat met de uitvaardiging van een RHV het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de Zwitserse autoriteiten een RHV hebben uitgevaardigd in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek. Gelet op het verzoek van de Zwitserse autoriteiten om geheimhouding van het RHV, heeft de officier van justitie het RHV op goede gronden niet aan de klagers en hun advocaat verstrekt. De rechtbank heeft wel kennis kunnen nemen van het RHV en op basis daarvan het hiervoor geschetste toetsingskader kunnen toepassen. Het RHV is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd. De doorzoeking en inbeslagneming naar aanleiding van dit RHV heeft plaatsgevonden overeenkomstig de daarvoor in Nederland geldende voorschriften. Daarbij merkt de rechtbank op - hoewel een dergelijke beoordeling in onderhavige procedure niet aan de rechtbank is voorbehouden - dat het RHV is uitgegaan van een rechterlijke autoriteit van Zwitserland, zie hiertoe artikel 24 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken en de op grond van dit verdragsartikel door Zwitserland afgegeven verklaring.
Dat de klagers niet over alle informatie beschikken om de rechtmatigheid te toetsen, is geen grond het beklag gegrond te verklaren. De rechtbank heeft die toets wel kunnen doen (zie hiervoor). Subsidiair is namens de klagers verzocht het Openbaar Ministerie opdracht te geven bij de Zwitserse autoriteiten navraag te doen om het rechtshulpverzoek aan klagers te verstrekken. De rechtbank stelt vast dat dit reeds door de officier van justitie is gedaan, en dat de Zwitserse autoriteiten het verstrekken van het rechtshulpverzoek hebben geweigerd. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.
Ten aanzien van hetgeen namens de klagers is aangevoerd met betrekking tot het niet kunnen beoordelen van de dubbele strafbaarheid, overweegt de rechtbank dat zij wel kennis heeft kunnen nemen van het RHV en op basis daarvan heeft kunnen toetsen dat voldaan is aan de vereiste dubbele strafbaarheid zoals bepaald in artikel 5.1.8 Sv. De rechtbank heeft, op grond van de artikelen 5.1.4 en 5.1.5 Sv, voorts vastgesteld dat zich geen weigeringsgronden voordoen en er evenmin gronden zijn voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het RHV.
Tot slot is namens de klagers verzocht de behandeling van de zaak aan te houden tot na het zogenaamde filteringsproces dat, zoals hiervoor reeds benoemd, nog bij de rechter-commissaris moet worden opgestart. De officier van justitie heeft aangegeven dat het filteringsproces zo zal worden ingericht dat de belangen van de klagers voldoende worden beschermd: zo zal de filtering in samenspraak met de klagers plaatsvinden en zal alle verschoningsgerechtigde informatie eruit wordt gehaald (deze zal niet verstrekt worden onder het RHV en het aanvullend RHV verlangt ook niet dat geheimhoudersinformatie wordt verstrekt). De rechtbank overweegt dat er gelet hierop geen aanleiding bestaat om de behandeling van de zaak en de beslissing op de klaagschriften aan te houden tot na de afronding van het filteringsproces.
Gelet op het voorgaande zal het beklag tegen het beslag ter uitvoering van het RHV ongegrond worden verklaard.”

4.Het eerste middel

4.1
Het eerste middel klaagt in de eerste plaats over het oordeel van de rechtbank dat het door de klagers niet over alle informatie beschikken om de rechtmatigheid te toetsen, geen grond oplevert om het beklag gegrond te verklaren. In de tweede plaats wordt geklaagd over de afwijzing door de rechtbank van het verzoek om de officier van justitie opdracht te geven bij de Zwitserse autoriteiten navraag te doen of het rechtshulpverzoek alsnog aan de klagers kan worden verstrekt.
4.2
Aan de klacht tegen het oordeel van de rechtbank dat het door de klagers niet over alle informatie beschikken om de rechtmatigheid te toetsen geen grond oplevert om het beklag gegrond te verklaren, is ter zitting door de raadsman en in cassatie door de stellers van het middel mede ten grondslag gelegd dat een behoorlijke besluitvorming door de rechtbank zich niet laat voorstellen zonder kennisneming van het rechtshulpverzoek door de rechtbank en de klagers. Om deze reden had de rechtbank het verzoek niet mogen afwijzen om navraag te doen of het rechtshulpverzoek alsnog aan de klagers kan worden verstrekt.
4.3
De rechtbank heeft overwogen dat het door de klagers niet beschikken over alle informatie om de rechtmatigheid te toetsen geen grond is het beklag gegrond te verklaren. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de rechtbank kennis heeft kunnen nemen van het rechtshulpverzoek en die toets wel heeft kunnen doen. Hieruit volgt dat de klacht feitelijke grondslag mist voor zover ervan wordt uitgegaan dat de rechtbank geen kennis heeft genomen van het rechtshulpverzoek.
4.4
In de overweging dat de Zwitserse autoriteiten om geheimhouding van het rechtshulpverzoek hebben verzocht en dat de officier van justitie op goede gronden het rechtshulpverzoek niet aan de klagers en hun raadsman heeft verstrekt, ligt het oordeel van de rechtbank besloten dat de door de Zwitserse autoriteiten verzochte geheimhouding eraan in de weg staat dat het rechtshulpverzoek aan de klagers wordt verstrekt, oftewel het oordeel dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad door toepassing van de in art. 23 lid 5 Sv neergelegde bevoegdheid voor de klagers en hun raadsman om kennis te nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarmee heeft de rechtbank kennelijk toepassing gegeven aan art. 23 lid 6 Sv. [2] Over dit oordeel als zodanig wordt in cassatie niet geklaagd, meer specifiek is ter zitting en in cassatie niet betwist dat de Zwitserse autoriteiten vertrouwelijkheid hebben verlangd, zodat daarvan moet worden uitgegaan. [3]
4.5
Voor de beoordeling van de klacht dat de klagers niet over alle informatie beschikken om de rechtmatigheid te kunnen toetsen en dat dit geen grond oplevert om het beklag gegrond te verklaren, wijs ik ten eerste op de rechtspraak van de Hoge Raad over het EOB in het kader van de beklagprocedure van art. 5.4.10 Sv, waarop de stellers van het middel een beroep doen. Volgens deze rechtspraak zal de verplichting tot geheimhouding doorgaans grond geven voor het oordeel dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de betrokkene en/of zijn raadsman kennis kunnen nemen van het EOB en de stukken waaruit de inhoud van het EOB blijkt. In dat geval onthoudt de raadkamer hun die kennisneming op grond van art. 23 lid 6 Sv. [4] Ondanks deze beperking voor de klagers en hun raadsman kan de rechtbank het klaagschrift volgens de geldende maatstaf beoordelen en eventueel ongegrond verklaren. De rechtbank moet immers zelf wel kennisnemen van het EOB. [5] Bovendien kan het belang van een effectieve rechtsbescherming van de betrokkene meebrengen dat de officier van justitie aan de uitvaardigende autoriteit de vraag dient voor te leggen of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene en zijn raadsman van een bepaald stuk, zoals hierna nog aan de orde komt.
4.6
Ik zie geen reden deze rechtspraak niet ook van toepassing te achten op de onderhavige beklagprocedure die zijn grondslag vindt in art. 5.1.11 Sv over rechtshulpverzoeken en dus geen betrekking heeft op een EOB. De betrokken belangen van effectieve rechtsbescherming voor de klager en vertrouwelijkheid voor de verzoekende staat zijn in deze zaak immers gelijksoortig en de geheimhouding staat ter vrije beschikking van die staat. De verschillen tussen art. 5.1.11 en art. 5.4.10 Sv geven mij ook geen aanleiding voor een andere conclusie.
4.7
Als tweede reden voor verwerping van de klacht wijs ik op art. 5.1.10 lid 4 Sv. Daarin is voor rechtshulpverzoeken bepaald dat indien door de autoriteiten van de verzoekende staat om geheimhouding is verzocht, verondersteld wordt dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad door toepassing van onder meer art. 23 lid 5 Sv. Dit artikel is van toepassing op de zogenoemde verlofprocedure. Hieruit volgt dat de wetgever heeft onderkend dat in bepaalde gevallen een verdachte of belanghebbenden, zoals de klagers, in een verlofprocedure niet over alle informatie kunnen beschikken om zelf de rechtmatigheid van het handelen na te gaan. Voor een beklagprocedure zoals in deze zaak geldt hetzelfde omdat daarin het bepaalde in art. 23 lid 6 Sv ook van toepassing is, [6] al is dat zonder de veronderstelling in art. 5.1.10 lid 4 Sv. Hieruit kan worden opgemaakt dat het ontbreken van de mogelijkheid voor de klagers en hun raadsman om kennis te nemen van de op de zaak betrekking hebben stukken, als zodanig geen grond oplevert om het beklag gegrond te verklaren.
4.8
Anders dan voor de verlofprocedure in art. 5.1.10 lid 4 Sv, heeft de wetgever voor de beklagprocedure op grond van art. 5.1.11 Sv niet voorzien in de wettelijke veronderstelling dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad door de klagers en hun raadsman kennis te laten nemen van de op de zaak betrekking hebben stukken als de verzoekende staat geheimhouding heeft verlangd. Een verklaring daarvoor is dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de betrokkene (zoals in deze zaak: de klagers) alleen op grond van art. 5.1.11 Sv in kennis wordt gesteld van zijn bevoegdheid een klaagschrift in te dienen ‘indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt’. De wetgever gaat ervan uit dat de betrokkene alleen in uitzonderingsgevallen, ondanks dat de kennisgeving achterwege is gebleven, toch op de hoogte is of raakt van de bevoegdheidstoepassing, in welk geval hij gebruik kan maken van de beklagregeling. [7] Het ontbreken van de wettelijke veronderstelling neemt echter niet weg dat het belang van het onderzoek ernstig kan worden geschaad indien de klagers en hun raadsman kennisnemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken. In het voorstel voor de Tweede vaststellingswet Wetboek van Strafvordering, wordt hierin alsnog voorzien. Voor zowel de verlofprocedure als de beklagprocedure wordt bepaald dat de bepaling waarin het recht van de klager op kennisneming van de stukken is neergelegd, buiten toepassing blijft als door de autoriteiten van de verzoekende staat om geheimhouding is verzocht. [8]
4.9
Ter onderbouwing van de klacht over de afwijzing door de rechtbank van het verzoek om bij de Zwitserse autoriteiten navraag te doen om het rechtshulpverzoek alsnog aan de klagers te verstrekken, wordt een beroep gedaan op het toetsingskader dat de Hoge Raad heeft aangelegd in zijn rolbeschikking van 7 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1227 en zijn beschikking van 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1685. Beide beschikkingen hebben betrekking op de ten aanzien van een Europees onderzoeksbevel voorgeschreven geheimhouding en houden in dat “het belang van een effectieve rechtsbescherming van de betrokkene kan meebrengen dat het openbaar ministerie aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voorlegt of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk”. Een dergelijk geval kan zich voordoen als:
“(i) de kennisneming van en een eventuele reactie op een specifiek onderdeel van het EOB of een bepaald bij het EOB behorend stuk van bijzonder belang is voor de (...) beoordeling van het klaagschrift door de rechter, en (ii) er aanleiding bestaat te vermoeden dat de belangen van de uitvaardigende staat niet zullen worden geschaad als de kennisneming van de betreffende informatie aan de betrokkene zou worden toegestaan. In zo’n geval legt, alvorens de rechtbank beslist over de kennisneming van het stuk, het openbaar ministerie – al dan niet op grond van een daartoe krachtens artikel 23 lid 1 Sv door de raadkamer gegeven bevel – de hiervoor bedoelde vraag voor aan de uitvaardigende autoriteit. Als daarop blijkt dat de uitvaardigende staat geen bezwaren heeft tegen die kennisneming, blijft toepassing van artikel 23 lid 6 Sv in zoverre achterwege.” [9]
4.1
De laatstgenoemde beschikking gaat ook in op de mogelijkheid van de klager om een verzoek te doen een dergelijk bevel aan de officier van justitie te geven:
“2.4.5 Bij de behandeling van het klaagschrift dat is ingediend op grond van artikel 5.4.10 lid 1 in verbinding met artikel 552a Sv, kan de betrokkene aan de raadkamer het verzoek doen op grond van artikel 23 lid 1 Sv het openbaar ministerie op te dragen aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voor te leggen of er bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk, en de behandeling van het klaagschrift aan te houden totdat die navraag is gedaan. Als zo’n verzoek wordt gedaan, beoordeelt de raadkamer – mede op grond van de stukken waarvan de raadkamer kennisneemt – of daartoe de noodzaak bestaat. De rechter is niet gehouden de beslissing op het verzoek te motiveren als de verplichting tot geheimhouding jegens de uitvaardigende staat zich daartegen verzet.”
4.11
Door de stellers van het middel wordt aangevoerd dat de rechtbank bij de afwijzing van het verzoek ten onrechte heeft volstaan met de (enkele) overweging dat door de officier van justitie reeds navraag was gedaan en dat de Zwitserse autoriteiten het verstrekken van het rechtshulpverzoek hebben geweigerd. Daarbij zou de rechtbank het toetsingskader hebben miskend. Bovendien zou de rechtbank hebben nagelaten te onderzoeken of op andere wijze tegemoet kon worden gekomen aan de gerechtvaardigde belangen van de klagers door bij de Zwitserse autoriteiten bijvoorbeeld navraag te laten doen of de klagers kennis mochten nemen van één of meerdere onderdelen van het rechtshulpverzoek. Voor de onderbouwing van deze klacht wordt ook aangevoerd dat de aard van de kennelijke verdenking en de procesgang in Zwitserland maken dat een behoorlijke besluitvorming door de rechtbank zich niet laat voorstellen zonder kennisneming van het rechtshulpverzoek door de rechtbank en de klagers. Ik wijs hier alvast op hetgeen ik hiervoor schreef, namelijk dat de rechtbank wel van het rechtshulpverzoek kennis heeft genomen en dat deze beperking voor de klagers inherent is aan de verlangde geheimhouding.
4.12
Ter zitting is aan de rechtbank namens de klagers verzocht “om het openbaar ministerie op te dragen aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voor te leggen of er bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van het rechtshulpverzoek, en de behandeling van het klaagschrift aan te houden totdat die navraag is gedaan.” Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat “zonder een behoorlijke beoordeling van het dossier en zonder een genoegzame standpuntuitwisseling daaromtrent
niet[kan] worden beoordeeld óf, laat staan dát, het beslag conform de daaraan te stellen wettelijke / verdragsrechtelijke eisen is gelegd, althans of/dat de voortduring ervan rechtmatig kan worden geacht. Het kennis kunnen nemen van stukken is voorts noodzakelijk met oog op het kunnen vaststellen dat - zoals namens klagers wordt aangevoerd - sprake is van schending van fundamentele beginselen, althans dat sprake is van andere omstandigheden die aan voortduren van het beslag in de weg staan of in elk geval moeten leiden tot een verbod op overdracht aan de verzoekende autoriteiten.” [10] Op de ‘vragen naar bijv. dubbele strafbaarheid’, die ter zitting ook aan het verzoek om navraag te doen ten grondslag zijn gelegd, kom ik terug bij de bespreking van het tweede middel waar wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vereiste dubbele strafbaarheid.
4.13
De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en daarbij overwogen dat het verzoek “reeds door de officier van justitie is gedaan, en dat de Zwitserse autoriteiten het verstrekken van het rechtshulpverzoek hebben geweigerd.”
4.14
De tegen dit oordeel gerichte klacht faalt omdat de stellers van het middel de volgorde van het toetsingskader omdraaien. Het toetsingskader wijst op twee voorwaarden die kunnen meebrengen dat “het belang van een effectieve rechtsbescherming van de betrokkene kan meebrengen dat het openbaar ministerie aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voorlegt of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk”. De stellers van het middel betogen in feite dat beide voorwaarden zijn vervuld en dat de rechtbank daarom het verzoek had moeten inwilligen. Maar de rechtbank heeft vastgesteld dat door de raadsman gevraagde verzoek aan de Zwitserse autoriteiten al was gedaan en dat die autoriteiten de verstrekking van het rechtshulpverzoek hadden geweigerd. Tegen deze vaststellingen van de rechtbank wordt niet opgekomen zodat daarvan in cassatie moet worden uitgegaan. Ik acht het oordeel van de rechtbank dat het niet nodig was om een reeds gedaan verzoek te herhalen niet onbegrijpelijk.
4.15
Voor zover tegen de afwijzing van het verzoek nog wordt aangevoerd dat de rechtbank had moeten (laten) onderzoeken of op andere wijze tegemoet kon worden gekomen aan de gerechtvaardigde belangen van de klagers door bij de Zwitserse autoriteiten bijvoorbeeld navraag te laten doen of de klagers kennis mochten nemen van één of meerdere onderdelen van het rechtshulpverzoek, wordt het toetsingskader miskend. [11] Volgens dit kader kunnen de klagers verzoeken de officier van justitie op te dragen de uitvaardigende autoriteit (als het gaat om een EOB, of de autoriteiten van de verzoekende staat als het gaat om rechtshulp) de vraag voor te leggen of er bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van “een bepaald stuk”. Hieruit maak ik op dat het aan de klagers is om bij het doen van een verzoek het stuk aan te wijzen waarover navraag gedaan zou moeten worden. De klagers hebben zelf verzocht om “kennisneming (…) van het rechtshulpverzoek” en niet om kennisneming van andere stukken of delen van stukken.
4.16
Het middel faalt in alle onderdelen.

5.Het tweede middel

5.1
Het tweede middel klaagt in de eerste plaats over het oordeel van de rechtbank dat is voldaan aan de op grond van art. 5.1.8 Sv voor het uitvoeren van het rechtshulpverzoek vereiste dubbele strafbaarheid. Aangevoerd wordt dat de rechtbank daarbij is afgeweken van het standpunt “dat de toegepaste opsporingsbevoegdheid niet, althans niet langer zou kunnen worden toegepast in een Nederlands onderzoek naar dezelfde feiten”. In de tweede plaats wordt geklaagd over de afwijzing door de rechtbank van het verzoek om de officier van justitie bij de Zwitserse autoriteiten navraag te laten doen “naar het vervallen van de verdenking van moord / opzettelijke doodslag als grondslag voor de verzochte rechtshulpverzoek”. Aangevoerd wordt dat de rechtbank daarbij heeft nagelaten gebruik te maken van haar bevoegdheid op grond van art. 23 lid 1 Sv ‘de noodige bevelen’ te geven en in dat kader de navraag te doen.
5.2
Ter zitting heeft de raadsman van klager een pleitnota overgelegd die ten aanzien van art. 5.1.8 Sv het volgende inhoudt:
“2 Opmerking op voorhand: verzochte rechtshulp vereist gekwalificeerde dubbele strafbaarheid
Namens klagers stel ik verder het volgende vast:
Er is sprake van rechtshulp in de vorm van inbeslagneming / vergaren van stukken, voorwerpen en gegevens, op grond waarvan ingevolge het bepaalde in 5.1.8, eerste lid Sv het vereiste van dubbele strafbaarheid geldt ("voor zover deze eveneens zouden kunnen worden toegepast in een Nederlands onderzoek naar dezelfde feiten op grond van dit wetboek").
Hierover overigens later meer.
(…)

5.Maar: gegrondverklaring op grond van Informatie zoals we die thans al hebben

Het voorgaande klemt nog eens te meer gelet op het navolgende - hetgeen op zichzelf al tot gegrondverklaring van het klaagschrift en weigering van rechtshulp dient te leiden, althans in ieder geval tot het stellen van vragen, gelet op hetgeen intussen bekend is geworden.
Het bepaalde in art. 5.1.8 Sv vereist immers een beoordeling van het al-dan-niet bestaan van een verdragsrechtelijke grondslag maar vereist voorts een toets van gekwalificeerde dubbele strafbaarheid (vlg. o.m. MvT, TK, 2015-2016, 34493, nr. 3, pp. 18-19). Met andere woorden: rechtshulp mag alleen verleend als de opsporingshandeling in een hypothetisch geval naar Nederlands recht in concreto ook zou mogen worden verleend.
Uit het - geredigeerde - standpunt van de officier van justitie, dat de verdediging eerst op 20 maart 2025 ontving, geschoond van alle Zwitserse informatie - volgt ten aanzien van het Zwitserse verzoek en de beoordeling ervan naar Nederlands recht niet veel, maar volgt wel iets saillants: de rechtshulp zou zijn verleend op grond van de Nederlandse bepalingen ex art. 96c Sv jo 110 Sv en vermeldt dat art. 96c Sv een 67 Sv-feit vraagt, dat "hier van toepassing" zou zijn.
Dat wringt echter met de beschikbare informatie, in het bijzonder met het reeds aan de stukken toegevoegde AP-bericht, met daarin de excerpten van een persbericht van de aanklager te Schaffhausen, waarin wordt bevestigd dat [verdachte] is vrijgelaten en dat een (oorspronkelijke) verdenking van opzettelijke doodslag is komen te vervallen - terwijl een verdenking van aanzetten tot of hulp bij zelfdoding zou resteren.
Voor de goede orde het persbericht zoals dat is gepubliceerd op de website van het kanton Schaffhausen - waarin, in het oorspronkelijke Duits, wordt bevestigd dat “een strafrechtelijke procedure wegens het aanzetten tot en het medeplegen van zelfmoord (art. 115 StGB)" werd gestart, waarna "een dringend vermoeden dat er sprake was van opzettelijke doodslag" is gerezen,
maarook:
"Op basis van de laatste stand van het onderzoek bestaat er nog steeds een sterk vermoeden van het misdrijf van het aanzetten tot en het helpen bij zelfmoord,
maar niet langer van een opzettelijke moord, ook al is het autopsierapport van het Instituut voor Forensische Geneeskunde van het Kanton Zürich (IRMZ) nog niet beschikbaar. Het Openbaar Ministerie heeft daarom vanmiddag de laatste aangehouden persoon vrijgelaten."
(…)
Dat brengt mee dat geen - althans niet langer - sprake is van een verdenking van moord / opzettelijke doodslag.
Kennelijk, zo moet worden afgeleid, is sprake van een verdenking die (mogelijk) een Nederlandse pendant kent in art. 294, eerste en/of tweede lid Sv - aanzetten tot c.q. hulp bij zelfdoding, althans het verschaffen van middelen daartoe.
Daargelaten de vraag óf sprake is van de vereiste gekwalificeerde dubbele strafbaarheid in concreto (dat laat zich niet zonder stukken beoordelen, zoals hiervoor aangegeven) - moet
hoe dan ookworden vastgesteld dat géén sprake is van een misdrijf als bedoeld in art. 67 Sv. De 'maximum strafbedreiging’ uit art. 294 Sr voldoet niet aan het minimum uit art. 67 Sv en het artikel is niet opgenomen als een van de uitzonderingen op dat uitgangspunt.
Daarmee is aldus
géénsprake van een situatie waarin naar Nederlands recht uitvoering zou mogen worden gegeven aan een opsporingsbevoegdheid op grond van het bepaalde in art. 96c jo 110 Sv - en daarmee is geen sprake (meer) van een toereikende grondslag voor rechtshulp - laat staan voor het verlenen van verlof.
Redenen waarom het klaagschrift gegrond moet worden verklaard, althans subsidiair redenen waarom navraag dient te worden (laten) gedaan bij de verzoekende autoriteit naar het vervallen van de verdenking van moord / opzettelijke doodslag als grondslag voor de verzochte rechtshulp, terwijl een verdenking van aanzetten tot c.q. hulp bij zelfdoding (hoe dan ook) een ontoereikende grondslag daarvoor oplevert.”
5.3
Ter zitting heeft de raadsman hier mondeling nog aan toegevoegd dat de inzet van de procedure ook ziet op het vernietigen van verschoningsgerechtigde informatie en heeft hij (meer) subsidiair het verzoek gedaan nadere vragen te stellen aan de Zwitserse autoriteiten en de procedure aan te houden tot na de filteringsprocedure in verband met verschoningsgerechtigde informatie die zich op de inbeslaggenomen computers zou bevinden. Over de beslissing van de rechtbank om dit aanhoudingsverzoek af te wijzen wordt in cassatie niet geklaagd. [12]
5.4
De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard en daarbij overwogen zoals ik dat hierboven bij randnummer 3 heb weergegeven. Voor de beoordeling van het middel wijs ik daarbij in het bijzonder op de vaststellingen van de rechtbank dat zij kennis heeft kunnen nemen van het rechtshulpverzoek en op basis daarvan het toetsingskader heeft toegepast waarbij zij in het bijzonder heeft gewezen op de art. 5.1.4, 5.1.5 en 5.1.8 Sv en vervolgens heeft vastgesteld dat “de doorzoeking en inbeslagneming” naar aanleiding van het rechtshulpverzoek “heeft plaatsgevonden overeenkomstig de daarvoor in Nederland geldende voorschriften.”
5.5
Voor de beoordeling van het middel is van belang dat de daarin naar voren gebrachte klachten betrekking hebben op twee vragen die van elkaar moeten worden onderscheiden. Het gaat om de vraag (i) of de opsporingsbevoegdheden die ter uitvoering van een verzoek om rechtshulp worden toegepast eveneens zouden kunnen worden toegepast in een Nederlands onderzoek naar dezelfde feiten op grond van dit wetboek, en om de daaraan voorafgaande vraag (ii) of is voldaan aan de vereiste dubbele strafbaarheid. Beide vragen volgen uit art. 5.1.8 lid 1 Sv:
“Ter uitvoering van een daartoe strekkend verzoek om rechtshulp van een vreemde staat kunnen opsporingsbevoegdheden worden toegepast, voor zover deze eveneens zouden kunnen worden toegepast in een Nederlands onderzoek naar dezelfde feiten op grond van dit wetboek. Daarbij worden, indien het verzoek op een verdrag is gebaseerd, eisen die worden gesteld in verband met de proportionaliteit, alsmede een beoordeling van het onderzoeksbelang buiten beschouwing gelaten.”
5.6
In de voorwaarde dat de opsporingsbevoegdheden eveneens zouden kunnen worden toegepast in een Nederlands onderzoek naar dezelfde feiten op grond van dit wetboek, ligt besloten dat de feiten waarvoor de rechtshulp wordt verzocht ook in Nederland strafbaar zijn: de vereiste dubbele strafbaarheid. [13] Het omgekeerde is echter niet het geval. Indien aan de vereiste dubbele strafbaarheid is voldaan, is daarmee nog niet gegeven dat de gevraagde opsporingsmethoden in een Nederlands onderzoek naar dezelfde feiten zouden kunnen worden toegepast. Om deze reden vat ik het middel zo op dat wordt geklaagd over het oordeel dat de opsporingsbevoegdheden zijn uitgeoefend “overeenkomstig de daarvoor in Nederland geldende voorschriften” en over het oordeel dat daarin besloten ligt dat is voldaan aan de vereiste dubbele strafbaarheid.
5.7
Aan het middel ligt de veronderstelling ten grondslag dat als de rechtshulp zou zijn verzocht in het kader van een Zwitsers strafrechtelijk onderzoek naar hulp bij zelfdoding in plaats van naar betrokkenheid bij moord of doodslag, de gevraagde opsporingsbevoegdheden in een Nederlands onderzoek daarnaar niet hadden kunnen worden toegepast. Ik merk eerst iets op over de feitelijke veronderstelling ten aanzien van het Zwitserse rechtshulpverzoek waarna ik inga op de juridische veronderstelling ten aanzien van de grondslag voor de doorzoeking en inbeslagneming.
5.8
Aan de feitelijke veronderstelling dat de rechtshulp aanvankelijk zou zijn verzocht in het kader van een onderzoek naar moord of doodslag en dat deze verdenkingen later zijn vervallen, waarna het onderzoek zich vervolgens heeft gericht op hulp bij zelfdoding, is een persbericht ten grondslag gelegd van de politie in Schaffhausen. De inhoud ervan is opgenomen in de ter zitting overgelegde pleitnota en in de schriftuur. Het hier relevante deel is als volgt:
“02.12.2024 | Schaffhauser Polizei
Schaffhausen: Tatverdächtige Person im Strafverfahren betreffend Suizidkapsel Sarco aus der Untersuchungshaft entlassen
Die Staatsanwaltschaft des Kantons Schaffhausen hat heute Nachmittag eine tatverdächtige Person im Zusammenhang mit der Suizidkapsel Sarco aus der Untersuchungshaft entlassen.
Die Staatsanwaltschaft des Kantons Schaffhausen hat am 23. September 2024 ein Strafverfahren wegen Verleitung und Beihilfe zum Selbstmord (Art. 115 StGB) eröffnet und in diesem Zusammenhang wurde eine tatverdächtige Person in Untersuchungshaft versetzt. Aufgrund der ersten Ermittlungsergebnisse entstand ein dringender Tatverdacht auf die Begehung eines vorsätzlichen Tötungsdeliktes, welcher Verdacht vom Zwangsmassnahmengericht des Kantons Schaffhausen in der Folge mehrfach bestätigt worden ist.
Aufgrund des neusten Ermittlungsstandes besteht nach wie vor ein dringender Tatverdacht betreffend den Straftatbestand der Verleitung und Beihilfe zum Selbstmord, hingegen nicht mehr betreffend denjenigen eines vorsätzlich verübten Tötungsdeliktes, auch wenn das Obduktionsgutachen des Institutes für Rechtsmedizin des Kantons Zürich (IRMZ) noch nicht vorliegt. Die Staatsanwaltschaft hat daher die letzte inhaftierte Person heute Nachmittag aus der Untersuchungshaft entlassen.” [14]
5.9
In de kern komt het bericht erop neer dat op 23 september 2024 een strafrechtelijk onderzoek is gestart wegens het bewegen tot en behulpzaam zijn bij zelfdoding waarna een ernstige verdenking is ontstaan dat een opzettelijk levensdelict was begaan en een verdachte in voorlopige hechtenis is genomen. Het persbericht van 2 december 2024 vervolgt dat op grond van de meest recente bevindingen van het opsporingsonderzoek niet langer een ernstige verdenking bestaat dat een opzettelijk levensdelict is begaan, dat de verdachte in vrijheid is gesteld, en dat de ernstige verdenking blijft bestaan van het bewegen tot en behulpzaam zijn bij zelfdoding. Uit het persbericht kan niet worden afgeleid op welk moment de ernstige verdenking ten aanzien van een opzettelijk levensdelict is ontstaan en of het rechtshulpverzoek (mede) betrekking heeft op die verdenking. Hier wreekt zich voor de klagers de vertrouwelijke behandeling van het rechtshulpverzoek waardoor zij niet weten wat de grondslag is van de verzochte rechtshulp.
5.1
Als er met de stellers van het middel van wordt uitgegaan dat aan het rechtshulpverzoek uitsluitend de verdenking ten grondslag is gelegd van het bewegen tot en behulpzaam zijn bij zelfdoding, dan doet zich het probleem voor dat de omschrijving van de feiten in het persbericht lijken te zijn toegesneden op de juridische kwalificatie naar Zwitsers recht (art. 115 Strafgesetzbuch) en de omschrijving van het materiële feit ontbreekt terwijl dat nu juist nodig is om te kunnen beoordelen of het feit naar Nederlands recht strafbaar is en is voldaan aan de vereiste dubbele strafbaarheid. Om de vraag naar de dubbele strafbaarheid te beantwoorden moet immers worden nagegaan of het materiële feit waarvoor de rechtshulp is verzocht valt binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling, waarvoor voldoende is dat de buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. [15]
5.11
De raadsman heeft zich echter ter zitting in de kern niet zozeer op het standpunt gesteld dat de feiten waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft in Nederland niet strafbaar zijn, maar op het standpunt dat de feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn als hulp bij zelfdoding en dat dit geen strafbaar feit oplevert waarvoor op grond van art. 67 Sv voorlopige hechtenis is toegelaten zodat de gevraagde opsporingsbevoegdheden “op grond van het bepaalde in art. 96c jo 110 Sv” [16] niet in een Nederlands onderzoek naar dezelfde feiten zouden kunnen worden toegepast. In cassatie wordt aangevoerd dat “de enkele verwijzing naar het rechtshulpverzoek voor wat betreft de toetsing van de gekwalificeerde dubbele strafbaarheid in de zin van art. 5.1.8 Sv aldus niet toereikend is voor de vaststelling dat de ex art. 96c Sv uitgevoerde opsporingsbevoegdheid niet (langer) zou kunnen worden toegepast in een Nederlands onderzoek naar dezelfde feiten”.
5.12
De stellers van het middel gaan eraan voorbij dat een rechter-commissaris op grond van art. 110 Sv bevoegd is ter inbeslagneming elke plaats te doorzoeken. (In de pleitnota wordt nog wel op art. 110 Sv gewezen.) Anders dan in art. 96c Sv, dat betrekking heeft op de bevoegdheid van een (hulp)officier van justitie, is in art. 110 Sv niet de eis gesteld dat het moet gaan om een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Hier wreekt zich niet zozeer dat de klagers niet beschikken over de inhoud van het rechtshulpverzoek maar wreekt zich dat de klagers niet beschikken over het proces-verbaal dat is opgemaakt van het binnentreden, de doorzoeking en de inbeslagneming. Uit het proces-verbaal dat van de zitting is opgemaakt blijkt niet dat is verzocht om dergelijke stukken waaruit zou kunnen blijken welke functionarissen de opsporingsbevoegdheden hebben toegepast. In het bijzonder is niet verzocht om stukken die niet behoren tot het rechtshulpverzoek zelf, waartoe de verlangde vertrouwelijkheid zich op grond van het verdrag beperkt, overigens inclusief de stukken waaruit de inhoud van het rechtshulpverzoek blijkt. [17] Daarbij kan niet worden uitgesloten dat kennisneming daarvan door de rechtbank zou zijn afgewezen met een beroep op het hierboven al genoemde art. 23 lid 6 Sv.
5.13
Voor zover in het middel wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat is voldaan aan de vereiste dubbele strafbaarheid en dat de opsporingsbevoegdheden eveneens zouden kunnen worden toegepast in een Nederlands onderzoek naar dezelfde feiten op grond van dit wetboek, faalt het omdat dit oordeel niet onbegrijpelijk wordt wanneer met de stellers van het middel ervan wordt uitgegaan dat de doorzoeking en inbeslagneming in een Nederland onderzoek naar hulp bij zelfdoding zouden zijn toegepast. Hieruit volgt ook dat de klacht faalt die zich keert tegen het voorbijgaan door de rechtbank aan het verzoek navraag te (laten) doen naar het vervallen van de verdenking van moord / opzettelijke doodslag als grondslag voor de verzochte rechtshulp. Ook als daaruit zou zijn gebleken dat die verdenking was vervallen, dan zou dat immers niet betekenen dat de opsporingsbevoegdheden niet in een Nederlands onderzoek hadden kunnen worden toegepast.
5.14
Het middel faalt in alle onderdelen.

6.Afronding

6.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Art. 25 van het toepasselijke Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, Straatsburg 8 november 2001,
2.Vgl. HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1968 waarin niet was gebleken dat de rechtbank toepassing heeft willen geven aan art. 23 lid 6 Sv.
3.Vertrouwelijkheid kan, zoals in de vorige noot uiteengezet, worden verlangd op grond van art. 25 van het toepasselijke Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken.
4.HR 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1685, onder verwijzing naar HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1227, r.o. 2.4.4.
5.Vgl. HR 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1685.
6.Vgl. HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1968.
7.Vgl.
9.HR 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1685, onder verwijzing naar HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1227, r.o. 2.4.4.
10.Typografische accentueringen zoals in het origineel.
11.Vgl. HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:653, r.o. 2.5: “Voor zover het cassatiemiddel steunt op de opvatting dat steeds aan de uitvaardigende autoriteit de vraag moet worden voorgelegd of de geheimhouding van het onderzoek in de weg staat aan kennisneming door de betrokkene van het EOB en/of de daarbij behorende stukken, faalt het omdat die opvatting – gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld – geen steun vindt in het recht.”
12.In de ter zitting overgelegde pleitnota wordt overigens vastgesteld dat weliswaar een klaagschrift voorligt op grond van artikel 5.1.11 Sv maar nog geen verzoek tot verlof “zoals het openbaar ministerie dat echter wel dient te verkrijgen, ingeval hij resultaten aan de Zwitsers wenst over te dragen. Naast de uitkomst van deze klaagschriftprocedure zal aldus door het openbaar ministerie – met oproeping van cliënten op grond van het bepaalde in art. 23 Sv – een verlofprocedure moeten worden geïnitieerd.” In dit verband wijs ik op artikel 5.1.10 lid 3 Sv en
14.Het persbericht is ook te vinden op
15.Vgl. HR 30 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7564, r.o. 3.4.2, m.b.t. door Oekraïne verzochte rechtshulp.
16.Pleitnota onder “5. Maar: gegrondverklaring op grond van informatie zoals we die thans al hebben”, hierboven weergegeven bij randnummer 5.2
17.Vgl. HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:653, r.o. 2.4.3 m.b.t. de geheimhouding van “het EOB en de stukken waaruit de inhoud van het EOB blijkt” en HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1227, r.o. 4.5 eveneens m.b.t. de geheimhouding van het EOB. De verlangde vertrouwelijkheid berust, zoals gezegd, op art. 25 Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken.