Conclusie
1.Overzicht
Rechtbankheeft dat betoog afgewezen, nu de bewijslast is omgekeerd (geen vereiste aangifte) en de belanghebbende niet bestrijdt dat hij inkomsten uit drugsproductie heeft genoten. De schatting op basis van de vermogensvergelijking was niet onredelijk en de belanghebbende leverde geen overtuigend tegenbewijs. Uit de wetsgeschiedenis leidde de Rechtbank af dat (niet-aftrekbare) verbeurdverklaring wezenlijk verschilt van (aftrekbare) voordeelontneming. Op belanghebbendes beroep op het discriminatieverbod in art. 14 EVRM overwoog zij dat voor zover het al om gelijke gevallen gaat, de belanghebbende onvoldoende heeft gesteld voor het oordeel dat de aftrekuitsluiting van kosten in verband met misdrijf (art. 3.14 Wet IB) evident van redelijke grond zou zijn ontbloot. De uitzondering voor voordeelontneming (wel aftrekbaar) achtte de Rechtbank niet evident onredelijk, gegeven het uit de parlementaire geschiedenis blijkende doel van art. 3.14 Wet IB 2001.
hoger beroepberiep de belanghebbende zich naast het gelijkheidsbeginsel op het evenredigheidsbeginsel en het eigendomsrecht. Wat betreft het gelijkheidsbeginsel heeft het Hof het oordeel en motivering van de Rechtbank tot de zijne gemaakt. Ad het evenredigheidsbeginsel overwoog het Hof dat art. 3.14 Wet IB een dwingende formele wet is en door de rechter dus alleen buiten toepassing kan worden gelaten als zich een tot onevenredige gevolgen leidende bijzondere omstandigheid voordoet die de wetgever niet (volledig) heeft verdisconteerd. Die doet zich volgens het Hof niet voor, nu de wetgever wel degelijk acht heeft geslagen op de belangen betrokken bij het onderscheid in aftrekbaarheid tussen voordeelontneming en verbeurdverklaring. Hij heeft zich rekenschap gegeven van het verschil tussen verbeurdverklaring (een straf: leedtoevoeging) en voordeelontneming (een maatregel tot rechtsherstel), maar ook van het feit dat leedtoevoeging zich bij verbeurdverklaring vaak minder doet gevoelen. Hij heeft daarin geen aanleiding gezien om de twee sancties fiscaal gelijk te behandelen en die omstandigheden dus wel degelijk verdisconteerd. Ad het beroep op art. 1 Protocol I EVRM meende het Hof dat de aftrekbeperking in art. 3.14 Wet IB 2001 binnen de ruime beoordelingsmarge valt die de wetgever heeft bij belastingheffing. Het Hof heeft ook hier verwezen naar het oordeel van de Rechtbank ad het discriminatieverbod. Het Hof heeft het hogere beroep afgewezen.
vier cassatiemiddelenvoor:
ontnemendeverbeurdverklaring onaftrekbaar zou zijn, hoewel ook profijtontnemende verbeurdverklaring, net zoals voordeelontneming, de situatie van vóór het delict wordt hersteld;
Staatssecretarismeent ad
middel 1dat het Hof voldoende is ingegaan op belanghebbendes beroep op art. 14 EVRM. Ad
middel 2betoogt hij dat de belanghebbende niet heeft gesteld dat de verbeurdverklaarde voorwerpen ROW [1] -vermogen waren, zodat ervan kan worden uitgegaan dat zij privévermogen waren en aftrek dus alleen daarom al niet aan de orde is. Subsidiair meent hij dat de verbeurdverklaring is opgelegd als punitieve sanctie en niet als ontneming. Meer subsidiair acht hij het fiscale onderscheid tussen verbeurdverklaring en voordeelontneming niet evident van redelijke grond ontbloot. Ad
middel 3stelt de Staatssecretaris dat de wetgever zich bewust was van overlap tussen verbeurdverklaring en voordeelontneming, maar er toch voor gekozen heeft om alleen voordeelontneming en schadevergoeding uit te zonderen van aftrekuitsluiting omdat hij niet wilde dat de inspecteur op de stoel van de strafrechter moest gaan zitten: de inspecteur moet volgens de Staassecretaris ook de strafrechtelijke kwalificatie van de straf of maatregel volgen en geen eigen oordeel vormen over de materiële aard van de sanctie. Ad
middel 4meent de Staatssecretaris dat bij de beoordeling van de buitensporigheid van een last de hele financiële situatie van de betrokkene moet worden meegewogen; de belanghebbende heeft geen inzicht gegeven in zijn vermogenspositie, zodat hij geen buitensporige last aannemelijk heeft gemaakt, aldus de Staatssecretaris.
middel 2: de Staatssecretaris stelt prealabel dat de verbeurde geldsom en auto privé-vermogen zijn en hun verbeurdverklaring alleen daarom al niet aftrekbaar is. Die stelling lijkt mij onjuist. Met het strafvonnis staat mijns inziens ook fiscaal vast dat de verbeurde geldsom en auto illegaal profijt uit of voorwerp van belanghebbendes illegale werkzaamheid zijn. De verbeuring wordt uitsluitend verklaard door diens illegale synthetische drugsproductie c.a., waardoor zij mijns inziens niet in de privésfeer ligt. De feitenrechters hebben ook niet vastgesteld dat het om privé-vermogen zou gaan. De Staatssecretaris kan mijns inziens niet pas in cassatie feitelijk stellen dat de verbeurdevrklaring in de privésfeer ligt. Die stelling impliceert bovendien dat het geld en de auto vóór inbeslagneming onttrokken zijn aan het ROW-vermogen. Dat heeft de Inspecteur evenmin gesteld. Overigens: ook als onttrekking aangenomen zou worden, meen ik dat het gedwongen afstaan van die onttrekking dan een (terug)inbreng van de verbeurde geldsom en auto in de ROW-sfeer impliceert. Die gedwongen afstand wordt immers uitsluitend verklaard door de illegale werkzaamheid.
ontnemendeverbeurverklaring (art. 33a(1)(
a)Sr) lijkt mij dat onderscheid inmiddels echter formalistisch, gegeven: (i) de in onderdeel 6 hieronder weergegeven ingreep van de strafwetgever, die verbeurdverklaring tot ontneming propageert omdat die makkelijker, sneller en effectiever is dan een separate ontnemingsprocedure, (ii) de daaruit voortvloeiende rechtspraak van uw strafkamer dat ontnemende verbeurdverklaring wordt geïmputeerd op (dus in de plaats wordt gesteld van) te ontnemen wederrechtelijke voordeel, en (iii) de kennelijk in de strafpraktijk levende behoefte aan en feitelijk ook gegroeide praktijk van ontnemende verbeurdverklaring in plaats van een separate voordeelontneming. Het object van een ontnemende verbeurdverklaring (art. 33a(1)(
a)Sr) wordt ook volledig omvat door het object van de voordeelontnemings-maatregel (36e(2) Sr) en ook tekstueel verschillen art. 33a(1)(a) en art. 36e(2) Sr nauwelijks van elkaar. Een materieel voordeelontnemende verbeurdverklaring kan daarmee mijns inziens naar doel en effect thans niet meer zinvol onderscheiden worden van de voordeelontnemingsmaatregel. Het theoretische verschil tussen straf en maatregel zou nog betekenis kunnen hebben als de strafrechter bij zijn hoofdstrafoplegging rekening zou houden met de ontnemende verbeurdverklaring aldus dat die verbeuring die hoofdstraf zou matigen, maar dat lijkt in de praktijk niet het geval. Veeleer lijkt de ontnemende verbeurdverklaring als straf zo bijkomend te zijn geworden dat het materieel eerder om een maatregel in de plaats van voordeelontneming gaat, waar de hoofdstraf los van staat.
strafwetgever en de
strafrechter die ontnemende verbeurdverklaring gelijk stellen aan (imputeren op) voordeel-ontneming. De destijds aangevoerde rechtvaardiging voor het fiscale onderscheid is bij ontnemende verbeurdverklaring verdwenen door gewijzigd inzicht van de strafwetgever, wijziging van de strafwet, de gegroeide strafpraktijk van ontnemende verbeurdverklaring en de daarop aansluitende imputatierechtspraak van uw strafkamer. Ik zie dan voor het fiscale onderscheid bij
ontnemendeverbeurdverklaring geen redelijke grond meer. Een evenredigheidstoetsing (
fair balance) komt dan niet aan snee.
bestraffendeverbeurdverklaring zoals de litigieuze zou cumuleren met belastingheffing. Middel 3 is dan in wezen een strafmaatverweer.
middel 4lijkt gebaseerd op de mijns inziens onjuiste premisse dat de litigieuze verbeurdverklaring niet bestraffend, maar voordeelontnemend (bedoeld) was. Het geld en de waarde van de auto moeten dus fiscaalrechtelijk wél als genoten inkomen beschouwd worden. Van de litigieuze
bestraffendeverbeurdverklaring kan mijns inziens niet gezegd worden dat zij belanghebbendes eigendomsgrondrecht schendt. Lid 2 van art. 1 Protocol 1 EVRM staat de Staten toe om de betaling van boeten te verzekeren en de verbeurdverklaring is vergelijkbaar met een vermogensstraf zoals een geldboete. Vermogensstraffen zijn gedefiscaliseerd, zodat het niet zozeer om evenredigheid tussen straf en inkomen gaat, als wel om evenredigheid tussen de straf en de ernst van het delict. Ook middel 4 is dan in wezen een strafmaatverweer. De strafrechter neemt overigens het draagkrachtbeginsel in acht (art. 33(2) Sr). Voor zover middel 4 inhoudt dat de defiscalisering van vermogensstraffen het eigendomsrecht in het algemeen of in dit geval schendt, meen ik dat die defiscalisering op stelselniveau binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever ligt en dat in dit concrete geval de feitenrechters ervan konden uitgaan dat de belanghebbende niet heeft bewezen dat die defiscalisering hem in zijn individuele geval buitensporig treft.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
volgt aansluiting bij de (gematigde) oriëntatiepunten voor in- en uitvoer van harddrugs (15 maanden), voorhanden hebben van vuurwapens (drie tot negen maanden per vuurwapen), voorhanden hebben van munitie (geldboete, maar de rechtbank neemt in dit geval de munitie in aanmerking als vrijheidsstrafverhogend, voorbereiding van drugssynthetisering (zes tot negen maanden), fraude (omdat voor witwassen geen oriëntatiepunten zijn gegeven; twee tot vijf maanden bij benadeling tot € 70.000); PJW]
3.Het geding in cassatie
Kerstarrestover box 3. [7] De belanghebbende meent te hebben aangetoond dat het om een buitensporige last gaat omdat de belastingdruk in casu een veelvoud van de inkomsten was; in elk geval hoger dan 100% van die inkomsten.
Staatssecretarismeent dat middel
1faalt. Het Hof is voldoende ingegaan op het beroep op art. 14 EVRM. Uit zijn overneming van de oordelen van de Rechtbank volgt dat het Hof dier oordelen over het discriminatieverbod onderschrijft. Ook het door de belanghebbende bij pleidooi aangehaalde kennisgroepstandpunt is door het Hof besproken.
2stelt de Staatssecretaris dat een verbeurdverklaring slechts aftrekbaar kan zijn voor zover zij in de ondernemings- of ROW-sfeer ligt; anders strandt aftrek al op het persoonlijke karakter van de last. De belanghebbende heeft niet gesteld dat de verbeurdverklaarde voorwerpen ROW-vermogen waren, zodat ervan kan worden uitgegaan, mede gegeven een door de Inspecteur bij vermogensvergelijking vastgesteld negatief netto privé, dat zij privévermogen waren en aftrek dus niet aan de orde is. Subsidiair meent de Staatssecretaris dat uit het strafvonnis volgt dat de verbeurdverklaring is opgelegd als punitieve sanctie en niet als ontneming, zodat zij niet vergelijkbaar is met een maatregel om de veroordeelde financieel in de situatie van vóór het misdrijf te brengen. Meer subsidiair, als u wel ongelijke behandeling van gelijke gevallen zou zien, acht de Staatssecretaris het fiscale onderscheid niet evident van redelijke grond ontbloot. Art. 3.14(3)(a) Wet IB moet dubbele ontneming voorkomen. Die doet zich in casu niet voor, aldus de Staatssecretaris.
3leest de Staatssecretaris in de parlementaire geschiedenis dat de wetgever misdrijven niet meer fiscaal wilde faciliteren. Hij was zich daarbij bewust van overlap tussen verbeurdverklaring en voordeelontneming, maar heeft er toch voor gekozen om slechts twee uitzonderingen op de aftrekuitsluiting te maken: voordeelontneming en schadevergoeding. Hij wilde niet dat de inspecteur op de stoel van de strafrechter zou moeten gaan zitten; hij voorzag dus dat de inspecteur de strafrechtelijke kwalificatie van de straf of maatregel moest volgen en geen eigen oordeel moest vormen over de materiële aard van de sanctie.
4wijst de Staatssecretaris op jurisprudentie inhoudende dat bij de beoordeling van het individuele en buitensporige van een opgelegde last de hele financiële situatie van de belastingplichtige moet worden meegewogen. De belanghebbende is alleen ingegaan op de verhouding tussen de belasting en zijn inkomen en heeft geen inzicht gegeven in zijn vermogenspositie. Een buitensporige last acht hij dan niet aannemelijk gemaakt.
4.De wet
enigstrafbaar feit (art. 33(1) Sr). [9]
6.De verhouding tussen verbeurdverklaring en voordeelontneming
De wetsgeschiedenis
NJ2016/283 [30] oordeelde zij voor het eerst dat bij de bepaling van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel rekening moet worden gehouden met een reeds opgelegde verbeurdverklaring. Het Hof had de in die zaak verbeurdverklaarde € 5.020 niet in mindering gebracht op de aan de veroordeelde opgelegde voordeelontneming. U casseerde dat oordeel:
NJ2022/210 [31] voegde u daaraan toe dat de ontnemingsrechter een ontnemende verbeurdverklaring in mindering kan brengen op het te ontnemen voordeel, ook als ten tijde van de uitspraak van de ontnemingsrechter de verbeurdverklaring nog niet onherroepelijk is:
Ter verduidelijking voegt de Hoge Raad daaraan nog het volgende toe. Ook als de hiervoor bedoelde verbeurdverklaring ten tijde van de uitspraak van de ontnemingsrechter nog niet onherroepelijk is, kan de ontnemingsrechter de waarde van de verbeurdverklaarde voorwerpen in mindering brengen op de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting. De ontnemingsrechter is daartoe echter niet verplicht. In het geval dat de rechter de waarde van de verbeurdverklaarde voorwerpen niet in mindering brengt omdat de verbeurdverklaring nog niet onherroepelijk is, kan de betrokkene nadien - als de uitspraak waarin die verbeurdverklaring is uitgesproken, wel onherroepelijk is geworden - een verzoek doen als bedoeld in artikel 6:6:26 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering.”
sub bgenoemd, maar uit haar onderbouwing van de verbeurdverklaring leidde de ontnemingsrechter af dat het om profijtontneming ging. Uw strafkamer oordeelde als cassatierechter dat als dat feitelijk vaststaat (niet onbegrijpelijk is), de verbeuring dan geïmputeerd moet worden op de voordeelontneming. Voor de imputatie van de verbeuring op de voordeelontneming is dus beslissend het materiële karakter van de verbeurdverklaring zoals blijkende uit de motivering van de strafrechter.
coffeeshopwaar men desgewenst ook koffie kon krijgen, maar waar de primaire omzet bestond uit soft drugs en
space cake. Fiscaal was in geschil of verbeurdverklaring ondanks de in 5.4 hierboven weergegeven wetswijziging van 1997 nog aftrekbaar was en of een voorziening kon worden gepassiveerd voor een te verwachten verbeurdverklaring van de voorraad. Het Hof achtte de verbeurdverklaring van het geld niet aftrekbaar omdat de wet daaraan sinds 1997 in de weg stond, maar ook al omdat de belanghebbende niet overtuigend had aangetoond dat het inbeslaggenomen geld ondernemingsvermogen was. Wel kon een bescheiden voorziening worden getroffen voor te verwachten voorraadverlies door verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen voorraad omdat het strafvonnis ten tijde van de Hofuitspraak nog niet onherroepelijk was: [32]
7.Literatuur en beleidsopvattingen
ontnemendeverbeurdverklaring: [35]
Aanleiding
V-N(2024/55.3
)merkt in haar commentaar op dit standpunt op dat de keuze van het OM tussen verbeurdverklaring en voordeelontneming buiten de invloedssfeer van de belastingplichtige ligt en dat dit het fiscale onderscheid ertussen “tamelijk arbitrair” maakt. Niettemin meent zij met de kennisgroep dat “niet het gevoel maar de juridische kwalificatie doorslaggevend is”. Ik merk daarbij op dat het, zoals blijkt uit het arrest van uw strafkamer HR NJ 2022/210 (zie 6.7 hierboven), strafrechtelijk inderdaad niet om enig ‘gevoel’ of ‘ervaring’ gaat, maar evenmin om de kwalificatie of wetsverwijzing van de strafrechter, maar om de vraag of de verbeurdverklaring volgens de feitenrechter feitelijk voordeelontnemend is (bedoeld): zo ja, dan stelt uw strafkamer die verbeurdverklaring in de plaats van (imputeert zij de verbeuring op) de voordeelontneming.
NLF2024/2669) becommentarieerde het kennisgroepstandpunt als volgt:
De overlap
maatregelnog niet met zich brengt dat daarmee geen leed wordt toegevoegd bij de betrokkene. Bovendien wordt met vergelding als kenmerk van de straf in zekere zin rechtsherstel bereikt: doordat de schuld wordt vergolden wordt het maatschappelijk evenwicht hersteld, zo is de gedachte. Tot slot ervaart de betrokken burger aan wie de sanctie wordt opgelegd vaak geen principieel verschil tussen een straf en een maatregel. Er lijkt veeleer sprake te zijn van een samenhang en overlap tussen de straf en de maatregel: zij bewerkstelligen en beogen vaak dezelfde doelen. Er zijn bijvoorbeeld straffen die rechtsherstellend kunnen zijn bedoeld, zoals de afroomboete en de verbeurdverklaring. Een karakterisering van de ontnemingsmaatregel enkel op basis van het onderscheid tussen straf en maatregel wordt daarom als weinig nuttig ervaren.’’
8.Middel 1: onvoldoende respons op de gronden voor beroep op art. 14 EVRM?
legitimate aim) bestaat, en (iii) zo ja, of het verschil in behandeling (geen aftrek) in redelijke verhouding (
fair balance) staat tot de
legitimate aimvan niet-aftrekbaarheid.
welaftrekbaar was, zodat die wetsgeschiedenis weinig relevant lijkt. De belanghebbende wijst erop dat de wetgever destijds meende dat veelal slechts voorwerpen van geringe waarde verbeurd werden en dat waardebepaling moeizaam was en dat hij daarom verbeurdverklaring niet van aftrek had uitgesloten. Volgens de belanghebbende gaan deze argumenten niet meer op omdat inmiddels ook waardevolle voorwerpen en (grote) sommen geld verbeurd worden verklaard en bij geld per definitie geen waarderingsprobleem bestaat. Hij meent dat met het wegvallen van die argumenten ook een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor fiscaal verschil wegvalt. Ik kan dit niet helemaal volgen omdat die argumenten voor de toenmalige wetgever juist reden waren om verbeurdverklaring
wélin aftrek toe te laten, dus géén onderscheid te maken. Ik zie belanghebbendes belang dan niet bij zijn constatering dat de toenmalige argumenten vóór aftrekbaarheid zijn weggevallen. Evenmin acht ik overtuigend de verwijzing van de feitenrechters naar die achterhaalde wetsgeschiedenis. Mijns inziens zijn in casu relevanter de (parlementaire geschiedenis van de) wijzigingen die hebben geleid tot de wetgeving die in het geschiljaar 2017 gold. Die wetgeving is zowel strafrechtelijk als fiscaalrechtelijk gebaseerd op andere inzichten dan in 1988-1991 en deels op tegengestelde inzichten.
(a)Sr maakt dat theoretische onderscheid inmiddels een formalistische indruk, gegeven (i) de in de onderdelen 5 en 6 hierboven weergegeven ingrepen van de belastingwetgever en vooral de strafwetgever, die verbeurdverklaring met het oog op ontneming propageert omdat die makkelijker, sneller en effectiever is dan een separate ontnemingsprocedure ná de strafzaak, (ii) de daaruit voortvloeiende imputatierechtspraak van uw strafkamer (zie 6.7 hierboven: ontnemende verbeurdverklaring wordt geïmputeerd op het te ontnemen wederrechtelijke voordeel), en (iii) de kennelijk in de strafpraktijk gevoelde behoefte aan en feitelijk ook gegroeide praktijk van ontnemende verbeurdverklaring in plaats van hetgeen vroeger in een moeizamer en trager separate ontnemingsprocedure ontnomen werd.
(a)Sr valt, ook al noemt de strafrechter geen of een ander onderdeel van art. 33a(1) Sr, neemt daarmee feitelijk en rechtens de plaats in van voordeelontneming, ofwel letterlijk, door imputatie van de verbeurde waarde op het te ontnemen voordeel, ofwel doordat de gemakshalve al in de hoofdzaak gevorderde en opgelegde ontnemende verbeurdverklaring in de plaats komt van een ontnemingsprocedure die daarzonder gevoerd zou zijn.
overige(hoofd)strafoplegging rekening zou houden met de ook door hem opgelegde - en theoretisch slechts als (bijkomende) straf te beschouwen - ontnemende verbeurdverklaring in die zin dat die ontnemende verbeuring de overigens opgelegde (punitieve) straf(fen) zou matigen, maar dat lijkt in de praktijk niet het geval. In de door mij in het kader van deze conclusie gelezen strafrechtspraak heb ik daarvan geen tekenen waargenomen. Eerder lijkt de
ontnemendeverbeurdverklaring als ‘straf’ zodanig ‘bijkomend’ te zijn geworden dat het materieel eerder om een maatregel - in de plaats van voordeelontneming - gaat, waar de punitieve hoofdstraf los van staat.
omdie illegale bezigheid te bestraffen, ofwel
omhet illegale profijt uit die illegale bezigheid te ontnemen, dus om het bedrijf/de werkzaamheid onrendabel te maken.
werkzaamheidtoegerekend wordt.
curs. PJW):
als resultaat uit overige werkzaamhedenbij uw
inkomen uit werk en woningworden gecorrigeerd.”
überhauptgeen sprake meer kan zijn van ondernemingsvermogen, een later opkomende, maar nog aan de eerdere ondernemingsuitoefening toerekenbare nagekomen last of bate fiscaal wel degelijk belaste winst of verlies is uit die niet meer bestaande onderneming.
juistals de fiscus volgzaam moet zijn ten opzichte van de toepassing van het strafrecht door de strafrechter, moet ontnemende verbeurdverklaring op dezelfde voet aftrekbaar zijn als voordeelontneming. Het zijn immers de
strafwetgever en de
strafrechter die een ontnemende verbeurdverklaring gelijk stellen aan (imputeren op) voordeelontneming. U zie de in 9.6 hierboven samengevatte bedoelingen van de strafwetgever en de in 6.7 geciteerde imputatierechtspraak van uw strafkamer.
ontnemendeverbeurdverklaring en voordeelontneming inmiddels van redelijke grond is ontbloot. De aanvankelijke rechtvaardiging voor dat fiscale onderscheid is verdwenen door gewijzigd inzicht van de strafwetgever, wijziging van de strafwet, de gegroeide strafpraktijk van ontnemende verbeurdverklaring en de daarop aansluitende imputatierechtspraak van uw strafkamer.
sub a(ontnemende verbeurdverklaring), de verbeurdverklaring toch in de plaats van de voordeelontneming wordt gesteld voor zover uit het strafvonnis blijkt dat de verbeurdverklaring voordeelontnemend is (bedoeld). Met de Staatssecretaris (subsidiair verweer ad middel 2) meen ik dat dat in ons geval niet zo is. Uit het strafvonnis blijkt geenszins dat de litigieuze verbeurdverklaring voordeelontnemend (bedoeld) was; eerder integendeel.
10.Middel 3: onvoorziene onevenredigheid?
bestraffendeverbeurdverklaring zoals de litigieuze zou cumuleren met belastingheffing, nu hij die immers wettelijk onaftrekbaar heeft gemaakt. Die cumulatie kan dan niet aangemerkt worden als een niet door de wetgever voorziene bijzondere omstandigheid.
11.Middel 4: individuele en buitensporige last in strijd met het eigendomsrecht?
als strafafgenomen zijn. Ik meen dat van de litigieuze bestraffende verbeurdverklaring niet gezegd kan worden dat zij belanghebbendes eigendomsgrondrecht schendt. Lid 2 van art. 1 Protocol 1 EVRM bepaalt ook dat het eigendomsgrondrecht op geen enkele wijze het recht van de Staten aantast om de betaling van boeten te verzekeren. De litigieuze
bestraffendeverbeurdverklaring lijkt mij een vermogensstraf zoals een geldboete.
straffenzijn gedefiscaliseerd, zodat de toets op evenredigheid tussen doel en middel mijns inziens niet gericht moet worden op de belastingheffing, maar op de vermogensstrafoplegging. Dan gaat het niet in de eerste plaats om evenredigheid tussen de straf en het inkomen, maar om evenredigheid tussen de straf en de ernst van de delicten. Ook dit middel lijkt aldus neer te komen op een strafmaatverweer dat in een hoger beroep in de strafzaak aangevoerd zou hebben kunnen worden. Ook de strafrechter neemt overigens wel degelijk het draagkrachtbeginsel in acht (zie art. 33(2) Sr). De Staatssecretaris wijst er mijns inziens verder terecht op dat de belanghebbende geen inzicht heeft gegeven in zijn vermogenspositie, die in elk geval een eigen huis en een hypothecaire schuld omvat.
straffenhet eigendomsrecht in het algemeen of in zijn geval schendt, meen ik dat die defiscalisering op stelselniveau binnen de ruime beoordelingsmarge van de fiscale wetgever ligt en dat in dit individuele geval de belanghebbende in feitelijke instantie niet heeft gesteld, althans niet heeft bewezen dat die defiscalisering hem individueel buitensporig treft, nu hij geen inzicht heeft gegeven in zijn vermogenspositie.
12.Conclusie
ontnemendeverbeurdverklaring en voordeelontneming geen objectieve en redelijke rechtvaardiging (meer) zie, maar leidt mijns inziens in casu niet tot cassatie omdat uit het strafvonnis geenszins duidelijk volgt dat de litigieuze verbeurdverklaring niet bestraffend maar ontnemend (bedoeld) was, zodat de fiscus ervan uit moet gaan dat het om een bestraffende verbeurdverklaring gaat.