ECLI:NL:PHR:2025:1384

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
14 december 2025
Zaaknummer
25/00334
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 94a SvArt. 126 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onjuiste toets bij beslag in strafrechtelijk onderzoek Milwaukee

In de zaak rondom het strafrechtelijk onderzoek 'Milwaukee', gericht op illegaal aanbieden van online kansspelen, witwassen en deelname aan een criminele organisatie, werd conservatoir beslag gelegd op diverse roerende en onroerende zaken, waaronder woningen, voertuigen en bankrekeningen, verspreid over Nederland en het buitenland.

De klaagster diende een klaagschrift in tegen het beslag, stellende dat het beslag de waarde van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel aanzienlijk overschrijdt, met een bedrag van meer dan 46 miljoen euro aan overbeslag. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde dit klaagschrift bij beschikking van 30 mei 2024 ongegrond.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert dat de rechtbank een onjuiste toets heeft toegepast door de maatstaf voor conservatoir beslag onder een andere dan de verdachte toe te passen, zonder vereenzelviging van de verdachte en de rechtspersoon. Daarom strekt de conclusie tot vernietiging van de beschikking en terugwijzing naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling en beslissing.

De conclusie is onderdeel van een samenhangende reeks zaken met betrekking tot het onderzoek Milwaukee, waarbij meerdere klagers betrokken zijn. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor ambtshalve vernietiging buiten de genoemde onjuiste toets.

De Procureur-Generaal adviseert de Hoge Raad om de beschikking te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank Oost-Brabant voor een correcte beoordeling van het klaagschrift.

Uitkomst: De beschikking die het klaagschrift tegen het conservatoir beslag ongegrond verklaarde wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00334 B
Zitting16 december 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klaagster],
gevestigd te [plaats],
hierna: de klaagster.

1.Inleiding

1.1
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch (raadkamernr. 23/028299) heeft bij beschikking van 30 mei 2024 het beklag strekkende tot (gedeeltelijke) opheffing van het beslag ongegrond verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 25/00320, 25/00321, 25/00322, 25/00326, 25/00328, 25/00330, 25/00331, 25/00332, 25/00333 en 25/00335. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en G.J.M.E. de Bont, C.J.M. Perraud en M. Prins, allen advocaat in Amsterdam, hebben zes middelen van cassatie voorgesteld.

2.De procedure

2.1
Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.
2.2
De onderhavige beklagprocedure speelt tegen de achtergrond van het strafrechtelijk onderzoek ‘Milwaukee’. Dat onderzoek richt zich (onder meer) tegen de verdachten [medeklager 1] (25/00330), [medeklaagster 2] (25/00335) en [medeklager 3]. (25/00322), die verdacht worden van het – kort gezegd – illegaal aanbieden van online kansspelen op de Nederlandse markt, het witwassen van uit dat misdrijf afkomstige geldbedragen en het deelnemen aan een criminele organisatie. Met het oog op de ontneming van het in dat kader wederrechtelijk verkregen voordeel is (met name) in juni 2021conservatoir beslag gelegd op een groot aantal roerende en onroerende zaken, te weten: een woning, een vakantiehuis, een perceel bouwgrond, een tweetal voertuigen, zestien effectenportefeuilles, vijftien bankrekeningen en een vordering op een vennootschap. Op deze voorwerpen is mede beslag gelegd onder de rechtspersonen [klaagster] (de klaagster), [medeklager 4] (25/00328), [medeklager 5] (25/00333) en [medeklager 6] (25/00336). Deze voorwerpen bevinden zich in Luxemburg, Zwitserland en België, alwaar [medeklager 1] en [medeklaagster 2] sinds 2013 woonachtig zijn.
2.3
Ten aanzien van de klagers [medeklager 1], [medeklaagster 2] en [medeklager 3] is op 24 november 2020 door de rechter-commissaris van de rechtbank Oost-Brabant een machtiging afgegeven voor een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 Sv Pro. Voor de klagers [medeklager 4], [medeklager 5], [medeklager 6] en [klaagster] is geen machtiging afgegeven voor een strafrechtelijk financieel onderzoek.
2.4
Namens de klaagster is, na zich eerder herhaaldelijk en tevergeefs (schriftelijk) tot het openbaar ministerie te hebben gewend, op 10 november 2023 een klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag voor zover de waarde daarvan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel overstijgt. Dat ‘overbeslag’ komt volgens de klager neer op meer dan 46 miljoen euro. Het openbaar ministerie heeft op 7 april 2024 schriftelijk op dat klaagschrift gereageerd. Op 19 april 2024 is het klaagschrift in raadkamer behandeld, waarna de rechtbank dit bij beschikking van 30 mei 2024 ongegrond heeft verklaard.

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel bevat de klacht dat de rechtbank ter beoordeling van het klaagschrift van de klager een onjuiste toets heeft aangelegd.
3.2
Dit middel slaagt om de redenen vermeld in mijn conclusie in de zaak van de medeklaagster [medeklager 4] (25/00328).

4.Afronding

4.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG